Steven Humblet

DE WITTE RAAF

Editie 125 januari-februari 2007

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Adam Broomberg & Oliver Chanarin

De gretigheid waarmee musea en galeries documentaire fotografie omarmen, maakt duidelijk dat deze fotografische praktijk vandaag hoog aangeschreven staat. Een belangrijke reden voor dit succes is wellicht de grote flexibiliteit van die praktijk. Ze is niet gebonden aan een of ander specifiek genre. Documentaire fotografie is immers eerder een stijl dan een genre. Ook de aristocratische terughoudendheid waarmee de documentaire fotograaf opereert, is een belangrijke factor in het kritische en institutionele succes ervan: door zichzelf uit het beeld weg te schrijven, suggereert de fotograaf dat het documentaire beeld de wereld eerder passief ontvangt, dan actief (ver)vormt. Meteen verschijnt het documentaire beeld als een neutrale ruimte waar de werkelijkheid zich in al haar gelaagdheid kan manifesteren. De inhoudelijke winst die een dergelijke strategie oplevert, wordt mooi geïllustreerd in de tentoonstelling die het Stedelijk Museum Amsterdam wijdt aan het documentaire werk van het fotografenduo Adam Broomberg (°1970) en Oliver Chanarin (°1971).

De tentoonstelling, met als titel Facts, Fictions and Stories, toont twee recente projecten. De eerste reeks speelt zich af in Zuid-Afrika en bestaat voornamelijk uit portretten (gecombineerd met enkele landschappen). De tweede reeks exploreert enkele ideologisch belangrijke plaatsen in Israël – in geen enkel beeld is er een mens te bespeuren. Ondanks deze formele verschillen ontwikkelen beide reeksen eenzelfde thema. Telkens gaat het om landen waar het maatschappelijke leven ontwricht wordt door een nauwelijks te controleren geweld. De beelden kaarten dit geweld echter nooit rechtstreeks aan. Hier zijn geen reportagefotografen aan het werk die scherp stellen op de brutale schok van het geweld of op de lichamelijke verminkingen die daarvan het gevolg zijn. De morele aanklacht interesseert hen niet zozeer, wel hoe het geweld zich uitkristalliseert in maatschappelijke en psychologische structuren.

In Zuid-Afrika vormt het lichaam het uitverkoren oorlogsgebied. Niet alleen omdat daar de klappen vallen, maar ook omdat heel het conflict verankerd is in een bij uitstek lichamelijk aspect, namelijk de huidskleur. De keuze voor het portret ligt dan ook voor de hand. Hoe belangrijk die concrete aandacht voor het lichaam wel is, blijkt ook uit de tekst die de beelden begeleidt (en waarvan sporadisch ook resten opduiken in de tentoonstelling). Deze tekst is niet een commentaar van de fotografen bij de beelden, maar is de plaats waar de geportretteerde zelf aan het woord komt: de tekst geeft deze lichamen met andere woorden ook een stem. De aanwezigheid van deze tekst (die in de catalogus telkens de linkerbladzijde vult) suggereert meteen een meer intiem contact met de geportretteerde. Tegelijkertijd echter wordt deze suggestieve nabijheid weerlegd door het kader dat de persoon telkens op een eerbiedwaardige afstand plaatst (alle modellen worden ten voeten uit gefotografeerd). In dit spanningsveld treedt iets van het ontwrichtende geweld waaraan deze mensen ten prooi zijn gevallen aan het licht. Het kader wordt hier op een extreem dubbelzinnige manier ingezet: als teken van een respectvolle afstand functioneert het tegelijkertijd ook als een kerker waar de geportretteerde zich (al dan niet vrijwillig) in heeft teruggetrokken. Het kader articuleert hier geen tussenruimte waar buiten en binnen op elkaar kunnen worden afgestemd, maar werpt een onbetwistbare barrière op: tot hier en niet verder.

Het Israëlisch-Palestijnse conflict is natuurlijk even bloedig als het conflict in Zuid-Afrika (en vereist eenzelfde tol aan mensenlevens), maar de structuur ervan is totaal anders. Dit conflict is verankerd in een strijd om land: traditionele boeren die hier al generaties lang leefden worden geconfronteerd met nieuwe kolonisten die het land claimen op basis van religieuze overtuigingen. Daarom kiezen de fotografen hier niet voor portretfotografie, maar voor architectuur- en landschapsfoto’s. De fotografen (die allebei joodse wortels hebben) laten het werkelijke strijdtoneel links liggen en brengen plaatsen in beeld die een ander (en vaak verborgen) facet van de strijd openbaren. Een eerste reeks beelden exploreert het pretpark mini-Israël, een reusachtig schaalmodel dat gestalte geeft aan het toekomstige Israël, terwijl de tweede reeks zich afspeelt in een trainingskamp van het Israëlische leger in de Negevwoestijn.

Beide plaatsen staan in het teken van een verregaande wil tot controle. Mini-Israël kan immers gelezen worden als een concretisering van een utopisch toekomstvisioen: er wordt een aseptisch beeld van Israël getoond waaruit alle maatschappelijke spanningen zorgvuldig zijn weggepoetst. Het is een plaats die het onverteerbare heden uitveegt ten voordele van een gefantaseerde toekomst. Hier wordt een gedeelde verbeelding gecreëerd. Vandaar ook het spookachtige aanschijn van dit pretpark: wat we te zien krijgen is niet verankerd in de realiteit, maar in een droomwereld. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat het de realiteit niet zou beïnvloeden, integendeel zelfs. Pas door deze verankering in een collectief fantasma kan het immers zijn taak vervullen: mini-Israël zet de bevolking op weg naar een eindpunt, maar is dat eindpunt natuurlijk niet zelf. Ook ‘Chicago’, de naam die het Israëlische leger geeft aan de zorgvuldige reconstructie van een Palestijnse wijk (compleet met Arabische graffiti), staat in het teken van dit quasi paranoïde verlangen tot controle. Als oefenterrein voor het Israëlische leger moet deze reconstructie de soldaten vertrouwd maken met een terrein waar ze later worden gedropt. Eenzelfde fantasie ligt aan de basis van dit virtuele dorp: ook hier weer hoopt men het heden te kunnen controleren door de complexe leefwereld van de tegenpartij te reduceren tot een schematische en hanteerbare abstractie. Beide reeksen openbaren zo de schema’s die de Israëlische verhouding tot de realiteit bepalen en die tabula rasa moeten maken met de complexe en gedeelde geschiedenis van het land.

De beelden van Broomberg & Chanarin staan in het teken van herhaling: het zijn beelden van iets wat zelf al als beeld functioneert. Precies door deze herhaling (die natuurlijk geen letterlijke herhaling is, maar altijd ook een verplaatsing inhoudt), wordt de ideologische functie van deze ruimtes zichtbaar gemaakt. En hierin ligt de kritische kracht van documentaire fotografie: in plaats van de werkelijkheid simpelweg te reproduceren, werkt ze als een instrument van ontmaskering. En dat bereikt de fotograaf niet door de subjectiviteit ten volle te laten spelen, maar juist door zich te beperken tot een nauwgezette registratie.

• Facts, Fictions and Stories. Two Projects by Adam Broomberg and Oliver Chanarin tot 25 februari in het Stedelijk Museum, Post CS-gebouw, Oosterdokskade 5, 1011 AD Amsterdam (020/573.29.11;www.stedelijk.nl).