Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 125 januari-februari 2007

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Rouault - Matisse. Correspondances

Van hun eerste ontmoeting in het atelier van Gustave Moreau in 1891 tot hun laatste samenzijn in Nice in 1953 (Rouault overleed in 1954, Matisse in 1958) onderhielden Rouault en Matisse, hoe verschillend hun levenswijze en hun artistieke opvattingen ook waren, een hechte vriendschap.

De tentoonstelling Rouault – Matisse. Correspondances in het Musée d’art moderne de la Ville de Paris is meer het relaas van de “vive sympathie d’art” die beide kunstenaars verbond, dan van een gemeenschappelijk artistiek avontuur. Getuige hiervan de recent verzamelde briefwisseling tussen beide kunstenaars, maar ook tussen hun kinderen Isabelle Rouault en Marguerite en Pierre Matisse, die Rouault in New York vertegenwoordigde. De tentoonstelling concentreert zich meer op het oeuvre van Rouault, waarvan het museum, dankzij een schenking van Maurice Girardin, een belangrijk ensemble bezit.

Allebei kregen ze een opleiding bij Gustave Moreau, ze debuteerden gezamenlijk in de cage aux fauves op het Salon d’Automne van 1905, ze werkten beiden voor het tijdschrift Verve van Tériade en voor Diaghilev en de Russische balletten (Matisse voor Le Chant du rossignol op muziek van Stravinsky (1919), Rouault voor Le Fils Prodigue op muziek van Prokofiev (1929)) en allebei illustreerden ze Les Fleurs du mal van Baudelaire. Maar verder hadden ze artistiek weinig gemeen. Matisse was een verfijnd epicurist, Rouault een van de zeldzame Franse expressionisten, een religieus geïnspireerde kunstenaar, die zijn plastische drie-eenheid ‘vorm, kleur en harmonie’ naar eigen zeggen ten dienste stelde van een mystieke drie-eenheid, ‘de clown, de kunstenaar en Christus’.

Alvorens toe te treden tot het atelier van Gustave Moreau, waar naast Matisse ook Marquet, Manguin en de vroeg gestorven Belgische schilder Henri Evenepoel (1872-1899) werkzaam waren, had Rouault reeds een opleiding als glasschilder en restaurateur van glasramen achter de rug. Niet alleen de religieuze onderwerpen, maar ook de zware contouren van zijn figuren, zoals die door de glas-in-lood-techniek bepaald werden, roepen herinneringen op aan zijn vroegste artistieke bezigheden. Na de dood van Moreau in 1898 werd zijn woonhuis en zijn atelier opengesteld als museum. Rouault werd de eerste conservator.

Van hun leermeester, die ze systematisch le patron noemden, herinneren Rouault en Matisse zich vooral zijn intellectuele uitstraling en zijn op vrijheid gebaseerde onderwijs. In hun vroegste werken staan beide kunstenaars nog dicht bij mekaar, zoals in een reeks olieverfschetsen naar levend model duidelijk te zien is. Maar na hun gemeenschappelijk succes als 'fauvist' gaan ze allebei hun eigen weg. Matisse exploiteert vooral de kleur. Rouault kiest voor zijn expressief, bijwijlen karikaturaal realisme voor sombere tonen en zwarte contouren. Zijn religieus geïnspireerd humanisme gaat uit naar figuren in de marge van de maatschappij zoals beschuldigden voor hun rechters, meisjes van plezier, clowns, potsenmakers en ander circusvolk. Zowel inhoudelijk als vormelijk sluiten zijn tekeningen en schilderijen, soms ironisch, soms vol mededogen, nauw aan bij de traditie van Daumier. Het subliem komische gaat ongemerkt over in het subliem tragische.

De tentoonstelling besteedt ook aandacht aan Rouaults relatie met zijn ‘marchand’ Ambroise Vollard, een relatie die zowel stimulerend als remmend werkte en die uiteindelijk eindigde in een reeks eindeloze processen. In 1913 koopt Ambroise Vollard de volledige inhoud van Rouaults atelier, een ensemble van 770 werken. In 1925 bezorgt hij hem een atelier. Hierdoor wordt Rouault meer en meer afhankelijk van zijn ‘marchand’, die reeds het merendeel van zijn werk bezat. Vollard ergert zich echter aan het perfectionisme en de traagheid van zijn kunstenaar. Deze laatste beklaagt zich over de manier waarop zijn ‘marchand’ de productie wil opdrijven. “Il croit que cela se fait en soufflant dessus”, schrijft hij. Vanaf 1936 verslechtert hun relatie. Wanneer Vollard uit het atelier 133 werken ontvreemdt, is de maat vol. Rouault neemt een advocaat. Na het plotse overlijden van Vollard in 1939 wordt het atelier door de erfgenamen verzegeld. In 1947 krijgt Rouault na een rechtszaak, die inzake auteursrecht gezaghebbend zal worden, slechts een deel van zijn werk terug. In aanwezigheid van een gerechtsdeurwaarder verbrandt Rouault 315 onafgewerkte schilderijen, die hij gezien zijn leeftijd toch niet meer had kunnen afwerken.

Vollard, die ook uitgever was, stimuleerde Rouault onder meer tot het maken van talrijke gravures, waaronder de belangrijke reeksen Les Réincarnations de père Ubu (1932), Le cirque de l’étoile filante (1938), Passion(1939) en vooral zijn meesterwerk Miserere et Guerre (1917-1947). Hierbij wordt de christelijke kunst via Rouaults geliefkoosde onderwerpen, het landschap en de menselijke figuur, opnieuw uitgevonden. Alhoewel begonnen in 1912, zal het tot 1947 duren vooraleer de 58 gravures (aquatint op een achtergrond van heliogravure) van Miserere et Guerre gepubliceerd worden. De meeste platen ontstonden tijdens de Eerste Wereldoorlog, waardoor het thema van de Miserere verbonden wordt met dat van de oorlog, het lijden van Christus met dat van de mens. Het sacrale en het profane reiken elkaar de hand. Jezus en de mens komen tot dezelfde vaststelling, deze van le dur métier de vivre. Dat de volledige reeks pas na de Tweede Wereldoorlog gepubliceerd werd, ondanks het feit dat de platen reeds in 1927 drukklaar waren, maakte ze opnieuw brandend actueel.

• Rouault-Matisse. Correspondances tot 11 februari in het Musée d’art Moderne de la Ville de Paris, 11 avenue du Président Wilson, 75116 Parijs (01/53.67.40.00; www.mam.paris.fr). Vanaf 25 maart tot 17 juni is deze tentoonstelling te gast in het Musée départemental Matisse in Le Cateau-Cambrésis.