Dries Vande Velde

DE WITTE RAAF

Editie 123 september-oktober 2006

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Denkmal II. Jan de Cock

Welgeteld één jaar nadat hij zijn eerste monografie Denkmal uitbracht, pakt de Brusselse kunstenaar Jan de Cock eind 2005 uit met een tweede, gelijknamige publicatie over zijn eigen werk. Vormgegeven door Luc de Rycke, in samenwerking met de kunstenaar zelf, bestaan beide boeken uit een gelijkaardige afwisseling van dezelfde grafische elementen: tekstblokken, paginagrote afbeeldingen van De Cocks werk en ‘modules’, waarin de kunstenaar zijn artistieke, filmische en persoonlijke referentiekader schetst. Net zo gewichtig, overweldigend en dik als zijn voorganger, borduurt de jongste uitgave voort op het grafische en intellectuele spel dat het eerste boek in 2005 de Plantijn Moretus Prijs voor het beste kunstboek opleverde.

Door deze identieke opvatting springt elk verschil tussen beide uitgaves onmiddellijk in het oog. Zo wordt bij het doorbladeren van Denkmal II duidelijk dat de 632 bladzijdes van de jongste uitgave een veel grotere eenheid bezitten dan Denkmal I. Op het eerste zicht lijkt het alsof deze grafische continuïteit het resultaat is van de doorgedreven integratie van modules, tekst en afbeeldingen, wat het katernprincipe van het eerste boek vermijdt. Maar al snel blijkt dat precies het afgebeelde werk van Atelier de Cock zelf met een grotere samenhang spreekt dan in de publicatie van twee jaar geleden. Deze verschuivingen in grafiek en afgebeeld werk geven aan Denkmal II dan ook een grotere maturiteit, een gewichtigheid die inderdaad dichter aansluit bij de ambitie van dit soort kunstbijbel. Enkel in de relatie tussen het afgebeelde werk en de retoriek rond dat werk gaat deze samenhang voor een stuk verloren.

Het werk van Atelier Jan de Cock is ondertussen genoegzaam bekend. Met houten vezelplaten worden sculpturen gemaakt die een formele, ruimtelijke en narratieve relatie aangaan met de architectuur van de omgeving. De ineengetimmerde constructies zijn daarom op menselijke schaal uitgevoerd, als toegankelijke ruimte, als meubilair of eenvoudigweg als een levensgrote ruimtelijke sculptuur. De herhaling van de formele uitgangspunten in telkens andere ruimtes, wekt de indruk dat er weinig evolutie zit in het werk zelf. Het enige wat echt lijkt te veranderen is de schaal en de faam van de gebouwen waarin het werk opgebouwd wordt. Een van die befaamde tentoonstellingsruimtes was de Level 2 Gallery van Tate Modern in Londen, waar Atelier de Cock in september-oktober 2005 een tentoonstelling in een serie over jonge kunstenaars mocht organiseren. Het was precies deze tentoonstelling die de directe aanleiding vormde voor het uitbrengen van Denkmal II. Het komt dan ook niet als een verrassing dat de meeste beelden in deze publicatie de sculpturen van deze show tonen. In het boek blijken deze afbeeldingen grofweg uiteen te vallen in twee categorieën : sculpturen die opgesteld zijn als meubilair (of aansluiten op bestaand meubilair) en ontoegankelijke sculpturen die her en der op zichzelf staan. De formele taal van beide is gelijkaardig, maar doorheen Denkmal II wordt duidelijk dat de tweede categorie van sculpturen een krachtige verschuiving in het werk markeert.

Ten eerste ligt dat aan het feit dat ze ontoegankelijk zijn en dus per definitie niet langer als keuken, werktafel, badkamer of woonkamer gebruikt worden, zoals het geval was in de meeste projecten van de eerste uitgave. Ten tweede verhouden deze sculpturen zich een stuk minder tot de schaal van hun directe omgeving. De ‘schaalwerking’ van bijvoorbeeld de hoge boxen op het plein tussen Tate en Thames, spreekt in de eerste plaats vanuit de verschillende schaalniveaus in de constructie zelf, en wordt daardoor een autonome ervaring. Dit voorkomt bovendien de ‘schaalcontradicties’ die voorkwamen in nogal wat van de betreedbare of functionele werken, die te klein blijken om hun eigen gebruik op te nemen. Ten slotte is er de vaststelling dat deze sculpturen, eenvoudigweg omdat ze buiten het gebouw zelf staan, veel minder direct refereren aan één specifiek gebouw.

Het resultaat van deze verschuivingen is indrukwekkend: het werk is duidelijk meer autonoom en zelfzeker geworden. Het zoekt zijn intrigerende formele complexiteit hoofdzakelijk in zichzelf, en het gaat een relatie aan met architectuur als discipline in plaats van zich te focussen op een directe context. Ontdaan van hun problematische gebruik, ontdaan van al te directe architecturale verwijzigen en opgeladen met een autonoom schaalsysteem, worden de sculpturen wat ze altijd wilden zijn: een eerbetoon (“Denkmal”) aan het idee van een architecturale en sculpturale canon.

Dit wordt overduidelijk in de talloze afbeeldingen van Denkmal II. Doorheen het boek tonen deze een indrukwekkende sculpturale bewerking van talloze architecturale motieven. De motieven spelen zich op alle mogelijke vormniveaus af: schaduwwerking, transparantie, volumetrie, ritmiek, detaillering, perspectief... Zonder enige twijfel waren deze motieven al aanwezig in de eerdere werken, maar ze werden er vaak verdrukt door een veelheid aan supplementaire referenties en betekenissen. De verschuiving in het recente werk is precies welgekomen omdat ze het werk vrijmaakt van overbodige ballast en een duidelijkere (lees: principieel formelere) beschouwing van het werk bevordert, zowel visueel als intellectueel. Denkmal II toont een oeuvre dat door zijn toenemende samenhang stilaan volwassen wordt, en is alleen al daarom een bijzonder waardevolle publicatie.

De kunstenaar zelf verwijst op bepaalde momenten naar deze formeel-intellectuele invalshoek, onder andere in het interview op de Tatewebsite en in ‘zijn’ introductietekst op Denkmal II. Deze laatste tekst is vreemd genoeg niet door De Cock zelf geschreven, maar komt uit een traktaat over perspectiefconstructie van Piero della Francesca. De tekst poneert della Francesca's alternatieve perspectiefconstructie als een nieuwe methode om de realiteit te bekijken. Door deze tekst op te nemen als introductie suggereert De Cock dat zijn formele constructies op dezelfde manier een nieuw ‘kijkkader’ kunnen bieden. De heldere luciditeit waarmee de kunstenaar hier zijn werk bekijkt, blijkt echter een zeldzaam verlicht inzicht te zijn binnen de retoriek dieDenkmal II opbouwt. Deze retoriek kijkt bijna volledig naast de formele verschuivingen in het werk en onderbouwt amper de idee van de constructies als eigentijds ‘kijkkader’. De focus en samenhang die De Cock in zijn constructies introduceert, blijven opvallend afwezig in het intellectuele kader dat rond die constructies wordt gebouwd (onder meer via de teksten van Wouter Davidts, Tim Martin, Kirstie Skinner, John Welchman en Jon Wood). In plaats daarvan wordt het werk overladen met allerhande betekenisniveaus. Alleen al het korte interview met de kunstenaar op de Tatewebsite toont die overdaad aan betekenissen: 1. cinematografisch, 2. architecturaal, 3. compositorisch, 4. institutioneel, 5. perspectivisch, 6. materieel, 7. (art in) public space, 8. fenomenologisch, 9. kunsthistorisch. Dit soort intellectuele grootspraak staat volledig haaks op de precieze invalshoek die Piero della Francesca suggereert in de introductie van Denkmal II, en dus ook op de invalshoek waar het werk zelf op focust. De Cocks recente sculpturen verdienen daarom een veel specifieker begrippenkader dan hetgeen waar ze tot nu toe mee beschreven werden. Het werk vraagt in de eerste plaats om te worden gewogen met de termen van de architecturale canon waar het zo uitdrukkelijk naar verwijst. Zo kan bijvoorbeeld de betekenis van de transparantie in De Cocks sculpturen veel sterker uitgediept en gefundeerd worden door ze af te wegen tegen het gelijknamige modernistische concept zoals dat gelanceerd werd door Colin Rowe. Deze beschreef precies de ruimtelijke, perspectivische en sculpturale werking van opeengelegde rasters in modernistische architectuur als kernelement van de 20ste-eeuwse ruimtelijkheid. Precies hetzelfde kan worden gezegd over de ordeningssytemen, de kaderwerking, het perspectief, de vorm... in De Cocks sculpturen. De algemene conclusie is dat het hoegenaamd onmogelijk is een ‘Denkmal’ te wijden aan de idee van een architecturale canon, zonder daarbij het uitgebreide betekeniskader van die canon in beschouwing te nemen. Het is precies door deze dubbelzinnige relatie tussen werk en retoriek dat het boek niet ten volle slaagt in zijn eigenlijke ambitie: het werk van De Cock tot een eigentijdse intellectuele en artistieke canon te proclameren.

Met de tweede Denkmal heeft Atelier De Cock op indrukwekkende manier de weg aangewezen waarin het een fundamentele kunsthistorische bijdrage kan leveren. De ambitie voor een derde publicatie is om hierrond het aangepaste begrippenapparaat te bouwen.

 

• Denkmal II is uitgegeven door Atelier Jan De Cock (red. Wouter Davidts & Jan De Cock), Denkmal 15 nv, Auguste Gevaertstraat 15, 1070 Anderlecht (02/520.89.75), co-uitgevers Thea Westreich en Ethan Wagner. Teksten van Wouter Davidts, Tim Martin, Kirstie Skinner, John Welchman, Jon Wood. ISBN 90-8084-241-9. Het aangehaalde interview is te vinden op:http://www.tate.org.uk/modern/exhibitions/jandecock/interview.shtm