Jeroen Peeters

DE WITTE RAAF

Editie 124 november-december 2006

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Feelings are facts. Yvonne Rainer

In de jaren ’60 en vroege jaren ’70 was Yvonne Rainer (°1934) een van de drijvende krachten achter de respectieve performancecollectieven Judson Dance Theater en Grand Union, laboratoria waarin de modernistische esthetica, samenwerkingsmodellen en disciplinaire scheiding radicaal werden herdacht. Nadien heeft Rainer zich toegelegd op experimentele films met een autobiografische en feministisch-politieke inslag. Schrijven is een constante geweest in Rainers traject, wat resulteerde in meerdere boeken met notities, partituren, brieven, interviews, scripts en essays die haar artistieke en intellectuele parcours documenteren en becommentariëren. Waarom moesten daar ook nog eens memoires aan toegevoegd worden? Rainer zietFeelings Are Facts als een getuigenis van een leven waarin het private en publieke zich mengen, van “the development of an individual consciousness through a maze of cultural, familial, and historical events”. (p. xiv)

Het boek beslaat Rainers jeugd en haar artistieke carrière tot 1973, toen ze de performancewereld achter zich liet. De tekst is gelardeerd met diverse soorten materiaal, waaronder dagboekfragmenten, brieven, autobiografische uittreksels uit filmscripts en talrijke foto’s, zowel van performances als uit haar persoonlijke archief. De keuze om een rechttoe rechtaan egodocument te schrijven, vloeit voort uit de gedachte dat kunst en theorie altijd maar het halve verhaal vertellen, omdat ze zich maar moeilijk laten verzoenen met de ‘politiek van het ik’. Dat verklaart waarom Rainer zo uitvoerig ingaat op haar (niet enkel spreekwoordelijk) moeilijke jeugd, haar ongehoorzame puberteit, haar seksleven, de talloze sessies bij de analyst, haar zelfmoordpoging enzovoort. Feelings Are Facts staat bol van de anekdotes en het gebabbel, maar die moeten met wat goede wil als een politieke strategie worden gelezen. Waar Rainers films persoonlijke bekommernissen verbinden met een sterk maatschappelijk bewustzijn, lijkt dit boek een poging om met het rigide formalisme van de minimalistische beweging in het reine te komen.

Rainer windt zich geregeld op over het seksisme en machisme in de kunstwereld van de jaren ’50 en ’60. Het is de zelfbewuste, strijdvaardige feministe die terugblikt en het intussen allemaal beter weet, maar tegelijk haar jeugdige naïviteit gretig omarmt omdat ze zich evenmin wil laten leiden door de liberale angsten van het politiek correcte die vandaag haar leefwereld belagen – “straightness that clouds the liberal imagination congratulating itself on its tolerance” (p. 432). Door de ambiguïteit van haar verleden onder de loep te nemen, komt Rainer echter nog niet per se tot treffende politieke observaties: “I wish I could say that times have changed, but I know that sexual ambivalence is a transgenerational phenomenon for young women, as is sexual conquest for men, whether or not complicated by race.” (p. 143)

In Feelings Are Facts is het sprokkelen om inzichten in de kunst van de jaren ’60 te verzamelen. Rainer heeft die zelf al elders te boek gesteld en veronderstelt dat de lezer vertrouwd is met haar werk en de kunsthistorische context. De verwevenheid van de danswereld en het minimalisme in de beeldende kunst in New York moet bijvoorbeeld vooral uit Rainers langdurige relatie met Robert Morris blijken. Rainer weet soms goed haar tijdgenoten te typeren, zoals Merce Cunningham, wiens esthetica en gedachtegoed bepalend waren voor haar generatie: “He was so quiet and unempathic. He just danced, and when he talked it was with a very quiet earnestness that both soothed and exhilarated me. His physical presence – even when involved in the most elusive material – made everything seem possible. It was truly the beginning of a zeitgeist. You just ‘do it,’ with the coordination of a pro and the innocence of an amateur. My early impressions of him remain: the way he danced with such unassailable ease that made him look as though he was doing something totally ordinary.” (pp. 189-190)

Een decennium later zou het doordenken van de ‘ordinaire’, ‘pedestrian’ esthetica van Cunningham op verscheidene limieten stoten. “Why did we have to act as though we were still in rehearsal with stuff that we knew so well? The permission to ‘behave spontaneously’ was like a contagion, spreading over the whole endeavor.” (p. 335) Of wat kon er uiteindelijk wel en niet uitgedrukt worden met de aleatorische principes van John Cage en Robert Rauschenberg? “On the one hand, this mindset can be characterized as a refusal of narrative and fixed meanings and a deep distrust of the ‘telling’ and shaping strategies of fiction and history. On another, it can be seen as a refusal to differentiate events, thus running the risk of trapping the spectator in a chain of unlimited interchangeability.” (p. 398) Rainer laat in 1972 met performance de ‘radicale juxtapositie’ achter zich en verkent vanaf dan emoties, narrativiteit en film.

Interessant zijn de reflecties over nieuwe, collectieve samenwerkingsmodellen in de danswereld in de jaren ’60 en de vragen die ze opriepen over controle en auteurschap – in het bijzonder in verband met Rainers baanbrekende werk Continuous Project – Altered Daily (1969-1970), waaruit het collectief Grand Union groeide. Beeldend kunstenaars als Morris en Rauschenberg maakten deel uit van de collectieve werkwijze van het Judson Dance Theater waarin ook de grenzen tussen disciplines vervaagden. Maar Rainer merkt ook op dat de groep in 1964 uit balans geraakte omdat Rauschenbergs sterrenstatus als beeldend kunstenaar onvermijdelijk aan zijn performancewerk kleefde, een ander publiek en andere verwachtingen met zich bracht.

En ten slotte is er de grens die de inzet van Feelings Are Facts en de revisie die Rainer op het oog heeft inzichtelijk maakt: “Ignored or denied in the work of my 1960s peers, the nuts and bolts of emotional life shaped the unseen (or should I say ‘unseemly’?) underbelly of high U.S. Minimalism. While we aspired to the lofty and cerebral plane of a quotidian materiality, our unconscious lives unraveled with an intensity and melodrama that inversely matched their absence in the boxes, beams, jogging, and standing still of our austere sculptural and choreographic creations.” (p. 391)

• Yvonne Rainer, Feelings Are Facts. A Life, verscheen in 2006 bij the MIT Press (Writing art series), London/Cambridge Mass. Contactadres: The MIT Press, Fitzroy House, 11 Chenies Street, London WC1E 7EY (020/171.306.0603; http://mitpress.mit.edu). ISBN 0-262-18251-3.