Dominiek Hoens

DE WITTE RAAF

Editie 127 mei-juni 2007

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Denken

In Openbaar denken [*] gaat Bart Verschaffel ervan uit dat gedachten gesitueerd en particulier zijn, maar de situatie waarin ze gedacht worden ook te buiten gaan en niet te herleiden zijn tot louter opinie of tot een effect van een individuele geschiedenis en contingente omstandigheden. Verschaffel verduidelijkt deze ambiguïteit van het denken door een onderscheid te maken tussen wat gedachten enerzijds onontkoombaar zijn en wat ze anderzijds zouden moeten zijn. Gedachten zijn feitelijk met een bepaalde plaats, historische omstandigheden en een particuliere eigenaardigheid verbonden, maar ze moeten zich eveneens van deze verbanden ontdoen om de kwalificatie ‘gedachte’ te verdienen. Kortom, denken is de plicht zich te emanciperen van het al dan niet zelfgekozen, in min of meerdere mate benauwende keurslijf van een context.

Deze stelling zou polemisch kunnen worden ingezet tegen een hedendaagse voorkeur voor praktische kennis waarbij van het omgekeerde wordt uitgegaan: gedachten zijn altijd abstract en staan los van enige context, vandaar dat het onze plicht is praktische, concrete en in de eerste plaats binnen een specifieke context bruikbare gedachten te denken. De expert is de figuur bij uitstek die deze plicht vervult: elke gedachte is een antwoord op een precies gearticuleerde vraag en die vraag ontspringt op haar beurt aan een duidelijke, zo niet door allen dan toch door velen aangevoelde nood. De expert verliest zich niet in omwegen of paradoxen maar geeft een eenduidig antwoord op een vraag waarvan de legitimiteit niet ter discussie staat. Zo heeft ook ons onderwijs er zich toe bepaald om niet langer een vrijplaats te zijn waar een schilleriaanse speldrift tot ontwikkeling wordt gebracht maar om studenten vaardigheden aan te leren en om verondersteld nutteloze kennis tot een minimum te beperken. Tegenover een even geruisloze als gewelddadige verschuiving als deze kan Verschaffels ‘herkenningscriterium’ voor intellectualiteit – “Intellectueel is iedere bezigheid waarbij Shakespeare er toe doet.” (p. 175) – alleen maar schril afsteken.

Beide posities lijken het spiegelbeeld van elkaar te zijn: ze verdedigen allebei een denken dat zich tegen een buiten, een verval of een dwaling dient te verdedigen. In het ene geval verweert men zich tegen het gevaar van een teveel aan denken, in het andere tegen een gebrek eraan. Verschaffels pleidooi voor een openbaardenken, met name een denken dat niet is opgesloten in een ongevaarlijke marge, zet zich af tegen een denken dat niet voorbij de contouren van een enge, in casu Vlaamse cultuur raakt, of dat dreigt te vervallen in een lege debatcultuur of bloedeloze lippendienst aan ‘ruimte voor kritiek’. Evenzo wordt het ontwikkelen van bruikbare expertise – van het nog onvoltooide maar met de inzet van voldoende onderzoeksmiddelen binnenkort voltooide antwoord op vastomlijnde vragen – bedreigd door scepticisme, speculatie, ethische overwegingen en verstrooiing door het geluidloze rumoer van vragen die zich tegen de nochtans streng afgelijnde randen van ‘het expertisedomein’ opdringen. In beide opvattingen kan men het denken ervan verdenken zichzelf te verraden en zich uit te leveren aan wat de naam ‘denken’ niet verdient. Beide posities functioneren volgens eenzelfde onderliggend schema en zijn schatplichtig aan elkaar.

Deze dialectische impasse suggereert haar eigen oplossing en wel onder de vorm van een soort tussenweg waarop de twee uitgetekende posities elkaar bij voorkeur conflictloos aanvullen. Vraag is evenwel of beide opvattingen aangaande het denken niet iets onaangeroerd laten, en dus, of de hierboven geschetste polemiek niet aangevuld dient te worden met een ‘denken’ dat zich aan dit dilemma onttrekt en zich eenvoudigweg elders situeert.

Hier moeten we naar Alain Badiou verwijzen en zijn suggesties over waar en wanneer ‘denken’ plaatsvindt. Wat hij ‘denken’ noemt is geen theorie geabstraheerd van een praktijk of context en is evenmin een opgebouwde en onmiddellijk inzetbare ‘expertise’. Denken vindt niet plaats vanuit een humanistisch ideaal of onder verwijzing naar bestaande, concrete noden. Denken zou er evengoed niet kunnen zijn; het heeft iets overtolligs en contingents. Elk denken, aldus Badiou, wordt geprovoceerd door een evenement dat, naargelang de situatie waarbinnen het optreedt, amoureus, wetenschappelijk, politiek of artistiek van aard kan zijn. Hoe verschillend deze denkwijzen ook mogen zijn, ze delen dit met elkaar dat ze vertrekken vanuit een anomalie, dit wil zeggen een evenement dat men, bijvoorbeeld, vanuit een bestaande expertise als niet relevant of zelfs onbestaande terzijde kan schuiven. Dit denken, dat postevenementieel is, impliceert een breuk met de op dat moment gebruikelijke manier waarmee men bijvoorbeeld een politiek probleem analyseert, begrijpt en behandelt. Het dient zich niet te onttrekken aan een nadrukkelijke actualiteit omdat het daarmee in principe niets te maken heeft en zich louter affirmatief opstelt aangaande het nieuwe, het ongedachte dat zich doorheen het denkenaangediend zal hebben. Het kan zich evenmin in gangbare formules articuleren of zich beroepen op een bestaande expertise.

In dit ‘denken’ verdwijnt de verdeling tussen theorie en praktijk: elke stelling is performatief van aard omdat ze intervenieert in de situatie waarin ze wordt geformuleerd en uitgaat van een onherleidbare en eventueel – denk aan de politiek – niet te herhalen mogelijkheid. De praktijk vertrekt op zijn beurt vanuit een situatie én een supplement dat deze situatie verstoort en problematisch maakt. Dit maakt de praktijk niet tot een leeg of ongegrond handelen, maar het veronderstelt een erkenning en minimaal begrip van wat dit supplement of evenement te denken geeft. Deze erkenning anticipeert de (theoretische) grond waarop elke handeling gesteld kan worden.

Met het problematische van dit ‘denken’ – vanuit de bestaande situatie bekeken is het ongegrond, verontrustend en potentieel gevaarlijk – zal elke praxis geconfronteerd worden als het erom gaat zich te legitimeren binnen de context waarin zij plaatsvindt. Laat ons even de psychoanalyse voor ogen houden als een denken dat vanuit het evenement opereert – met name dat van de overdracht. Het probleem van de psychoanalyse is niet alleen dat ze de kritieken met betrekking tot haar wetenschappelijk statuut of therapeutische efficiëntie moeilijk en niet afdoende kan weerleggen, maar schuilt in de eigenaardigheid van haar denken. Dit denken vertrekt vanuit het evenement van de ontmoeting tussen analysant en psychoanalyticus en de enige plicht van het denken bestaat erin dit evenement ernstig te nemen en te achterhalen welke consequenties dit heeft. In dat opzicht is psychoanalyse een praxis, een samengaan van theorie en praktijk, waarbij de een op radicale wijze niet zonder de ander kan. Het lijkt me net dit soort denken te zijn, een denken dat een subjectief engagement vooronderstelt, waar moeilijk een gelegitimeerde plaats aan kan worden gegeven. Deze moeilijkheid ontstaat niet vanuit een gebrek aan tolerantie maar door de wens elk subjectief moment in wat denken heet, uit te bannen. Het ontstaat door de hedendaagse ondenkbaarheid van een denken waarvoor een engagement een noodzakelijke voorwaarde is.

 

* Gepubliceerd in: De Glans der Dingen. Studies en kritieken over kunst en cultuur, Mechelen, Uitgeverij Vlees & Beton, 1989.