Indira Van 't Klooster

DE WITTE RAAF

Editie 124 november-december 2006

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De spectaculaire stad

Stedelijke werkelijkheid bestaat. Werkelijke stedelijkheid bestaat. Fotografen leggen deze fenomenen vast en leveren daarmee een bijdrage aan de mythe van stedelijkheid, stelt het Nederlands Architectuurinstituut (NAi). Onder de noemer De Spectaculaire Stad – Foto’s van de toekomst zijn 29 hedendaagse topfotografen bijeengebracht, waaronder Andreas Gursky, Thomas Ruff, Jules Spinatsch, Francesco Jodice en Bas Princen. Met hun beelden zeggen zij ook iets over de toekomst van de stad, zegt althans het NAi.

De stad is altijd een dankbaar onderwerp geweest voor fotografen. In de publicatie Spectacular City – Photographing the Future (NAi Publishers, 2006) schetst Steven Jacobs hoe de aard van de fotografie met de stad mee verandert. De beelden reflecteren tijdgeest, cameratechnische mogelijkheden en stedelijke werkelijkheid. Bij de kosmopolitische wereldstad in de jaren ’20 horen dynamische en vluchtige foto’s, die de charleston, het optimisme en de haast uitdrukken. Met de komst van de Leica in 1930 raken verstilde, artistieke stedelijke stillevens in de mode. De jaren ’60 en ’70 worden gekenmerkt door grootschalige woningbouwprojecten, economische onzekerheid en angst voor de ondergang van de wereld. De stad verliest haar onschuld. Een andere manier van verplaatsen verandert ook de ervaring van de stad. Niet langer zijn de stedeling en de fotograaf wandelaars die in bedaard tempo de stad verkennen. Zij verplaatsen zich nu per auto. De fotografie wordt afstandelijker, rauwer, kritischer, met oog voor misstanden. In de postmoderne jaren ’80 en ’90 ligt de nadruk weer op gestileerde schoonheid.

De fotografen in het NAi willen niet slechts documenteren. Zo kunstmatig als de stad nu is, zo wordt zij ook vastgelegd. Met behulp van digitale nabewerking dwingen zij de beschouwer anders te kijken, door vervreemdende lichtcondities of technische ingrepen manipuleren zij de werkelijkheid, en geven zo hun visie op de stad. Zij proberen stedelijkheid, in haar snel veranderende, diffuse verschijningsvorm, te vangen in een stilstaand beeld. Zoals Michael Wesely, die een fotoapparaat heeft ontwikkeld met een sluitertijd van drie jaar. Op één foto is alles vastgelegd wat zich tussen 2001 en 2004 heeft voorgedaan rond het Museum voor Moderne Kunst in New York. De zon gaat 1096 keer op en onder, steigerwerk verschijnt en verdwijnt, de hijskraan komt en gaat. Tussentijd. In Hotspot/Temporary Discomfort becommentarieert Thomas Demand de huidige tijdgeest op drie monitoren die voor een grote foto staan opgesteld. Er is een conferentie in een hotel in Davos. Politiecamera’s registreren een sneeuwschuiver en een groepje surveillerende politieagenten die de genodigden voor de conferentie in het hotel bewaken. Daarmee zijn de rollen omgedraaid en kijken wij naar de surveillanten, in plaats van andersom. Thomas Ruff toont verstilde straatbeelden waarvoor hij het infraroodapparaat inzet dat televisiezenders tijdens de Golfoorlog gebruikten om ’s nachts te kunnen filmen. Een suggestie van oorlog en terreur kleurt de beelden van de stad. Karin Müller laat in City Blues de beelden van een drieluik bewust niet aansluiten. De tussenruimte wordt aan het oog onttrokken en completeert daarmee het beeld. De stad is ook wat je niet ziet.

De vervreemdende stad (Thomas Ruff), de groeiende stad (Naoya Hatekeyama), de gestileerde stad (Oliver Boberg, Stéphane Couturier), de gefragmenteerde stad (Heidi Specher), de stad vanuit de lucht (Frank van der Zalm), de stad als maquette (Oliver Barbieri). De mens legt het bijna overal af. Toch laat hij zijn sporen na. Hij rust uit in een park met kale bomen op een rotsvlakte buiten Caïro, waar de paarse plastic stoeltjes leeg blijven (Terrace, Edgar Cleijne). Hij woont in een architectonisch ideaal dat zijn nietigheid benadrukt (Copan, Andreas Gursky). Hij doet zijn uiterste best individualist te zijn in een immens lange, spierwitte kantoorgang (Office, Andres Gefeller). Hij hangt zijn was aan een lijntje tussen twee balkons, die vastzitten aan vermoedelijke behuizing (Mexico City, Aglaia Konrad). Hij stort ergens op een berghelling een grote lading beton (Reservoir/Concrete Rundown, Bas Princen). Hij sluit zich op in zijn huis om nooit meer naar buiten te komen, bang voor de vijandige omgeving die hij daar zal aantreffen (Hikikomori, Francesco Jodice). Nee, het is niet leuk om mens te zijn in de Spectaculaire Stad met zijn suburbs, woonmalls, parkeerplaatsen, metrostations, non-spaces, woontorens, kantoorkolossen en krottenwijken.

Maar het levert een prachtige verzameling beelden op. Mythes inderdaad, letterlijk. Een verbeelding van stedelijkheid, van een gemanipuleerde, gefragmenteerde, esthetisch geïnterpreteerde werkelijkheid. Of de fotografen net zo stellig als de makers van deze tentoonstelling zouden willen beweren dat zij daarmee ook inzicht bieden in de toekomstige stad, valt de betwijfelen. De tentoonstelling is een verzameling (esthetische) statements over stedelijke werkelijkheid en werkelijke stedelijkheid. De visies van de fotografen leiden tot spectaculaire beelden, tot een reeks vol verscheidenheid rond het fenomeen stad – een verbeelding van de spectaculaire stad.

• De Spectaculaire Stad – Foto’s van de toekomst loopt tot 7 januari in het NAi, Museumpark 25, 3015 CB Rotterdam (010/440.12.00; www.nai.nl). Publicatie: Emiliano Gandolfi e.a., Spectacular City – Photographing the Future, Rotterdam, NAi Publishers, 2006. ISBN 90-5662-518-7 / 978-90-5662-518-4.