Sven Sterken

DE WITTE RAAF

Editie 125 januari-februari 2007

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Peter Zumthor

De Zwitserse architect Peter Zumthor bekleedt in het kransje van topontwerpers een aparte plaats. Hoewel zijn beperkte oeuvre bijna volledig in of rond zijn geboorteland Zwitserland gesitueerd is, geniet hij een grote bekendheid. Zijn lezingen trekken volle zalen en sommige van zijn projecten, zoals de kapel in Sumvitg of de thermale baden in Vals zijn echte bedevaartsoorden voor architectuurpelgrims geworden. Het Kunsthaus in Bregenz is zijn meest omstreden project: de gesloten box aan de oever van de Bodensee negeert zijn idyllische omgeving immers totaal. Deze koppige architecturale geste typeert de ontwerper: Zumthor is een veeleisend man die niet alleen van zijn medewerkers, maar ook van zijn klanten een onvoorwaardelijke inzet en vertrouwen verlangt. Hij heeft een broertje dood aan deadlines en budgetten, waardoor de realisatie van zijn projecten steevast gepaard gaat met polemiek. Dat heeft niet te maken met nonchalance, maar met een bijna ziekelijke drang naar controle en perfectie. Hoewel Zumthor door zijn onbuigzaamheid ongetwijfeld al veel opdrachten verloor, heeft diezelfde halsstarrigheid hem een bijna mythisch aura opgeleverd: in een tijd waar veel architecten onbesuisd meesurfen op de laatste hypes, verschijnt Zumthor als een Alpenboer die vasthoudt aan principes en wijsheden die van generaties terug zijn overgeleverd. Nog in tegenstelling tot vele van zijn collega’s is Zumthor, ondanks de enorme belangstelling voor zijn werk, niet zo tuk op media-aandacht. Of is de weigering om zijn projecten te publiceren onderdeel van een strategie om het mysterie rond zijn persoon te cultiveren? Hoe dan ook, terwijl de internationale architectuurscène gedomineerd wordt door grootschalige projecten met een sterk iconisch karakter, houdt Zumthor vast aan zijn overtuiging dat architectuur haar overtuigingskracht moet halen uit de concrete, feitelijke elementen van het bouwen. Ook in zijn publicaties onderscheidt hij zich: waar zijn collega’s dikke koffietafelboeken afleveren vol visuele retoriek en grote statements, laat de Zwitserse architect dit jaar twee dunne boekjes verschijnen: Thinking Architecture en Atmospheres.

Het eerste boekje geniet onder architecten een cultstatus. Het verscheen oorspronkelijk in 1998 op een beperkte oplage en is nu uitgebreid met 3 nieuwe essays. Thinking Architecture verschaft de lezer een inzicht in Zumthors inspiratiebronnen en zijn begrip van architectuur. Bij deze schets van zijn referentiekader vermijdt hij evenwel referenties naar zijn eigen oeuvre; ook voorbeelden uit de architectuurgeschiedenis of namen van illustere collega’s ontbreken. Hij verwijst daarentegen wel expliciet naar componisten (Mozart, Stravinsky, Cage), schrijvers (Handke, Calvino) en beeldhouwers (Kirkeby, Oppenheim). Een belangrijk element in Zumthors denkwereld is de herinnering. Hij haalt regelmatig beelden uit zijn kindertijd aan; deze herinneringen vormen een soort reservoir van ervaringen die wachten om verkend en verwerkt te worden in concrete projecten – het lijkt alsof hij deze perfecte, verloren architectuur terug tastbaar wil maken. Zijn begrip van schoonheid is hieraan gekoppeld: het heeft minder te maken met een inherente eigenschap van het object of een bepaalde gemoedsgesteldheid van het subject dan met ‘afwezigheid’. Een mooi object maakt je als het ware attent op iets waarvan je niet besefte dat je het miste. De ervaring van schoonheid gaat dus gepaard met vreugde (in de zin van een soort dankbaarheid voor de ontdekking van het gemiste), maar ook pijn: vanaf dan zul je het altijd moeten blijven missen. Om schoonheid te bereiken moet architectuur de bezoeker of gebruiker ‘raken’. Zumthor streeft ernaar deze ervaring te bereiken louter op basis van de inherente elementen van het bouwen, zoals de interactie tussen texturen, het spel met (dag)licht, de sequentie van de verschillende ruimtes en het doordachte gebruik van materialen. Zumthor is in het bijzonder geïnteresseerd in de esthetische spanning die ontstaat door het naast elkaar plaatsen van materialen of bouwelementen. Zijn extreme aandacht voor detaillering heeft dan ook niet zozeer te maken met een fascinatie voor het technische aspect van het bouwen, maar met de bezorgdheid om van een gebouw een coherent, ‘ondeelbaar’ geheel te maken. Een gebouw moet daarenboven de indruk geven op een bepaalde plek thuis te horen, alsof het daar altijd gestaan heeft. Door deze vanzelfsprekendheid kan het zich als een geruststellende achtergrond geleidelijk aan integreren in het dagelijkse leven van de bewoner of gebruiker. Architectuur dient zo als een buffer tegen het jachtige karakter van de hedendaagse maatschappij.

Tegenover de blitse architectuur in de boekjes stelt Zumthor de notie van slow architecture. De gewone dingen van het leven bezitten een enorme kracht en schoonheid, maar deze magie komt pas tot uiting als je er lang genoeg naar kijkt. Ontwerpen heeft eerder te maken met ‘ontdekken’ dan met ‘uitvinden’. In tegenstelling tot zijn collega’s, die als globale nomaden meer tijd doorbrengen in het vliegtuig dan in hun atelier, bestaat de essentie van Zumthors aanpak erin thuis te blijven om de rest van de wereld te vergeten. Het is dan ook niet toevallig dat de teksten in Thinking Architecture geritmeerd worden door beelden van zijn eigen woning en atelier. Het concrete ‘wonen’, in de heideggeriaanse zin van het woord, is een metafoor voor Zumthors intuïtieve, sensitieve benadering van de architectuur. Het gaat bij hem niet om conceptuele abstracties, maar om de concrete realiteit van het bouwen en bewonen. In die zin zet de titel Thinking Architecture de lezer op het verkeerde been: het gaat hier niet zozeer over het (be)denken, maar over het maken en beleven. Deze fenomenologische benadering van architectuur doet denken aan het werk van Christian Norberg-Schultz en Juhani Pallaasma. Vanuit een kritiek op de dominantie van het visuele paradigma in de westerse architectuur pleiten zij voor een meer holistische benadering door de andere zintuigen te betrekken in het ontwerp en de kritiek van architectuur. Zumthor hanteert in deze context de notie van ‘atmosfeer’ als een esthetische categorie; ze heeft betrekking op de directe zintuiglijke ervaring van architectuur, in contrast met de kritische, rationele appreciatie ervan. Dit concept vormt het centrale thema in Atmospheres, een lezing uit 2003 waarin Zumthor een aantal aspecten van zijn werk en denken schetst in negen korte hoofdstukjes. Hij grijpt daarbij voor een groot deel terug naar de hierboven vermelde ideeën uit Thinking Architecture. Net zoals in dit laatste boekje suggereert de bladspiegel in Atmospheres – veel wit, ruime interlinie – dat het hier niet zomaar gaat om ‘teksten over architectuur’. Het zijn eerder korte stukjes die moeten gelezen worden als zelfstandige poëtische fragmenten die reflecteren over de ‘dingen’ en hun ‘omgeving’. Net als in zijn architectuur elimineert Zumthor ook in zijn schrijven en spreken het overbodige. Het resultaat is een terughoudend verhaal over architectuur dat is opgebouwd uit persoonlijke observaties, herkenbare anekdotes en hermetische referenties. In Thinking Architecture en Atmospheresgaat het dan ook niet over abstracte concepten, verleidelijke beelden of utopische visies, maar over architectuur als een kunst van het hier en nu, die zich tot doel stelt de bijzonderheid van alledaagse evidenties duidelijk te maken.

• Thinking Architecture (2de editie) en Atmospheres. Architectural Environments. Surrounding Objects van Peter Zumthor werden beide in 2006 uitgegeven bij Birkhäuser Verlag, Viaduktstrasse 42, 4051 Basel (061/20507-07; www.birkhauser.ch).