Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 125 januari-februari 2007

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Mies van der Rohe. The Krefeld Villas

Voor velen, en niet in het minst voor het ‘grote publiek’, zal Mies van der Rohe (1886-1969) altijd de architect blijven van het Duitse Paviljoen op de Internationale Tentoonstelling in Barcelona uit 1929. Zijn bijdrage tot de modernistische canon wordt vaak nog aangevuld met de Villa Tugendhat uit 1930 (de ‘miesiaanse’ pendant van de Villa Savoye), het Farnsworth House uit 1950 of de Neue Nationalgalerie in Berlijn uit 1968. Het zijn stuk voor stuk ‘sleutelwerken’ die bijdragen tot de constructie van het beeld van Mies van der Rohe als een van de belangrijkste en meest progressieve Europese modernistische architecten. Het discours is bekend: het oeuvre van Mies is modern en vooruitstrevend; het zoekt geen aansluiting bij het verleden; het brengt de voordelen van het nieuwe ‘machinetijdperk’ en van de industriële revolutie tot uitdrukking door het veelvuldige gebruik van glas en staal; het is transparant, waarachtig, ‘echt’, antiburgerlijk en avant-gardistisch. Een essay uit 1924 met de veelzeggende titel Baukunst und Zeitwille maakt duidelijk dat Mies van in het begin tot deze beeldvorming heeft bijgedragen. “Ondanks al mijn waardering voor de schoonheid van ambachtelijk werk besef ik heel duidelijk dat het ambacht als bedrijfsvorm ten dode is opgeschreven. [...] Wie de moed heeft te beweren dat we buiten de industrie kunnen, mag daarvoor het bewijs op tafel leggen.” Het oeuvre en de persoon van Mies liggen, samen met leven en werk van Le Corbusier uiteraard, aan de basis van wat – ook nu nog – onder moderne architectuur wordt verstaan.

Een recent boek van Kent Kleinman en Leslie Van Duzer (het is op zich al een prestatie dat het boek volledig door twee auteurs is geschreven) neemt zich voor om dat beeld te deconstrueren, en wel aan de hand van het ontwerp en de ontstaansgeschiedenis van twee veronachtzaamde villa’s in Krefeld (1927-1930): Haus Lange enHaus Esters. Mies heeft de twee bakstenen huizen altijd als een soort van dirty little secret afgedaan, als een realisatie waarin hij niet ‘voluit is kunnen gaan’, omdat de bouwheren tegenwerkten en omdat hij in die periode noodgedwongen meer aandacht besteedde aan het exemplarische Barcelona Paviljoen en de Villa Tugendhat, die ook aan het eind van de jaren ’30 werden gerealiseerd. “I wanted to make this house [Haus Lange] much more in glass, but the client did not like that. I had great trouble”, zei Mies zelf tijdens een debat aan deArchitectural Association in 1959. De huizen werden voorgesteld als noodzakelijke mislukkingen, als inconsequenties die nu eenmaal gepaard gaan met de productie van een groots consistent oeuvre. De (naoorlogse) historiografie en kritiek volgde de mening van de meester: de Krefeld villa’s werden langzaam vastgezet als onvolwassen fases van een architect-in-wording, als symptomen van een strijd tegen neoklassieke architecturale opvattingen – en als dusdanig enkel interessant binnen de kronkelende zoektocht naar een persoonlijke moderne architectuurtaal. Kleine raamopeningen, zware bakstenen muren, oneerlijke constructiemethodes, strak afgebakende kamers, een woekerend, duister en ‘burgerlijk’ grondplan: het zijn kenmerken van de villa’s die, althans voorafgaandelijk aan de publicatie van deze monografie, als de laatste zonden van een ‘moderniserende’ architect werden gezien, noodzakelijk voor de realisatie van de ‘echte’, contemporaine meesterwerken – reculer pour mieux sauter als het ware.

Kleinman en Van Duzer zijn zich bewust van de hardnekkige geschiedenis die ze misschien niet te lijf willen gaan, maar toch ernstig willen nuanceren. Zelfs de restauratie van de Krefeld villa’s na de Tweede Wereldoorlog, en de ingebruikname ervan als kleine musea voor moderne kunst, heeft het ‘beeld’ van de huizen alleen maar versterkt. Het is precies die restauratie, en de daaropvolgende ‘museale’ werking, die door de auteurs wordt ingeschakeld als een bewijs van de ontstellende kracht van deze weggemoffelde bakstenen huizen. Het is een kracht die steunt op eigenschappen van het ‘moderne’ – en dus van ‘architectuur’ – en die de aloude noties van het gecanoniseerde modernisme overstijgen. Dit intellectuele genoegen – dat als een ‘modernisering van het modernisme’ gezien kan worden, als een zoveelste herschepping en reconstructie van een van de sleuteloeuvres van de 20ste eeuw – steunt op het kennersplezier (dat de lezer zich al snel eigen kan maken) om een oeuvre niet langer (enkel) te waarderen voor de ‘grijsgedraaide’ greatest hits: hetBarcelona Paviljoen, de Neue Nationalgalerie

Het boek biedt meer dan genoeg rechttoe rechtaan architectuuranalyse – van de constructiemethode bijvoorbeeld, de genese, de bouwmaterialen, de planopbouw, de kadrering van de raamopeningen – om voorgoed tegen te spreken dat de Krefeld villa’s mislukkingen zouden zijn. Tegelijkertijd wordt het ontwerp geconfronteerd met de kunstwerken die sinds de jaren ’60 in de villa’s zijn tentoongesteld – de bouwheren waren kunstverzamelaars en het interieur van Mies speelde hierop in. De in situ-installaties van onder meer Yves Klein, Sol LeWitt, Richard Serra, Ernest Caramelle, Christo en Daniel Buren, worden ingeschakeld als analyse-instrumenten van de architectuur – en als artistieke bewijsvoeringen voor de onrechtvaardigheid van de historiografische miskenning van de villa’s. Met die interdisciplinaire aanpak slagen de auteurs erin om op een terloopse manier alle topics van de moderne architectuurtheorie te bespreken: de ‘witte kamer’ van Klein (1961) in Haus Lange reveleert de eigenzinnige woonpatronen van de villa; de installatie van LeWitt in de achtertuin (1969) ‘correspondeert’ met de rol van het bouwproces en de constructieve instructies in de architectuur van Mies; de haast agressieve wanden van Serra in de woonkamers (1985) leggen de latent agressieve aspecten van die zogezegd ‘burgerlijke’ ruimtes bloot; en een muurschildering van Caramelle uit 1990 ‘analyseert’ de destabiliserende ruimtelijke technieken van de raamopeningen.

Zo wordt het duidelijk dat de nieuwe fascinatie voor deze architectuur op zichzelf ook modern of eigentijds genoemd kan worden: het zijn de meer weerbarstige en slechts op het eerste zicht onmoderne eigenschappen van deze villa’s van Mies die ze voor de huidige architectuursituatie zo briljant kunnen maken. Elk tijdperk ‘produceert’ op een retroactieve manier meesterwerken – nu, aan het begin van de 21ste eeuw, stellen Haus Lange en Haus Esters al de andere ‘iconen’ van Mies in de schaduw. Het is moeilijk om tijdens de lectuur van dit boek nog onderscheid te maken tussen de totnogtoe onbelichte verdiensten van de Krefeld villa’s en die van de auteurs en hun belangwekkende studie. Het lijkt onvoorstelbaar dat de kwaliteiten van deze huizen, die dankzij hun museale functies interfereren met bijna alle moderne architectuur- en kunsttheoretische thema’s, meer dan zeventig jaar lang onopgemerkt zijn gebleven – het zou zonde zijn mocht voor het boek hetzelfde gelden.

• Mies van der Rohe. The Krefeld Villas van Kent Kleinman en Leslie Van Duzer verscheen in 2006 bij Princeton Architectural Press, 37 E 7th Street, New York NY 10003 (212.995.9620; www.papress.com). ISBN 1 56898 503 7.