Mark Kremer

DE WITTE RAAF

Editie 52 november-december 1994

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

And this is my review...

1. Twee keer heb ik “This is the show and the show is many things” bezocht. En het was een genot. De tentoonstelling bracht sentimenten in mij naar boven die ik zelden in de kunstwereld heb ervaren. Zoals het gevoel dat ik als kind in de timmerwerkplaats van de buurman had, waar verschillende kapotte klokken stonden, wachtend op reparatie. De buurman, Frans was zijn naam, sprak in het geheel niet of anders alleen in zakelijke bewoordingen over zijn hobby. Vaak bekloeg hij zich over tijdgebrek. Er waren zoveel dingen die zijn aandacht opslorpten. En in de jaren dat hij met zijn vrouw en zijn dochtertje naast ons woonde op een boerderij waarvan hij het woonhuis huurde, kwam daar geen verandering in. De hoeveelheid kapotte klokken nam alleen maar toe. De werkplaats raakte stampvol. Maar ik liet me niet door die uiterlijke tekens in de luren leggen. Ik wist zeker dat de gestage opeenhoping van klokken een schijngebeurtenis was, nep, een afleidingsmaneuver. In de stilte van de werkplaats voltrokken zich andere geheime gebeurtenissen die werkelijk van belang waren. Uit de schaarse opmerkingen die Frans over zijn hobby maakte, leidde ik af dat hij zijn zinnen had gezet op dié gebeurtenissen, en dat zijn aandacht gericht was op het plan dat de afloop ervan zou bepalen. En hoewel Frans mij nooit vertelde over de toestand in de wereld die ik achter de tekens wist, voelde ik in zijn werkplaats dat ik er deel van uitmaakte, definitief, onomkeerbaar.

 

2. Deze show moet het hebben van momenten. Bij mijn eerste visite, op zondag 18 september, trokken bezoekers om beurten aan een vanaf het plafond neergelaten stoel en zijn contragewicht in de belendende zaal. Ik liep met Bart De Baere door de tentoonstelling, en een brede grijns verscheen op diens gezicht toen hij deze scène zag. “Dat is nu precies waar het om gaat in deze tentoonstelling.” Aldus zijn commentaar. Vrij vertaald: “Fijn, de bezoeker schept zijn eigen kunst.” Wat kan men hier op tegen hebben? Ook ik was ontroerd. Mensen die plezier hebben in het museum en daar rond voor uitkomen. Straks gaat men er dansen, zingen, zoenen! Bij mijn tweede bezoek, op woensdag 5 oktober, dartelden twee innig verliefde meisjes met elkaar door de zalen. De donkere lonkte naar mij, op de manier van iemand die zeker is van haar liefde, waardoor ze elke blik aankan. De meisjes hoorden bij een dansgroep die in de zalen spontane choreografieën ten uitvoer bracht. Nu hield de groep stil bij de met een ijzeren hek omheinde parafernalia van Jason Rhoades. Liever gezegd: bij MTV. Een vrolijk discohitje schalde door de ruimte. De twee meisjes pakten elkaar vast en dansten losjes, mooi en ingehouden op de muziek.

 

3. Jason Rhoades maakte een betekenisvolle keuze toen hij besloot om een televisietoestel op de vloer van een zaal te plaatsen, en de monitor op MTV af te stellen. De show stelt de vraag naar de (mogelijke) jeugd van het museum, en in die context past een zender die welhaast de jeugd in pacht lijkt te hebben. MTV is een extreme ontspanningsmachine. En ook de show heeft kenmerken van een dergelijk apparaat. Vooral humor en speelsheid zijn haar modi. Ernst - het oude in het jonge - heeft het moeilijk. Het is opmerkelijk dat Eran Schaerf zo sterk zijn territorium heeft afgebakend. Alsof hij problemen voorzag als hij zich met zijn werk in zalen zou begeven die in menig opzicht het uiterlijk van een grutterspaleis hebben aangenomen. Bij mijn tweede visite had Mark Manders, als reactie op het werk van Schaerf, op de vloer een sculpturale notitie gemaakt met een uitspraak van Joseph Beuys: “Das Denken zum Wort verhelfen”. Het gemak van Manders’ werk stak schril af bij de geconstrueerdheid van Schaerfs werk, waarin taal op een geheel andere manier functioneert. Hiermee doe ik geen uitspraak over de zogenaamde kwaliteit van hun werk. Ik wil een problematische conditie van deze tentoonstelling aankaarten die zich hier manifesteert als een ongemakkelijk contrast tussen een werk dat binnen de eigen grenzen beweeglijkheid zoekt en creëert (Schaerf) en een werk dat beweeglijkheid zoekt door fysieke of figuurlijke verbanden met de omgeving aan te gaan (Manders).

 

4. Beweeglijkheid is een cruciale conditie van de show. In de stock die in de rotonde van het museum ondergebracht is, treffen wij materialen, voorwerpen en werken aan die daar een sluimerend bestaan leiden. Ze kunnen in de tentoonstelling ingezet worden. Kunstenaars werken continu. Niets is af. De wrijving van de dingen met hun omgeving wordt opgezocht. Dat leidt tot mooie momenten. Allereerst de suspense van het snaargeluid wanneer je het decor naar de film van Jacques Tati passeert en de rotonde binnenstapt (Fabrice Hybert). Er is de sublieme motorfiets van Jason Rhoades, gereed voor een reis die nieuwe grenzen binnen bereik brengt. En de telescoop van Suchan Kinoshita, die doorheen een gat in een buitenmuur op een bakstenen detail gericht staat, brengt het oog letterlijk buiten het museum. Kinoshita heeft haar vleugel, met enkel de toetsen om een muziekstuk van Friedrich Nietzsche te spelen, buiten in de ‘patio’ neergezet. Daar zien wij tevens het glazen schoeisel van Maria Roosen. Voelden deze kunstenaars zich prettiger in een echt terrain vague? In de vensterbank van de tweede hemicyclus (bij de cafetaria) lag een doos met foto’s van een jongetje, verkleed als tovenaar en cowboy. Bij mijn tweede bezoek trof ik een andere doos aan. Ik nam een zacht, papieren zakdoekje mee naar huis als aandenken. Caro fazzoletto…

 

5. “Eerder dan in een representatie via ‘werken’ zijn deze kunstenaars geïnteresseerd in een presentatie, een aanwezigheid die vitaal blijft.” Bart De Baere rept in het persbericht van “denkhandelingen” (de term is van Anne Decock) om de substantie van de werken - ik houd vast aan dat woord - in de show te karakteriseren. Je kunt de getoonde werken typeren in termen van zachtheid en hardheid. Die hoedanigheden staan in de tentoonstelling op gespannen voet. Momenten van symbiose - Maria Roosen heeft haar “Borsten” op een bed in de rotonde geplaatst - kunnen dat niet verhelen. Roosens werk is gebaat bij een welomschreven plek. De hardheid die zij in haar sculpturen nastreeft, verdwijnt in de show uit het zicht. Het transitoire karakter van het toon-territorium doet andere kunstenaars op de vlucht slaan. Honoré d’O was bij mijn tweede bezoek uitgeweken naar hoeken in het museum waar zijn werk tegen de muur opvloog - een hyperactiviteit die ik niet anders dan als een reactie kan lezen. En ook Jason Rhoades moet zich ongemakkelijk hebben gevoeld. De insnoering van al zijn persoonlijke bezittingen in een ijzeren hok staat haaks op de verhalende ambitie in zijn werk. Het is boeiend om te bestuderen hoe kunstenaars zich verzetten tegen opgelegde beweeglijkheid. Fabrice Hybert heeft werken op een aantal plekken verankerd, door ze aan het plafond te hangen, en Mark Manders heeft stille plekken opgericht voor zijn “Zelfportret”. Dergelijke momenten, waar wel degelijk een harde substantie aanwezig is, waar kunstenaars zich met andere woorden scherp uitspreken, counteren het entropische model van deze tentoonstelling.

 

6. Beweeglijkheid is een state of mind (zie de spinnetekeningen van Louise Bourgeois: grote rode monsters in kleine witte ruimtes; deze woede verkwikt je). Dat de show dit begrip zo letterlijk neemt, is zijn beperking. Maar ik heb respect voor de radicale koers die hier wordt uitgezet. Dat stelt de zaken scherp. Een van de belangrijke verdiensten van deze tentoonstelling is dat je aandacht rechtstreeks naar de dingen en de tekens kan uitgaan, zonder dat het tonen in de weg zit. Er wordt letterlijk aangehaakt bij een statement van Daniel Buren, een in de rotonde opgehangen overblijfsel van de vorige show. “Is de wijze van ophangen meer waard dan hetgeen men ophangt?” (New York, september 1975). Het is essentieel dat in tentoonstellingen opnieuw condities worden geschapen waarin het kijken zelf het avontuur is. Die voorwaarden kunnen in de toekomst worden verfijnd. Dat neemt een deel van mijn bezwaren weg. Toch mis ik in deze tentoonstelling precisie. Ik had graag gezien dat de structurering van œuvres naar verschillende modi en types aanwezigheid nauwkeuriger was uitgewerkt. Nu is er naar mijn gevoel een onnodige complicatie. In de individuele œuvres zijn zoveel stemmen aan het woord dat de dialoog tussen werken van verschillende kunstenaars een heikele zaak is. (In die zin verschilt de show, ondanks de nadruk op proces en verandering, niet fundamenteel van andere groepstentoonstellingen.)

 

7. Mijn gedachten over de show, dat merk ik thans, zijn niet sterk omlijnd. Misschien weerspiegelen ze de conditie van deze tentoonstelling die zich vooral kenmerkt door de potenties die ze wil vasthouden. Bezoekers hebben zogezegd deel aan schaduwbeelden van de kunst. Mijn eerste reactie op de show bestond uit verbazing over de auto-censuur waaraan de kunstenaars zich naar mijn idee onderwierpen, iets dat tot uiting kwam in beduchtheid om met hun werk een sterke uitspraak te doen en in hun keuze voor een zekere vormeloosheid. Van die kritiek ben ik teruggekomen. (Hoewel ik ook denk dat de nadruk op het proces in de show een typische energiestroom heeft gegenereerd. Hoe zou een show met dezelfde kunstenaars, gecureerd door een man van staal, er uit hebben gezien?) Ik meen dat in veel van de getoonde werken welbewust gelaveerd wordt tussen denken en concrete realiteiten. Kunstenaars zoeken zones, structuren en formaten op waar men kan bemiddelen tussen wat ‘werkelijkheid’ en ‘kunst’ wordt genoemd. Voor zover men inderdaad beducht is om zich uit te spreken, heeft dat te maken met de ambitie om mogelijkheden open te houden. Waarom wil men dat zo graag? Is het omdat men beseft wat men kwijt kan raken? “De grootste gestalte van het kunstwerk is de innerlijke; de zichtbare gestalte, die uitgroei van het kiembeeld, is het begin van verlies.” (Kees Fens, “Een apologie van schaduwbeelden”“De Volkskrant”, 29 april 1994)

 

8. Het is verkwikkend dat de ‘officiële’ museumteksten niet gericht zijn op het uitspitten van theoretische concepten, maar dat de kunst hier op een meer lichamelijke manier vanuit de taal wordt benaderd. Tastenderwijs worden contouren van œuvres en houdingen van kunstenaars omlijnd. Op die manier ontstaat ruimte in het denken over kunst. Deze benadering loopt parallel met de wijze waarop taal figureert in werken van bijvoorbeeld Eran Schaerf en Honoré d’O. In het werk van Schaerf worden woorden ingezet vanuit een nieuwe basis. Schaerf schept een eigen huis voor de taal. Ook in werken van andere kunstenaars worden dingen vanuit hun oorsprong gedacht. Er is een groot verlangen naar eenvoud, naar momenten zonder gewicht of geschiedenis. Het is een andere verdienste van de show dat er in deze complexe tentoonstelling ruimte wordt vrijgemaakt voor dergelijke efemere momenten. Iedere bezoeker zal weer andere ervaringen hebben. 

 

9. “Toch kan het museum voor hedendaagse kunst als museum voor hedendaagse kunst enkel bestaansrecht hebben als het zijn contradicties blijft beleven en als het een museum van, voor en door het heden tracht te scheppen. Als zijn vorm telkens opnieuw uit vormeloosheid groeit. Als het niet het anker of het roer wil zijn maar enkel een bijkomend zeil.” (Bart De Baere in “De koppeling van het heden aan het nu”). Met”This is the show and the show is many things” wordt aangeduid wat deze woorden in de praktijk kunnen betekenen. Ik hoop dat de energie van deze tentoonstelling anderen zal aansporen om aan het werk te gaan. En hoewel ik sympathiseer met het verlangen zoals dat hierboven is verwoord, denk ik dat de show vooral van betekenis is voor de praktijk van kunstenaars en voor het denken over kunst. Er blijft veel te doen. Ook morgen moeten wij de dinosaurus wakker schudden.