Margarethe Jochimsen

DE WITTE RAAF

Editie 124 november-december 2006

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

WENDE '80' van Hanne Darboven

De structuur van het werk

WENDE ‘80’ zou je kunnen typeren als de 451 pagina’s tellende partituur van een epische symfonie. Een reeks van 14 zeer gevarieerde ‘zinnen’: muzieknotaties, boomstudies, teksten, combinaties van tekst en foto’s. De teksten zijn deels in hun oorspronkelijke publicatievorm overgenomen, deels uitgetikt, deels met de hand geschreven. Het is geen boek, maar eerder een collectie ‘tekeningen’, waarvan de visuele waarde minstens even belangrijk is als de inhoud. De bladen worden als bladen gepresenteerd. De geschreven notaties van de opera 1, 2, 3, 4, 5 en 6 zijn omgezet in echte muziek, die op 11 grammofoonplaten is vastgelegd en op de tentoonstelling kan worden beluisterd.

 

opus 1

Het werk begint met opus 1, een ‘notenstuk’ uit 19 nummers, een exacte omzetting van de indextabel van de getallenconstructie Een eeuw, geschreven in 1970-1971, dus tien jaar eerder, waarin de 19 mogelijke getallensommenbogen van de jaren in een eeuw (2K–43K tot 20K–61K) [1] samen met hun frequenties (oplopend van 1 tot 10, dan weer aflopend tot 1) [2] worden getoond in een systeem van 19 vakjes [3]. Dat systeem vormt de basis van opus 1. De muzikale transformatie gebeurt volgens een door Hanne Darboven ontwikkelde omzettingscode van de getallen in noten [4]: 2 = f, 3 = g, 4 = a enzovoort. Alle samengestelde getallen worden (naar analogie met de vorming van getallensommen) gespeeld in twee noten, een interval, dus 11 = e-e, 12 = e-f, 13 = e-g enzovoort. Alle getallen met een 0, zoals 02, 03 of 20, 30 enzovoort, worden omgezet in twee gebroken akkoorden, het grondakkoord en het kwartsextakkoord, waarbij beide akkoorden als een entiteit beschouwd moeten worden, dus als één noot. Het einde van elk nummer wordt gevormd door een slotarpeggio, dat uitgaat van of voortbouwt op de laatste noot van het nummer, en dat de functie heeft van een gedachtestreepje. De frequenties van de getallensommenbogen komen tot uitdrukking door de herhaling van de overeenkomstige nummers.

Opus 1, nr. 1 visualiseert dus de ‘getoonzette’ getallensommen van het jaar 00, van 1.1.00 tot en met 31.12.00 (2K–43K); opus 1, nr. 2 de getallensommen van de jaren 01 en 10 (3K–44K); opus 1, nr. 3 de getallensommen van de jaren 02, 20 en 11 (4K–45K) enzovoort, tot opus 1, nr. 19, dat de getoonzette getallensommen van het jaar 99 (20K–61K) visualiseert.

De muzikale structuur van opus 1 is dus identiek met de mathematische structuur van de getallenconstructieEen eeuw.

 

Boomstudies

Op de muziek van opus 1 volgt een reeks van 8 boomstudies, vroege gewassen tekeningen van de kunstenaar. Te zien zijn 8 piramidevormige, bladloze bomen (die daardoor het ‘geraamte’, de structuur zichtbaar maken). Ondanks de – beperkte – gedaanteverschillen zijn die bomen toch duidelijk onderworpen aan dezelfde groeicodes (van onder naar boven een aanvankelijk progressieve, vervolgens degressieve vorm). Analogieën tussen deze organische structuren en de mathematische structuur, in verband met een zich in een bepaald kader en volgens bepaalde regels voltrekkende beweging (progressie-degressie), dringen zich op.

 

38 vragen

Daarop volgen 38 vragen die Der Spiegel (nr. 40, 1980) voorlegde aan kanselier Helmut Schmidt en kandidaat-kanselier Franz Josef Strauss over het toen – in de periode van de verkiezingsstrijd voor de Bondsdag – hoogst actuele thema “Wat maakt u geschikt om kanselier te worden?” De reacties van beide politici op de 38 vragen, die haast elk domein behandelen, moeten ons een beeld geven van hun persoonlijkheid, hun denken, de principes die aan hun handelen ten grondslag liggen, hun politieke opvattingen, hun ethiek, hun maatschappelijke verantwoordelijkheidszin, hun tolerantie enzovoort. Hanne Darboven neemt de tekst uit Der Spiegel echter niet ongewijzigd over. Ze grijpt in. Door de antwoorden van kandidaat-kanselier Strauss te doorstrepen en zwart te maken, neemt ze een ondubbelzinnige positie in. Ze laat hem niet aan het woord komen, confronteert ons niet met zijn reacties, maar met zwartgemaakte passages. Ze wijst hem af, en doordat ze zijn antwoorden doorhaalt, geeft ze uitdrukking aan het verlangen dat zo’n ‘Wende’ zou uitblijven. (Gelijkaardige politieke stellingnamen vindt men ook in de werken Für Walter Mehring, 1980, en Milieu 80, 1979.) Het werk WENDE ‘80’ draagt de datum van de Bondsdagverkiezingen, 5.10.1980.

Deze tekst, controversieel van opzet, vormt in zekere zin de ‘as’ van het symmetrisch opgebouwde eerste deel van het werk. Want:

 

Boomstudies

Hij wordt gevolgd door een tweede reeks van dezelfde 8 boomstudies, weliswaar in dezelfde volgorde, maar dit keer als spiegelbeeld: ‘omgewend’ dus.

 

opus 2

Als ‘pendant’ van opus 1 worden de boomstudies gevolgd door opus 2, opnieuw een muziekstuk. Net zoals opus 1 bestaat het uit 19 nummers. Het vormt de retrograde versie van opus 1: opus 2, nr. 1 komt overeen met opus 1, nr. 19; opus 2, nr. 2 komt overeen met opus 1, nr. 18;… en opus 2, nr. 19 komt overeen met opus 1, nr. 1. Dat gebeurt altijd retrograde: de nummers worden van voor naar achter genoteerd en gespeeld. Een algemene opmerking over de notatiemethode van de retrogressie: alleen de volgorde van de afzonderlijke entiteiten (akkoorden, intervallen) worden retrograde genoteerd, maar niet de volgorde van de noten die een entiteit vormen. De vorm van de akkoorden en intervallen wordt dus niet aangetast. [5]

 

opus 3

Een gelijkaardige, op het principe van de symmetrie berustende indeling wordt herhaald in het tweede grote deel van het werk, zij het dan omvangrijker en gecompliceerder van opbouw.

Terwijl opus 2 de retrograde versie van opus 1 was, is opus 3 een nieuwe notatie, die uit 51 nummers bestaat. Ook deze notatie is gebaseerd op een systeem van eeuwberekening, maar dat systeem verschilt van het vorige doordat het de data op een andere manier ontleedt, wat ook andere getallensommen oplevert. In opus 1 ging het om de getallensommen van elk jaar afzonderlijk, maar in opus 3 gaat het om de getallensommen van elke datum van een jaar, een eeuw lang: dus om de getallensommen van elke 1.1., elke 2.1., elke 3.1. enzovoort, een eeuw lang. De berekening gebeurt in groepen van 10, dus van 1.1.00 tot 1.1.09 (= 2K–11K), van 1.1.10 tot 1.1.19 (= 3K–12K), van 1.1.20 tot 1.1.29 (= 4K–13K)… van 1.1.90 tot 1.1.99 (= 11K–20K) enzovoort. De laatste tien reeksen van alle datums met 31 van een hele eeuw luiden: 31.12.00–31.12.09 (= 43K–52K), 31.12.10–31.12.19 (= 44K–53K)… 31.12.90–31.12.99 (= 52K–61K). De totale som van alle getallensommen ligt tussen 2K–11K en 52K–61K, wat dus 50 nummers oplevert (in opus 1 lagen de getallensommen tussen 2K–43K en 20K–61K = 18 nummers). Ook hier vindt de frequentie van de afzonderlijke getallensommenbogen een correspondentie in de herhaling van de overeenkomstige nummers.

 

opus 4

Onmiddellijk na opus 3 volgt opus 4, de retrograde versie of de ‘wending’ van opus 3 (cf. opus 2): opus 4, nr. 1 komt overeen met opus 3, nr. 51; opus 4 nr. 2 komt overeen met opus 3, nr. 50; … opus 4, nr. 51 komt ten slotte overeen met opus 3, nr. 1; ze worden telkens volgens de al uiteengezette regels retrograde genoteerd en gespeeld.

 

Vorwort Döblin

Als centrale schakel tussen de opera 3, 4 en 5, 6 opnieuw een tekstpassage, ingedeeld in een woord vooraf,Denkend aan Alfred Döblin, en een nawoord, Denkend aan: vandaag.

Waarom precies Alfred Döblin? – Alfred Döblin (1878-1957) was arts, schrijver en actief socialist. In 1933 werden zijn boeken verbrand, hij emigreerde naar Zürich, vervolgens naar Parijs, in 1940 naar de Verenigde Staten, en na de oorlog keerde hij naar Duitsland terug. In zijn populairste boek, Berlin Alexanderplatz(verschenen in 1929, eind jaren ’70 verfilmd door Rainer Werner Fassbinder), waaruit Hanne Darboven een passage citeert, tekent hij met een scherp oog voor zijn omgeving het Berlijn van de kleine man in de arme buurten in het oostelijke deel van de stad, waar hij is opgegroeid en geleefd heeft. Het Berlijn van de jaren ’20, de om zich heen grijpende werkloosheid, de armoede, de inflatie en de alles ondergravende criminaliteit. Een maatschappelijke stand van zaken in de tijd voor de machtsgreep van Hitler.

Voor Döblin betekent ‘wereld’ tegelijk opbouw en verval, een permanent getouwtrek tussen beide machten, waar wij allen bij betrokken zijn. “Er is orde en desintegratie”, stelt hij vast, “maar het is niet waar dat de orde of zelfs maar de vorm en het bestaan reëel zouden zijn zonder de neiging tot desintegratie, zonder de daadwerkelijke vernietiging.” [6] Exemplarisch voor deze stelling is zijn hoofdpersonage, Franz Biberkopf, een transportarbeider die uit de gevangenis is ontslagen, een goeie kerel is en bovendien “bang is van het vuur”. Deze Biberkopf wil fatsoenlijk zijn, maar het lukt hem niet, omdat hijzelf noch de wereld veranderd is. “De ene slag na de andere valt op hem neer en maakt hem kapot.” [7] Hanne Darboven citeert die passage uit het 9de boek, waarin de dood “zijn langzame lied” zingt, in gotische letters met hem spreekt, hem zijn zwakheden, vergissingen, zijn hoogmoed en zijn onwetendheid voor ogen houdt. Biberkopf krijgt berouw, bekent schuld, geeft zich over aan zijn leed, om gedood te worden. Hij offert zich, sterft – en Döblin gunt hem een nieuw begin.

In Berlin Alexanderplatz schetst Döblin de contouren van een maatschappij die – zoals elke organische structuur – de kiemen van haar vernietiging meedraagt. Met een voorgevoel van wat op komst is, doet hij in 1929 een indringende oproep: “Wees waakzaam, wees waakzaam, je bent niet alleen. Uit de lucht kan het hagelen en regenen, daartegen is geen verweer, maar tegen veel andere dingen kan men zich verweren.” [8]

Daarop volgt – na een lange gedachtestreep – nog altijd “Denkend aan Döblin”, de andere Döblin die zoveel van muziek hield, een reeks lexicografische definities van het Duitse woord “Ton”, een ketting van associaties:Ton als klank, de Ton van muziekinstrumenten, Ton als klemtoon, Ton als kleurnuance en Ton als silicaten uit kleiaarde.

De gedachten gaan verder. Döblins muziektheoretische belijdenis, die in zijn boek Gespräche mit Kalypso – über die Musik (1910) haar neerslag vindt, komt in de herinnering naar boven. Vertogen waarin hij het wezen van de muziek, “het ordenen en het ketenen van de tonen” probeert te doorgronden, de herkomst van tonen en geluid onderzoekt, nadenkt over de ritmiek, de temporele bepaaldheid van de tonen, over de toonwaarden, of hogere en lagere toonordeningen, over toonladders en muzikale vormen. “De toon maakt de muziek” zegt een spreekwoord dat Döblin in zijn werk citeert, maar volgens Döblin zelf maken “noch één toon, nog vele tonen de muziek, ze ligt in de verhoudingen van toon tot toon, hangt als een brug tussen de tonen”. Het komt dus aan op de relaties tussen de tonen en op de ordeningen die deze relaties bepalen.

In de figuur van Döblin komen politiek engagement en liefde voor de muziek samen. Dat verklaart de sterke affiniteit van Hanne Darboven met deze schrijver en met zijn werk. Haar muziek is aan hem opgedragen. In de context van het werk staat hij voor de vervlechting van politiek en kunst, een bepalend element van WENDE ‘80’.

 

Gedachtestreep – gedachtesprong

Hier voegt Hanne Darboven associaties bij het teken X in: de mathematische onbekende, de letter van het alfabet, het Romeinse teken voor 10, een getal dat een belangrijke rol speelt in de opera 1, 2 en 3 en als structuurelement.

Na een laatste toespeling op de leefgewoonten van Döblins Franz Biberkopf – “Schnaps dat was zijn laatste woord toen droegen hem de engeltjes voort” – volgt een gedachtestreep en “geen woorden meer… en nog een wereld” die komen zal.

 

Nachwort heute

Het nawoord Denkend aan: vandaag bevat de – in getallenreeksen van telkens 10 – geschetste structuurschema’s van de al bekende opera 1, 2 en 3, 4, die de herhaling erg duidelijk naar voren doen komen. Met die structuurschema’s moeten opus 1, 2, 3 en 4 nog eens in herinnering worden geroepen, in gedachten – in de zin van een nawoord – voor Döblin gelezen of gespeeld worden. Muziek die vandaag geschreven is, net zoals opus 5 en 6, die nu volgen.

 

opus 5 en 6

Die ‘pendanten’ bij opus 3 en 4, die het woord vooraf en het nawoord afbakenen, zijn de opera 5 en 6, die telkens in twee delen (a/b) ingedeeld zijn. Deel a verschilt van deel b, niet door de onderliggende ordening van getallenreeksen – die is in beide gevallen dezelfde – maar door de richting waarin ze gelezen of gespeeld moeten worden. Terwijl in deel a de getallenreeksen, geordend in tabellen van 6 x 10 getallen, in horizontalerichting, dus van links naar rechts gelezen moeten worden, gebeurt dat in deel b verticaal, dus van boven naar onder.

De aan opus 5 en 6 ten grondslag liggende getallenordening 60 varianten (1975), bestaat uit 60 tabellen (nummers), die telkens weer in 60 (= 6 x 10) vakjes onderverdeeld zijn. [10] Elke tabel bevat de getallen van 2–61 (= 60 getallen), dat zijn – in doorlopende volgorde van links naar rechts – de mogelijke getallensommen van alle dagen in alle jaren van een eeuw, van 1.1.00 = 2K tot 31.12.99 = 61K. De hele getallenreeks wordt één keer geroteerd, te beginnen met tabel 1, of met 2, 3, 4… tot 60, 61; tabel 2 met 3, 4, 5… tot 61, 2; tabel 3 met 4, 5, 6… tot 61, 2, 3 enzovoort. Het rotatieproces is voltooid wanneer elk getal één keer alle vakjes heeft doorlopen. De laatste tabel, 60, begint dus met 61, 2, 3… en eindigt met 58, 59, 60. (Van tabel 61 af zou het hele proces zich herhalen.)

 

opus 5a

In opus 5a gaat het erom, zoals al is aangestipt, dat die uit 60 tabellen/varianten bestaande getallenconstructie horizontaal wordt gelezen. De getallen van 2 tot en met 61 worden volgens de vermelde code door de ermee corresponderende muzieknoten vervangen. De afzonderlijke nummers van opus 5a komen overeen met de afzonderlijke tabellen of varianten van de beschreven constructie. Elk nummer wordt slechts één keer – dus zonder herhaling – gelezen of gespeeld.

 

opus 5b

Opus 5b steunt op dezelfde getallenconstructie, maar verschilt van opus 5a door de andere leesrichting. De volgorde van de getallen in de tabellen is hier verticaal: in elke tabel (die uit 6 x 10 vakjes bestaat) begint men links te lezen, van boven naar onder. De getallenreeks luidt in tabel/variant 1 niet 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 (eerste rij) zoals in een horizontale lectuur, maar 2, 12, 22, 32, 42, 52 (1ste rij); 3, 13, 23, 33, 43, 53 (2de rij) enzovoort. Alle nummers worden ook hier zonder herhaling, dus slechts een keer, gelezen of gespeeld.

 

opus 6a

Opus 6a is de retrograde versie van opus 5a: opus 6a, nr. 1 komt overeen met opus 5a, nr. 60 enzovoort, maar dan wel retrograde gelezen en gespeeld.

 

opus 6b

Opus 6b is de retrograde versie van opus 5b. Ook hier komt bijvoorbeeld opus 6b, nr. 1 overeen met opus 5a, nr. 60 enzovoort, retrograde genoteerd.

 

Harburg

Het laatste deel van het werk, waar de opmerking “Geen woorden meer… en nog een wereld” naar lijkt te verwijzen, begint met een reeks van 32 combinaties van tekst en foto. Elk blad toont linksboven een ansichtkaart met een afbeelding van het oude Harburg, rond de eeuwwisseling: lanen, bruggen over de Elbe, pleinen, straten, hotels, het stadhuis, het station, een kerk enzovoort. Stadsgezichten die vandaag haast niet meer bestaan, aangezien de meeste gebouwen in de oorlog verwoest werden.

Daaronder of ernaast is de datum van een januaridag en zijn getallensomberekening genoteerd, bijvoorbeeld 1 januari 1981 – 1+1+8+1 = 11, als verwijzing naar vandaag. De getallensom wordt in zwierige tekens herhaald; ook de rest van het blad is met dergelijke tekens beschreven, met commentaren die “geen woorden meer” zijn en die toch, tegen de achtergrond van de voorafgaande teksten, hier en nu willen herinneren aan een wereld die voor de Tweede Wereldoorlog heeft bestaan, de oorlog die op de sporen werd gezet in de tijd waarvan Döblin het maatschappelijke klimaat in zijn Berlin Alexanderplatz probeerde te vangen, de tijd waarvan hij in 1933 zelf het slachtoffer werd. Zijn bezwerende oproep “wees waakzaam, wees waakzaam…” heeft – toen – niets uitgehaald.

Vermoedelijk is dat laatste deel ook een geluidloos commentaar bij de 38 vragen die Der Spiegel Schmidt en Strauss voorlegde. Kiesadvies voor de verkiezingsstrijd. Oriëntatie voor de toekomst. “Wees waakzaam, wees waakzaam…”, vroeger en nu en ook in de toekomst. Hier en nu.

 

Religion des Herzens

Deze zwijgende herbezinning wordt gevolgd door een essay uit Der Spiegel (6.2.81) van de Amerikaanse publicist Norman Birnbaum met de ironisch getoonzette titel De religie van het hart. Opgeschrikt door het gedrag van zijn landgenoten tijdens en na de Iraanse gijzelingszaak onderzoekt Birnbaum hier het traditionele zelfbeeld van de Amerikaanse maatschappij, en hij betwijfelt of ze bereid en bekwaam is om “de last van een wereldmacht te dragen”. Eigengereidheid, nationale zelfvoldaanheid, zelfmedelijden, onwetendheid over de geschiedenis en over andere culturen, het daaruit resulterende onvermogen om de actualiteit te begrijpen, een “ongeneeslijke naïviteit”, het vermengen van calvinistisch gedachtegoed en sentimentaliteit tot een “populaire theologie” – in dergelijke factoren die de maatschappelijke structuur van de V.S. bepalen, zoekt hij een verklaring voor het feit dat nuchtere analyses geen kans maken en gevaarlijke reacties altijd een mogelijkheid blijven. Rampzalige gevolgen van paniekreacties, veroorzaakt door gekwetste ijdelheid, sluit Birnbaum in geen geval uit. De “potentiële heersers” van de staat beschuldigt hij ervan “bange dienaren” te zijn: voor hen bestaat er niets “wat ze niet meteen luchthartig uit handen zouden geven, zonder enige schaamte, van elk principe gespeend”. Een oordeel dat – ook al omdat de V.S. “begrensde nucleaire oorlogen” op de koop toe willen nemen – verontrustend moet zijn voor elk volk dat het waagt om zich niet onvoorwaardelijk neer te leggen bij de aanspraken van de V.S. op hegemonie.

Opnieuw maakt Hanne Darboven gebruik van een analyse die de historisch gegroeide maatschappelijke structuur van een natie blootlegt, en opnieuw maakt die analyse explosief materiaal zichtbaar dat in staat zou kunnen zijn om van de wereld een hel te maken.

“Give peace a chance”, zo begint het lied van John Lennon dat Hanne Darboven samen met het kerstliedje “Stille nacht, heilige nacht…” van Franz Gruber (19de eeuw) op elk getoonzet opus laat volgen – niet in de partituur, maar wel in de grammofoonopname. Vredesoproepen en -betuigingen uit twee eeuwen. Telkens opnieuw verwijst Hanne Darboven naar de structurele gevaren die inherent zijn aan de maatschappij, naar de instabiliteit van maatschappelijke en persoonlijke structuren, die waakzaamheid en een uitgesproken vredeswil noodzakelijk maken, als we eindeloze ellende en verwoestingen willen verhinderen.

 

Und denke an…

Het laatste blad van het omvangrijke werk, de ‘coda’, is gewijd aan Giorgio de Chirico (1888-1979), de grondlegger van de pittura metafisica (1915), waaraan de kunst van de 20ste eeuw, met name de jonge hedendaagse Italiaanse schilderkunst, belangrijke impulsen te danken heeft. Al in 1919, dus slechts enkele jaren na zijn vernieuwende projecten, predikte deze kunstenaar de terugkeer naar de traditie, die hij in zijn kunst ook realiseerde. Samen met Carlo Carrà was hij degene die, door zijn aanvallen op het modernisme, waar een nationalistisch gedachtegoed in doorschemerde, het Italiaanse fascisme goede diensten bewees. Aanvankelijk steunde de campagne tegen de in Frankrijk en Duitsland doorgezette vernieuwingen in de kunst nog grotendeels op artistieke argumenten, maar toen ze werd overgenomen door fascistische politici en kunstenaars van minder allooi, liep ze uit op een hopeloos nationalisme, die de ‘liefde voor de aardkluit’, ‘bloed en bodem’ en de nationale traditie tot het hoogste goed van een Italiaanse kunstenaar verhief.

Hanne Darboven verwijst hier niet alleen naar de maatschappelijke draagwijdte van artistieke keuzes, ze steltook de vraag naar de maatschappelijke en politieke verantwoordelijkheid van de kunstenaar. Een vraag die ze zelf – daarvan getuigt haar werk – ondubbelzinnig beantwoord heeft.

 

Vertaling uit het Duits: Eddy Bettens

 

Noten

1 K = de som van de cijfers van een getal. Het eerste jaar van de eeuw begint op 1.1.00 = 1+1+0+0 = 2K en eindigt op 31.12 = 31+12+0+0 = 43K (de cijfers van de dagen en maanden in een datum worden niet samengeteld); het laatste jaar van de eeuw begint op 1.1.99 = 1+1+9+9 = 20K en eindigt op 31.12.99 = 61K. De boog van de mogelijke getallensommen van alle jaren in een eeuw reikt van 2K–43K tot 20K–61K. De jaren hebben wel verschillende getallensommenwaarden, maar het aantal getallensommen van elk jaar bedraagt toch altijd 42 (= verschillen tussen de hoogste datum 31.12 = 43K en de laagste 1.1 = 2K).

2 De getallensommenbogen van verschillende jaren kunnen dezelfde zijn: dat geldt bijvoorbeeld voor 02, 11 en 20 of voor die van de jaren 03, 12, 31 enzovoort.

3 Een uitvoerige toelichting van de getallenconstructie is te vinden in de catalogus Hanne Darboven – Ein Monat, Ein Jahr, Ein Jahrhundert – Arbeiten von 1968 bis 1974, Kunstmuseum Basel, 1974, p. 29.

4 Die omzettingscode geldt voor alle in WENDE ‘80’ opgenomen opera.

5 Die regel geldt voor alle retrogressies die in het werk voorkomen.

6 Alfred Döblin, in: Mein Buch ‘Berlin Alexanderplatz’, 1932, in: id., Berlin Alexanderplatz, Olten, Walter-Verlag, 1980, p. 506.

7 Ibid.

8 Ibid.

9 Alfred Döblin, Gespräche mit Kalypso über die Musik, Olten, Walter-Verlag, 1980, p. 79.

10 Het werk 60 varianten is afgedrukt in de catalogus Hanne Darboven, die ter gelegenheid van de tentoonstelling van het werk in 1975 werd gepubliceerd bij Konrad Fischer, Düsseldorf.

 

Bovenstaande tekst is een vertaling van het meest beschrijvende gedeelte (tussentitel: Die Struktur der Arbeit) uit het essay WENDE ‘80’. Ein episch-musikalisches Lehrstück für den Frieden, opgenomen in de catalogus van de tentoonstelling Hanne Darboven. WENDE  ‘80’, Bonner Kunstverein, 27 januari – 7 maart 1982.