Jan Blommaert

DE WITTE RAAF

Editie 125 januari-februari 2007

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Verliezingen

Over de Belgische gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2006

De straatveger keert de foldertjes en strooibriefjes van de straat en de affiche van Nahima Lanjri is al overplakt met een affiche voor een gebedswake in de nieuwe evangelische kerk. Berchem draait zich nog even kreunend om in z’n bed – de ochtend na een verkiezing is in dit deel van de wereld altijd een beetje sterven. Patrick Janssens blijft onze burgervader en kan nu pronken met het etiket van drakendoder. Op zijn eentje versloeg hij in Antwerpen Filip Dewinter en het hele Vlaams Belang. Ook Gent kan juichen, want ook daar werd de opmars van het Vlaams Belang afgeremd. Wat een geluk, de zwarte tsunami is bezworen, de goeien hebben gewonnen. De slechten halen echter een gemiddelde van 16% van de stemmen over heel Vlaanderen, en ze worden de grootste partij in kleinere steden zoals Aalst. Bovendien behalen ze in delen van Antwerpen meer dan 40% van de stemmen – een monsterscore die van lang voor onze postmoderne tijd lijkt te dateren. Wie wint? Wie verliest? Vanuit Berchem gezien is dat nog niet helemaal duidelijk.

 

Onduidelijkheid? Antwerpen

Het Vlaams Belang weet zijn stagnatie in Antwerpen aan de allochtone kiezers. Migrantenstemrecht, de snel-Belgwet, en de uittocht van autochtone Antwerpenaars uit de stad: dat verklaarde niet alleen de plafonnerende score van het Belang maar tevens de monsterscore van Janssens en zijn partij. De uitstekende scores van allochtone kandidaten op zowat alle lijsten lijken dit indirect te bevestigen: wie allochtonen op z’n lijst zet is zeker van een ruim aantal stemmen. Vermits Vlaams Belang daar niet meteen een prioriteit van lijkt te maken zien ze die stemmen naar anderen gaan.

De allochtone electorale mobilisatie was verbazend. Aan de ramen van Berchemse Turkse vzw’s, restaurants en winkels prijkten de affiches van alle kandidaten van Turkse origine. SPa/Spirit en Groen! hingen er broederlijk naast VLD en CD&V/NVA, aaneengebreid door de gemeenschappelijke nationale achtergrond en belonging in de buurt. Er werd daar flink wat campagne gevoerd en met succes: met deze verkiezingen breken de allochtonen door als mandataris, en zijn ze niet langer enkel een onverkiesbare excuuskandidaat. In Gent wordt Fatma Pehlivan de allereerste allochtone schepen. Dat betekent dat we de volgende zes jaar de geleidelijke uitbouw zullen meemaken van een allochtoon politiek kader, waaruit een aantal politici zullen doorstoten naar de professionele politiek op hoger niveau. Vlaanderen lijkt eindelijk de fase van allochtone politieke emancipatie te bereiken die men in Wallonië al lang heeft bereikt. Het Belang ziet hierin uiteraard een zeer groot gevaar, en voerde campagne rond ‘de verkiezingen van de laatste kans’: de laatste verkiezingen waarin autochtoon revanchisme de hegemonie kon behalen. Een tegenvallende uitslag was dan ook snel te verklaren vanuit het feit dat het kwaad eigenlijk al geschied is.

Het is een uitleg als een ander. Dat wil zeggen: veel te simpel natuurlijk. Volgens de logica van het Belang zou de toename van het aantal allochtone kiezers net een autochtone stampede naar extreem-rechts moeten veroorzaakt hebben – geen stampede naar de sociaal-democraten. In hun propaganda polariseerden ze dit thema: de allochtonen stemmen links, dus de Vlamingen moeten logischerwijze rechts stemmen om Antwerpen in de hand te houden. De Vlamingen stemden echter sociaal-democratisch, en ze stemden zo voor een lijst die een flink aantal allochtonen bevatte. Dat kan men dus lezen als: flink wat Antwerpenaars zien de allochtone stem niet meteen als een gevaar; flink wat Antwerpenaars lijken zich beter te vinden in de koopwaar van Patrick Janssens dan in wat Filip Dewinter al vijftien jaar aanbiedt; en flink wat Antwerpenaars hebben dit keer duidelijk partij gekozen in een polariserend politiek model van links tegen rechts.

De partij die van bij de aanvang het dichtst bij de programmapunten van het Belang ging aanleunen – de VLD – zag een van haar helden duizenden stemmen halen in een kartel met het Belang, en moest een klinkende nederlaag slikken. Dat betekent: de partij die het laatste decennium het luidst heeft geroepen dat extreem-rechts de juiste vragen stelde en het vlijtigst agendapunten van extreem-rechts heeft overgenomen krijgt nu de rekening gepresenteerd. We zien dat ook in Oostende, waar Jean-Marie Dedecker nog geen 3000 stemmen behaalt en zijn (inmiddels voormalige) partij een pandoering krijgt, terwijl het Vlaams Belang, zonder één enkele celebrity op de lijst, ruim 7% wint en over de VLD wipt. De VLD is tevens de partij die bij monde van Verhofstadt, Dewael en De Gucht het hardst heeft gehamerd op de heiligheid van het cordon sanitaire, maar die precies door de overname van het extreem-rechtse law-and-order en antimigratievertoog zorgde voor een complete inhoudelijke uitholling van dat cordon, en dan ook met Hugo Coveliers en wijlen Ward Beysen de eerste cordon-doorbrekers te verduren kreeg. De partij die graag een beetje extreem-rechts wou zijn krijgt nu te verstaan dat men dat ofwel helemaal is, ofwel helemaal niet. Een halve waarheid is een hele leugen: het Vlaams Belang hamert al tien jaar op die spijker als het over de liberalen gaat. Men kan dus vanuit een bepaalde ooghoek constateren dat het politieke plaatje in Antwerpen aan duidelijkheid gewonnen heeft: men is voor het Belang of ertegen. En als men ertegen is, stemt men links.

 

Onduidelijkheid? Het Vlaams Belang

Het politieke plaatje is misschien duidelijker, maar het globale politieke landschap is dat niet. Als men het vizier even bijstelt en wat breder kijkt, wordt het allemaal wat schimmiger. Het Antwerpse Stadhuis wordt in de volgende zes jaar gedomineerd door de partij van Janssens. Maar het Vlaams Belang boekt in de meeste districten een reusachtige vooruitgang: Berendrecht-Zandvliet-Lillo (+6,8%), Merksem (+6,9%), Deurne (+5,6%, tot maar liefst 43%), Wilrijk (+5,5%), Ekeren (+4%) en Hoboken (+3,6%). In Berchem stagneert de partij (maar blijft er op ruim 25% van de stemmen) en in Borgerhout en Antwerpen zelf gaat ze erop achteruit. Het patroon van de uitslagen stemt grosso modo overeen met de scheiding tussen Antwerpen ‘intra muros’ (binnen de Singel/Ring) en Antwerpen ‘extra muros’. Het meer suburbane en middenklasse Antwerpen maakt een forse zwaai naar rechts, terwijl de binnenstad – Antwerpen, Borgerhout, een deel van Berchem – een omgekeerde tendens vertoont. Dat betekent dat het Vlaams Belang steeds meer een suburbane partij lijkt te worden, een partij van inwoners van welvarende gemeenten die de stedelijke infrastructuur gebruiken, maar er niet willen wonen.

Dat wordt nog duidelijker wanneer we het achterland van Antwerpen onder de loep nemen en kijken naar de zeer welvarende (en peperdure) gemeenten aan de rand van de agglomeratie. Het valt te raden: Brasschaat ziet een stijging van 5,9% voor het Belang (tot 26,1%); Schilde +6,4% (21,6%); Wuustwezel +4,9% (15%), Boechout +3,4% (17,5%) en Schoten ziet zelfs een stijging van 10,2% (tot 34,7%). In het kiesdistrict Kapellen, dat ook Brecht en Zandhoven omvat, stijgt het Belang met liefst 8% tot 31%. In de meeste randgemeenten is de stijging van het Blok groter dan het gemiddelde over Vlaanderen. De Antwerpse provincieraad ziet het Belang stijgen met 6,4% (tot 28,5%), maar die stijging is niet opmerkelijk: ze stemt overeen met de groei van het Belang in alleprovincieraden in Vlaanderen (laagste: Vlaams Brabant, 6,2%; hoogste: Limburg, 6,9%).

Het Belang wordt dus een suburbane partij, en ze wordt tevens een rurale partij en een partij van de minder grote centra. Een losse greep voorbeelden: in Aalst stijgt het Belang met 8,9% en wordt ze de grootste partij; ook in steden zoals Dendermonde, Oostende, Ninove en Sint-Truiden stijgt ze meer dan 7%; in centra zoals Turnhout, Kortrijk, Lokeren en Herentals bedraagt de stijging tussen de 4% en de 7%. En in plaatsen waar ze voor het eerst naar de kiezer trekt haalt ze meteen stevige scores: Tongeren (10,4%) en Eeklo (13%) zijn voorbeelden. Het patroon is overduidelijk: de slag om de grote steden – Gent, Brussel, Antwerpen – bleek dit keer moeilijker te winnen voor het Vlaams Belang, maar de provinciesteden en de suburbane gebieden van Vlaanderen liepen massaal in de armen van extreem-rechts.

Dat gegeven, nemen we aan, zal de strategen van het Belang ook wel bezighouden, en het kan een koerswijziging inluiden in de politieke marsrichting van het Belang. De grootstedelijke problematiek, tot nu toe de speeltuin van extreem-rechts, lijkt stilaan ook geloofwaardig ingenomen te worden door anderen, de sociaal-democraten op kop. Het Belang zal zich dan ook genoodzaakt zien een reeks thema’s te ontwikkelen die eerder aansluiten bij een suburbane en plattelandse politieke cultuur. Thema’s zoals migratie en veiligheid zullen daarin belangrijk blijven (ze zijn de krachtige schrikbeelden die overal wel aanslaan), maar er zal een veel grotere diversificatie moeten komen in het programma en de aanpak van het Belang. Het Belang zal zich op meer dan één politieke biotoop moeten richten, en dit zal het interessante gevolg hebben dat het in Eeklo heel andere dingen zal moeten vertellen dan in Gent, in Schilde heel andere dingen dan in Antwerpen – de suburbane en kleinsteedse politieke cultuur wordt immers vaak georganiseerd in contrast met die van de grootstad. Het Belang zal zichzelf moeten beginnen tegenspreken, en voor een partij (de enige partij) die een robuuste partij-ideologie hanteert kan dit wel eens een ingewikkelde oefening worden.

 

Onduidelijkheid? Links

In Antwerpen was er duidelijkheid: wie tegen het Belang is stemt links. Maar in ons land is ‘links’ natuurlijk een warrig begrip. Hedendaags, modern en stemmenhalend ‘links’ is in de eerste plaats een imago en een pose, eenstate of mind en een lifestyle, geen politiek programma. Janssens won overtuigend dankzij een uitdrukkelijk non-ideologische opstelling. SPa-voorzitter Johan Vande Lanotte benadrukte dit overigens constant: de hedendaagse sociaal-democraat is een pragmaticus die wars van enige doctrine gewoon goed bestuurt. En de nieuwe diagnose is: goed bestuur levert stemmen op, dus de sociaal-democratie is verzekerd van een mooie toekomst. SPa/Spirit is een imagopartij, die zeer onsocialistische mensen het gevoel geeft dat ze zeer links (of milder: ‘progressief’) zijn. Mensen met een meer rechtlijnige linkse smaak horen er al een tijdje niet meer thuis.

De implosie van Groen! in Antwerpen ging gewoon voort. De partij zakt weg naar het niveau van haar vroegste beginjaren. De Ecolobroeders in Wallonië behalen intussen absolute meerderheden en hijsen zich vlot in talloze coalities. Ze doen dit wel niet altijd even elegant: in Schaarbeek schoof Ecolo een bestaand voorakkoord opzij, riep zo de wrok van Laurette Onkelinckx en de PS over zich af, en kreeg meteen de rekening gepresenteerd toen PS-burgemeester Thielemans hen zonder pardon uit de coalitiebesprekingen in Brussel-stad kegelde. Ondanks dergelijke blunders is Ecolo nog steeds een beleidspartij in Franstalig België; in Vlaanderen heeft Groen! kennelijk opgehouden te bestaan als links alternatief voor de sociaal-democraten. Opmerkelijk is dit keer dat ‘echt’ links zijn stem gaf aan de Partij van de Arbeid – een partij waarover men graag wat lacherig doet, maar die alle verhoudingen in acht genomen serieus groeit, en die in plaatsen zoals Hoboken (waar ze ruim 8% van de stemmen behaalt) plots de vinger aan de trekker van de coalitievorming blijkt te hebben. De groei van de PvdA is nooit spectaculair: het gaat hier om enkele honderden stemmen in bepaalde districten. Maar net zoals het migrantenstemrecht bewijst de groei van de PvdA dat verschuivingen in het electoraat niet groot hoeven te zijn om significant te zijn, en dat mensen niet langer meer gepaaid kunnen worden met de stelling dat een stem voor zo’n lilliputterpartij een vergooide stem is. De stem voor extreem-links blijkt plots een effectieve, zelfs machtige stem te zijn. Dit is iets wat velen zullen onthouden voor volgende verkiezingen.

Mensen van wie ik het nooit had verwacht, hoorde ik verklaren dat ze voor de PvdA stemden. Het is de keuze voor een ouderwetse programmapartij van wie men beginselvastheid verwacht (een van hun slogans was: “beter een slechte affiche dan een slecht programma”). Het is ook een keuze voor een partij die niet meedoet, en nooit heeft meegedaan, aan de celebritypolitiek die onze campagnes al een hele tijd kenmerkt, en waarbij de look en het imago ruim opwegen tegen de dossierkennis of de politieke vakbekwaamheid. Wat nu blijkt, hoe bescheiden ook, is dat een partij die tegen die stroom ingaat een electorale groei kan kennen, en daardoor plots een belangrijke partij kan worden. Stemmen voor de PvdA is dus een ‘proteststem’, maar een goeie: het is een protest tegen extreem-rechts en tegen de popularisering, personalisering en miniaturisering van de politiek.

Dit is één beweging; de beweging die 15 jaar geleden werd ingezet door Rossem is echter nog niet voorbij. In Antwerpen ging 1,5 percent van de stemmen naar de partij Nee. Die partij heeft als programma: ‘nee’. Nee tegen alles wat politiek is, behalve tegen stemmen voor hun kandidaten. Het is de meest expliciete antipolitieke partij die we tot nu toe hebben gezien. En ja hoor, 1,5% van de Antwerpenaren vond dit een goed idee en zei ‘ja’ tegen Nee.

 

Onduidelijkheid? Migrantenstemrecht

Het geheugen is kort in deze mediacultuur, dus is het goed wat herinneringen op te halen. Na de eerste zwarte zondag, 24 november 1991, ontstonden er bewegingen die pleitten voor migrantenstemrecht. Die bewegingen, aangevoerd door Objectief en Hand in Hand, werden op haat en hoon onthaald, want de stelling luidde dat migrantenstemrecht rechtstreeks in de kaart van extreem-rechts zou spelen. Vooraanstaande politici verklaarden dat, en geestelijke leiders zoals Etienne Vermeersch voorzagen die toogpraat van wat academisch aplomb. De stelling van Vermeersch luidde dat zo’n ingreep enerzijds een kleine oplossing was voor een deficit in de representativiteit van onze democratie, maar anderzijds een veel groter gevaar betekende voor onze democratie omdat het dreigde extreem-rechts aan de macht te brengen. In naam van de democratie moest men er dus tegen zijn, en ertegen zijn was zelfs een progressief standpunt. Vermeersch en consoorten pontificeerden daarover gedurende jaren, en weldenkend Vlaanderen knikte gedwee.

Vandaag zien we dat migrantenstemrecht effectief een versterking betekent voor al wie extreem-rechts van de macht wil houden. Dit gaat niet over statistisch grote verschuivingen; het gaat over lokale verschuivingen, op het politieke schaalniveau waarop driehonderd stemmen het verschil maken tussen meerderheid en minderheid. Driehonderd allochtone stemmen betekenen daar, binnen die kleine kieskring, driehonderd stemmen die niet naar extreem-rechts gaan, en ze zijn derhalve uiterst belangrijk. Wat nu blijkt is dat het allochtone electoraat een goed organiseerbaar en georganiseerd electoraat is, dat mensen verstandig stemmen, dat ze in hun eigen midden een ruime aanvoer hebben van bekwame en ambitieuze mensen die voor politiek kiezen, en dat die mensen kunnen rekenen op de steun van hun achterban. Het is ouderwetse gemeenschapspolitiek, maar ze werkt, en zoals gezegd kan dit betekenen dat er een generatie van bekwame en professionele allochtone politici aankomt. Die generatie heeft uiteraard nog alles te bewijzen, ze kan de grote beloften uiteraard ook evengoed niet waar maken, en ik zal verder nog op wat beperkingen wijzen. Het fenomeen op zich is echter hoopvol.

Dat die allochtone politici best wat betekenen blijkt uit hun voorkeurstemmen. In Gent haalt Fatma Pehlivan op de SPa/Spirit-lijst 4756 voorkeurstemmen; ze moet enkel Daniël Termont, Frank Beke en Freya Vandenbossche laten voorgaan. Als we Antwerpen als staalkaart nemen zien we bepaald indrukwekkende scores, zowel absoluut als relatief. In absolute termen: Fauzaya Talhaoui haalt op de SPa/Spirit-lijst 6106 stemmen. Haar landelijke rol als senator en als een van de Spirit-boegbeelden zal daar zeker geholpen hebben, en in dat licht moeten de 2818 stemmen voor Nahima Lanjri (CD&V, volksvertegenwoordiger) als een ontgoocheling gezien worden. Maar Karim Bachar haalt op dezelfde SPa/Spirit-lijst 4105 stemmen, Guler Turan 3354. Vergelijk dit met de scores van Groen!-toppers zoals Freya Piryns (3749) en Mieke Vogels (1960) of toppers uit de CD&V/NVA- lijst zoals Marc Van Peel (2872), Kathy Berx (3681) en Bart De Wever (4095) en men ziet dat strikt lokaal opererende allochtonen in dezelfde electorale categorie zitten als meer bekende en regionaal opererende autochtone politici. Van de 22 SPa/Spirit-verkozenen in Antwerpen zijn er 7 van allochtone origine, en de laagste score van deze verkozenen (Youssef Slassi, 1656 stemmen) komt nog steeds in de buurt van de score van het eerbiedwaardige strijdros Tuur Van Wallendael (1774). Ook de uitslag van CD&V-man Ergün Top (1714) is van die orde. In relatieve termen zien we dit zelfs op lijsten zoals die van de PvdA. Van de 55 PvdA-kandidaten halen er in totaal 18 meer dan 100 voorkeurstemmen. Van de 7 allochtone kandidaten op de lijst halen er 6 meer dan 100 stemmen, de zevende haalt er 99. De zeven allochtonen van de PvdA behoren dus allemaal tot de sterkere kandidaten op de lijst. Met zo’n overtuigende prestaties worden de allochtone politici strategisch zeer interessant voor hun partijen.

De nieuwe generatie allochtone politici heeft een stedelijk profiel. Ze leren hun stiel in Antwerpen, Gent, Mechelen, Hasselt. Dat is goed: ze kunnen een heel andere kijk bieden op het fenomeen van de stedelijkheid – bijvoorbeeld op dingen zoals ‘overlast’, ‘overconcentratie’, ‘gettovorming’ en zo meer. Discours over stedelijkheid zijn de laatste decennia al te nadrukkelijk beïnvloed geweest door het revanchisme van de autochtone middenklasse, uitgedragen door de VLD en het Vlaams Belang. Spreken over de stad stond synoniem met antimigrantenstandpunten en met een rechts law-and-order-discours. Het is de hoogste tijd dat dit discours over stedelijkheid wordt gecounterd door andere visies en invalshoeken, en de allochtone politici zijn uitstekend geplaatst om dat te doen.

Deze generatie allochtone politici heeft tevens een gematigd profiel. Geen van de allochtone stemmenrapers bepleit een antiautochtone mobilisatie, geen enkele laat affiniteiten blijken met wat men fundamentalisme noemt, allemaal onderschrijven ze de beginselen van hun partijen, en elk van die partijen onderschrijft wat men doorgaans de waarden van onze samenleving noemt. De aanwezigheid van allochtone politici in ons systeem betekent dus niet automatisch dat allochtone vrouwen de sluier moeten dragen, zoals het Belang zo graag beweert. En laat ons in dat verband ook even aanstippen dat die generatie flink wat allochtone vrouwen telt. Van de zeven allochtone verkozenen op de SPa/Spirit-lijst in Antwerpen zijn er vier vrouwen: Talhaoui, Turan, El Taghdouini en Akbas. Ze halen allemaal, zoals gezegd, meer stemmen dan Van Wallendael; twee onder hen (Talhaoui en Turan) kloppen zelfs Mieke Vogels met vele lengten. De nieuwe generatie allochtone politici is goed in balans qua gender, zelfs beter in balans dan de autochtone politieke kaste.

Ten slotte nog dit – evident, maar toch het vermelden waard. De verkozenen zijn zonder uitzondering bijzonder mondig en welbespraakt in vlekkeloos Nederlands. Ze zijn dat ook in het Turks, Arabisch of Berber, en velen zijn dat tevens in het Frans en/of het Engels. Velen onder hen zijn hoogopgeleid en hebben succesvolle carrières in de zakenwereld, als advocaat, accountant, leerkracht of in de administratie. De meesten onder hen zijn van bescheiden komaf en hebben zich opgewerkt door de vaak nauwe gangen van het integratiemodel. Ze hebben allemaal een sterke binding met hun gemeenschap, wat blijkt uit hun voorkeurstemmen. Dit zijn sterke, geloofwaardige politici.

We beleven dus wat hopelijk de doorbraak wordt van een generatie allochtone politici die komaf maakt met alle stereotypen inzake allochtonen. Net als de groei van extreem-links hebben de opkomst en het succes van deze politici vooralsnog weinig invloed op de grote en spectaculaire evenementen in de politiek. Maar wellicht staan we op een keerpunt. Het populisme van het laatste decennium heeft een overconcentratie in het centrum veroorzaakt, een situatie waarin alle partijen het over alle grote dingen eens zijn en zich dus profileren rond minuscule zaken. Wat we nu meemaken kan een bescheiden terugkeer zijn naar een politiek waarin de stemmen van heel andere groepen aan belang winnen.

 

Onduidelijkheid troef?

Als we dat alles nu samen nemen, zien we dat deze verkiezingen een aantal kleine wijzigingen van politiek Vlaanderen hebben aangekondigd, maar dat de globale patronen stabiel blijven. Die patronen zijn dat het centrum nog altijd overbevolkt is, dat de politiek steeds meer een kwestie van gepersonaliseerde marketing is, en dat ten gevolge daarvan de meeste kandidaten naar de kiezer trekken met vliesdunne programma’s. Van de overbevolking van het centrum getuigden de campagnes die draaiden rond de marketing van coalities met als bindend thema ‘goed bestuur’.

Zowel in Gent als in Antwerpen, en ook op andere plaatsen, voerden de bewindspartijen campagne als coalitie. Het duidelijkst was dit in Gent, waar Rood en Blauw in zoverre in elkaar zijn opgelost dat enkel nog over Paars werd gepraat. Freya Vandenbossche en Guy Verhofstadt waren het meest opgemerkte campagneteam; de ideologische verschillen tussen Rood en Blauw moesten wijken voor de pragmatische mengvorm Paars. In het stemhokje zelf werkt dit natuurlijk niet. Daar stemt men voor een van beide, en ook in Gent trok Rood aan het langste eind. In Antwerpen was dit in nog grotere mate het geval. En ook daar was het eerste wat Janssens zei: dit is een overwinning voor de coalitie, een overwinning van een blok (vergeef de woordspeling) dat de partijgrenzen opzij heeft geschoven. Het volstond nochtans het gezicht van de VLD-bonzen te bekijken om te weten hoe reëel de partijgrenzen, -kleuren en -relaties nog altijd zijn.

Het begrip ‘goed bestuur’ waar deze campagnes om draaiden, komt steeds meer te staan voor wat men in andere milieus als management omschrijft: een louter pragmatische, op efficiëntie gerichte reeks praktijken binnen een ‘doe-kader’, eerder dan een ‘denk-kader’. Een van de dingen waarmee Janssens uitpakte was het feit dat hij een einde had gemaakt aan het gekibbel binnen de Antwerpse coalitie. Dat gekibbel was nogal eens ideologisch geïnspireerd, het vertolkte met andere woorden de partijgrenzen binnen de coalitie. Onder Janssens begonnen politici er dan ook (met uitzondering van Pairon en Delwaide) uit te zien als succesvolle zakenlui. In de campagne werd Janssens voorgesteld als een werfopzichter die zich aan deadlines houdt, de werklui aanspoort tot snel en precies werk, met de opdrachtgevers overlegt en steeds één oog op het kostenplaatje houdt. Hij leidt niet vanuit een partij of een ideologie, maar vanuit een project: het management van de stad Antwerpen. De partij SPa was in zijn campagne niet te bespeuren. De partij-ideologische grenzen zijn dus vervangen door een executieveideologie, en alle partijen die coalitieambities hebben, onderschrijven ze.

Waarover gaat dit nu concreet? Het gaat om een beperkt aantal inhoudelijke thema’s die het afgelopen decennium zijn uitgegroeid tot sleutelthema’s in de Vlaamse politiek: het veiligheidsthema, met ‘overlast’ als uitwas, het migratiethema met als uitwas de ‘leefbaarheid’ van de stad en de gemeenschap (de slogan van het Vlaams Belang dit jaar), en thema’s zoals mobiliteit, de leefomgeving en tewerkstelling. Elke partij trekt naar de kiezer met een amalgaam van rode, blauwe, groene en oranje prioriteiten. Die kleine reeks inhoudelijke thema’s wordt doorkruist met een reeks attitudinele en procedurele thema’s onder de koepel ‘correct en efficiënt bestuur’. Dat wil zeggen: efficiëntie in de uitvoering van het beleid en de dienstverlening, kostenbesparing via publiek-private samenwerking, ‘propere handen’-politiek, informatisering, en een contractuele relatie met de bevolking. De overheid belooft een reeks heel concrete maatregelen, voert die uit aan de beste prijs-kwaliteitverhouding en rapporteert dat aan de bevolking als een politieke realisatie. De inhoudelijke en attitudinele thema’s blijven stabiel en worden door alle partijen gedeeld. Het opbod begint wanneer het over de concrete realisaties gaat. Dingen zoals vertraging bij de oplevering van openbare werken gaan dan ook doorwegen in campagnes.

Ter illustratie: de Stad Antwerpen had op een bepaald ogenblik een overlastmanager in dienst. ‘Overlast’ is een zeer complex politiek en ideologisch beladen begrip, en het is vreselijk moeilijk te definiëren. Overlast is geen misdrijf, het is misbaar. Wat bij ons ‘overlast’ heet, wordt in het Groot-Brittanië van Tony Blair en Gordon Brown ‘antisocial behaviour’ genoemd: het gaat over gedragsvormen die men als vervelend ervaart, vaak omdat ze niet beantwoorden aan het ideaal, de waarden en de voorkeuren van de middenklasse. De bepaling van ‘overlast’ is dan ook een politieke en ideologische ingreep, en de hele kwestie zou aanleiding moeten geven tot een fundamenteel maatschappelijk debat. In Antwerpen wordt overlast echter beschouwd als een neutraal feit dat moet worden ‘gemanaged’.

Dit heeft twee gevolgen. Ten eerste bestaan programma’s, meer nog dan tevoren, uit een bijzonder kleine verzameling van bijzonder kleine ingrepen. Men trekt naar de kiezer met een boodschappenlijstje van concrete dingen, en de grootste blunder bestaat erin op dat lijstje dingen te plaatsen waarvan men niet zeker weet of ze gerealiseerd kunnen worden. Dus: propere lucht of een oplossing voor het fileprobleem rond Antwerpen zijn niet de ideale electorale thema’s. Het plaatsen van verkeerslichten op een gevaarlijk kruispunt of de heraanleg van een pleintje is dat wel. Veelzeggend is de manier waarop politieke agendapunten worden geformuleerd. Men zal niet snel beweren dat men ‘een verlaging van de criminaliteit’ gaat realiseren. Men zal zeggen dat men ‘de verhoging van het aantal politiepatrouilles’ nastreeft. Het eerste kan men niet met zekerheid beloven; het tweede wel. De suggestie is dan dat het tweede ook wel een antwoord op het eerste inhoudt. In debatten over veiligheid zal de ene opwerpen dat de burgemeester niets heeft gedaan aan de toenemende onveiligheid in de stad. De burgemeester zal dat krachtig ontkennen en antwoorden dat hij het aantal politiepatrouilles in de stad stevig heeft verhoogd.

De nietigheid van de politieke programma’s is verbluffend en men heeft de indruk dat bij elke verkiezing grenzen worden verlegd. Van micropolitiek schuift men nu stilaan op naar nanopolitiek, een politiek die over niets meer gaat en gewoon herhaalt: “Wij zijn de beste managers van de alledaagsheid in uw stad.” Dit is jammer genoeg ook zo voor de beloftevolle allochtone politici waarvan hierboven sprake. Het was ontgoochelend te zien met welke flutprogramma’s zij naar de kiezer trokken. Indien zij hun potentiële rol in de politiek willen vervullen, dan zullen zij degenen moeten zijn die stevige programma’s heruitvinden.

 

‘Patrick’ versus extreem-rechts

Want hoe dunner de programma’s, hoe groter de imago’s. Dat is het tweede gevolg van het managerisme van het centrum en ook hier werden tijdens deze verkiezingen grenzen verlegd.

Een barnumcampagne zoals die van Patrick Janssens is een nieuw fenomeen. Voor het eerst zien we een politicus die zichzelf vermarkt door zich buiten de politiek te plaatsen. Janssens’ campagneaffiches bevatten geen enkele verwijzing naar zijn partij SPa/Spirit; ze droegen het opschrift ‘Patrick’ en ze toonden beroemdheden die ‘Patrick’ steunden – Gene Bervoets, Jan Decleir, Els Dottermans, Gaston Berghmans… Zoals bij cosmetica- of kledingcampagnes werd het product gedragen door publieke personen, door celebrities. Die celebrities gingen trouwens behoorlijk ver in hun commerciële steun: ze schreeuwden hun lof en steun aan Janssens ook uit in kranten, tijdschriften en op radio en televisie. Ze meenden dat écht. De politieke campagne werd dus niet langer gevoerd door de kandidaat, maar door iconen die zich met die kandidaat vereenzelvigen. Het was, bij wijze van spreken, Gene Bervoets die de politieke speeches van Patrick Janssens gaf.

Het is niet ongewoon dat celebrities hun steun verlenen aan een zaak, het is ook al niet meer ongewoon datcelebrities op politieke lijsten gaan staan – Walter Grootaers was weer verkiesbaar in Lier – maar het is wel ongewoon dat zij zich zo sterk vereenzelvigen met een politicus. Dat duidt erop dat politici zelf tot de kaste van de celebrities zijn gaan behoren. Patrick Janssens is een vedette. Filip Dewinter is dat vanzelfsprekend ook. De man blijft al zijn mediagenieke kwaliteiten behouden, zelfs wanneer de omstandigheden hem – zoals op 8 oktober – even in de ongewone rol van verliezer duwen. Bovendien heeft Dewinter iets wat Janssens niet heeft: een lijvig partijprogramma, een utopische ideologie. De ideologie zorgt ervoor dat niet alles over hém hoeft te gaan en een van zijn glansrollen is die van spreekbuis voor de ideologie. In het geval van Janssens echter, kan het enkel over Janssens zélf en zijn managementteam gaan. Dit keer werkte dat in zijn voordeel: het succes van Janssens had te maken met het nieuwe karakter van zijn campagne, van de uitgesproken personalisering van de politiek die ze uitdroeg. Maar dat nieuwe houdt natuurlijk op na de eerste keer, en het valt dus te vrezen dat Janssens’ succes niet voor herhaling vatbaar is. Er moet naast de reclamecampagne ook nog wat anders zijn, wat diepere politieke back-up. Wat dat betreft lijkt Dewinter betere kaarten in handen te hebben dan Janssens.

Dit is een standpunt dat ik al geruime tijd verkondig: de reductie van politiek tot persoonlijkheden heeft een effect op de houdbaarheidsdatum van deze politici. Ze verliezen snel hun versheid en zijn gedwongen zichzelf voortdurend te restylen. Stevaert zag dat in en heeft de eer aan zichzelf gehouden. Wanneer men als referentiekader een iets langere termijn neemt dan die tussen de laatste en de volgende verkiezingen, dan ziet men dat de pendel steeds weer terugzwaait naar degelijke politiek waarvan vakkennis uitgaat. Partijen of kandidaten die voluit voor het nieuwe populisme gaan, nemen een zeer groot risico en leggen zeer veel druk op de eigen schouders: ze moeten om de zoveel jaar nieuwe Freya Vandenbossches en Jean-Marie Dedeckers uitvinden.

Die zijn makkelijker te vinden dan men denkt: makkelijker in ieder geval dan ideeën, scherpe analyses, een solide partij-infrastructuur, strategisch inzicht, dossierkennis, een grote schare basismilitanten, een langetermijnvisie, kortom, de dingen die ervoor zorgen dat men als partij of politicus wat stormen en conjuncturele bewegingen overleeft. Het Vlaams Belang heeft zich al decennia precies daarop geconcentreerd en is dus een uitzonderlijk goed georganiseerde klassieke partij; de andere partijen zijn de andere richting uitgegaan. Wie nu de doorbraak van het Belang over heel Vlaanderen bekijkt, mag zich toch stilaan beginnen afvragen of dat soort traditionele, robuust ideologische politiek niet wat toekomst blijkt te hebben. Partijen die enkel bestaan omdat er een Paarse coalitie bestaat, houden uiteindelijk op te bestaan. De VLD heeft dit nu geïllustreerd: een ernstig verzwakte partij die enerzijds programmapunten van het Vlaams Belang probeerde over te nemen en anderzijds zeer sterk op politiek vedettisme mikte, is zowat geïmplodeerd. De massale mobilisatie van haar nationale boegbeelden heeft de meubels gered. Het drama van de VLD is dat ze geen programma meer heeft en dat haar vedetten niet tegen die van de andere partijen opwegen. Ze heeft dan ook een groot probleem: ze heeft binnenkort geen aanhangers meer. De kartels van de afgelopen jaren – SPa/Spirit, CD&V/NVA, VLD/Vivant – zijn evenzoveel illustraties van het feit dat partijen in het midden van het politieke spectrum alle kracht en autonomie verloren hebben. De partijen buiten het centrum, Vlaams Belang en PvdA, zijn daarentegen nog steeds oertraditioneel gestructureerd.

 

Kiezen is verliezen

Het gejuich van zondagavond is verstomd, de pinten zijn leeg. We kijken nu naar de naakte feiten. Het Vlaams Belang heeft zijn dertiende verkiezingsoverwinning op rij geboekt. In een kwarteeuw is de partij gegroeid van niets tot de tweede of derde partij in Vlaanderen, met een bijzonder solide basis in zowat elke gemeente te lande, en met een groeipotentieel in de suburbane gebieden en de kleinere centra. De partij is bijzonder goed georganiseerd en kan tegen een stootje. Het stootje dat ze nu heeft gekregen is inderdaad maar een stootje: een heel kleine tik in Gent en Antwerpen. Ik onderstreep: een héél kleine tik.

Die tik wordt door optimisten natuurlijk voorgesteld als het begin van de dijkbreuk, als een eerste barstje in de dam. We zouden dat zeer graag geloven, we zouden echt niets liever doen, maar daar zijn eigenlijk te weinig redenen voor. Extreem-rechts in Vlaanderen is de best georganiseerde politieke partij in het hele politieke spectrum. Ze is ook de best georganiseerde extreem-rechtse partij van Europa, en ze is dus here to stay. De partij is traditioneel georganiseerd en wordt aangedreven door een utopische ideologie – het recept van alle politieke partijen in de 20ste eeuw. Dat recept wordt door de partijen in het centrum al een tijd niet meer gevolgd, het is vervangen door managerisme (‘goed bestuur’) en massacommunicatie rond personen. De kleine tikjes in Gent en Antwerpen moeten ons echter niet doen geloven dat de doorsnee Vlaming vanaf nu vooral voor ‘goed bestuur’ stemt. Meer Vlamingen in meer plaatsen stemmen nu voor het Vlaams Belang; dat is – zoals gewoonlijk – de brutale conclusie van de laatste verkiezingen. Dewinter had dus – zoals gewoonlijk – gelijk wanneer hij stelde dat de tegenpartijen ‘tevreden waren met een dode mus’. Ons enthousiasme, onze vreugde-tegen-alle-verwachtingen, draaide onze neus in een andere richting en deed ons even gemakshalve het soort standpunt aanhangen dat Eric Hobsbawm ooit mooi beschreef als “vreemd genoeg in tegenstrijd met de meeste empirische gegevens”. Het was in dat opzicht gewoon weer een verkiezing zoals een andere, de dertiende in een dozijn.

Er zijn enkele kleine, minuscule veranderingen. We mogen er ons niet blind op staren, maar ze zijn betekenisvol. We zien meer mensen stemmen voor de linkse programmapartij PvdA, en het zou kunnen dat links zich daar steeds meer gaat thuisvoelen, na de ontgoochelingen die het opliep bij de SPa en Groen!. Dat zou links terug een ideologisch elan geven. Maar zoals gezegd: dit is een minuscule ontwikkeling. Een andere, iets ruimere ontwikkeling is de doorbraak van een nieuwe lichting allochtone mandatarissen die op 8 oktober het bewijs hebben geleverd dat ze stemmen kunnen halen en dat ze een echt electoraat hebben. Ze hebben zichzelf politiek interessant gemaakt, ten bewijze waarvan het Vlaams Belang hen meteen heeft verketterd. Dat is betekenisvol en hoopgevend. Maar om echt hoopgevend te zijn moeten ze ingaan tegen die andere blijvende tendens, waarvan we nu slechts een zoveelste uiterste hebben gezien: de programmaloze personalisatie van politieke campagnes. De allochtone politici zijn geen celebrities, het zijn tot nader order sterk lokaal verankerde politici die een lokale achterban mobiliseren. Dat is ouderwetse politiek, maar wat blijkt? Ze werkt. Deze politici kunnen vanuit hun binding met een achterban rustig ook grote kwesties aan de orde stellen, en het zou zeer goed zijn voor het maatschappelijke debat indien ze dat zouden doen.

Patrick Janssens zit voor de volgende zes jaar comfortabel in het Stadhuis van Antwerpen. Hem weze alle succes toegewenst. Verstandig als hij is zal hij zijn risk analysis al hebben gemaakt, en zal hij zich lichte zorgen maken over de sustainability van zijn bedrijfsstrategie. Degenen die zijn koopwaar hebben gekocht hebben stevig geïnvesteerd, want hij werd als luxeproduct vermarkt. Hij zal dus moeten zorgen voor een degelijke service-na-verkoop. Want wie z’n Jaguar om de drie weken voor reparatie naar de garage moet brengen, die koopt daarna een Volkswagen.