Daniëlle Hofmans

DE WITTE RAAF

Editie 127 mei-juni 2007

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Genesis. Het leven aan het eind van het informatietijdperk

De dichotomie tussen kunst en wetenschap is vals en het begrip informatie is een manier om uit te leggen waarom dat zo is. Emilie Gomart, curator van de tentoonstelling Genesis. Het leven aan het eind van het informatietijdperk, speelt in op de vermeende tegenstelling dat kunst zinnebeeldig is, meerduidig, subjectief, warm en menselijk en wetenschap letterlijk, eenduidig, objectief, koud en asociaal. Ze is een volleerd student van filosoof-socioloog Bruno Latour, wiens ideeën de tentoonstelling inspireerden. Latour heeft deze dichotomie nodig om te kunnen beweren dat ze niet bestaat. Gomart wil dit in Genesis aantonen door de informatiemetafoor in de kunst en de levenswetenschappen centraal te stellen. De parallellen die zij tussen beide ziet, zijn aan de hand van de historische veranderingen omtrent het idee van informatie in drie achtereenvolgende stadia te begrijpen. De eerste parallel tussen kunst en wetenschap, om precies te zijn “tussen bepaalde genetici en een aantal kunstenaars”,  begint in de jaren ’50 van de 20ste eeuw met de vraag naar wat informatie is. Het antwoord zoekt men niet in de betekenis, maar in de manier waarop de overdracht van informatie plaatsvindt. Het informatietijdperk is aangebroken en in haar kielzog brengt de informatiemetafoor alles, ook het leven zelf, terug tot een reeks van tekens, bits en genen, zoals de zaaltekst verkondigt. Het menselijk brein wordt vergeleken met de zopas geconstrueerde computer, werkzaam dankzij reeksen enen en nullen. De ontrafeling van de structuur van DNA door James Watson en Francis Crick in 1953, maakt duidelijk hoe de ontwikkeling van organismen berust op een genetisch programma, gevat in een alfabet van vier letters (TACG). Aan het begin van de tentoonstelling zien we de vroegste elektronische circuits, geheugenbits (flipflops) en naoorlogse analoge computers. Daarnaast het door Watson en Crick gebouwde driedimensionale DNA-model, waarvan een foto op de muur getuigt, en een metalen basenpaar van hun hand. De interesse van kunstenaars in serialiteit is onder meer weergegeven met het schilderij TAPW4 30 nov 88 van Peter Struycken en diverse filmpjes uit de jaren ’60 en ’70.

Volgens Gomart ontstond er een geloof in de totale efficiëntie van informatieoverdracht, wat resulteerde in een vereenvoudigde interpretatie van informatie in kunst en genetica. De uitsluiting van ruis in de transmissie van informatie is dan ook het thema van de tweede parallel in de tentoonstelling: de “heerschappij van de genen en het programma”. Eind jaren ’50 formuleerde Francis Crick het Centrale Dogma van de genetica: “DNA maakt RNA, RNA maakt eiwitten, en eiwitten maken de mens!” Uit het Centrale Dogma wordt in de tentoonstelling afgeleid dat DNA ons maakt tot wie we zijn, omdat de omgeving daarin geen gerichte veranderingen kan veroorzaken. Men haalt hier evenwel twee dingen door elkaar. Het is een wetenschappelijk inzicht dat de omgeving genen niet op een gerichte manier kan veranderen, behalve door genetische manipulatie. Iets heel anders is de bewering dat DNA ons maakt tot wie we zijn. Alsof de taart enkel en alleen uit het recept bestaat. De zaaltekst stelt dat Crick het Centrale Dogma “met een vleugje ironie” formuleerde. Maar dat blijkt niet uit de daaropvolgende ‘uitleg’ door het museum. Crick zelf legde de nadruk op het belang van de genen in de ontwikkeling van organismen, zonder determinisme te impliceren. Eenzelfde recept leidt nooit tot eenzelfde taart. Bovendien is het net mede dankzij Crick dat we nu weten hoe extreem complex genetica wel is. In deze zin toont de installatie Genesis van Eduardo Kac, anders dan gesteld, niet het Centrale Dogma en is het evenmin een aanval erop. Kac kritiseert hoogstens de karikatuur die van het dogma is gemaakt door critici die minder goed geïnformeerd zijn. Zoals Gomart zelf zegt gaat het Kac om de communicatieprocedures van beelden en in dit geval ook van metaforen. Die zijn nu eenmaal zeer hardnekkig. De letterlijkheid van haar interpretatie van het Centrale Dogma, veegt ironisch genoeg het citaat van Norbert Wiener van tafel waarmee de tentoonstelling opent: “De prijs van metaforen is eeuwige waakzaamheid.”

Waakzaamheid moet eveneens worden betracht bij het bekijken en begrijpen van de afzonderlijke kunstwerken in de tentoonstelling. De uitgebreide algemeen-wetenschappelijke uitleg staat in schril contrast met de minimale toelichting bij de kunstwerken en de verbanden die ertussen worden gelegd (of juist niet worden gelegd). Er is bijvoorbeeld een verschil tussen het werk van Kac waarbij de mutaties in het genoom van bacteriën erfelijk overdraagbaar zijn (een ingreep in het genotype) en de genetische gemodificeerde vleugelpatronen bij de vlinders van Marta de Menezes in Nature?. In de plastic, transparante kooi vliegen vlinders rond waarbij alleen een ingreep in de lichaamscellen plaatsvond, zodat geen veranderingen worden doorgegeven aan het nageslacht. Ook de grote zaal met als thema The program rules suggereert een verband tussen de werken van kunstenaarsduo’s Driessens & Verstappen, Sommerer & Mignonneau en Marc Quinn, maar allen ontwikkelen en gebruiken op zeer uiteenlopende wijzen computerprogramma’s. Het zou bijvoorbeeld veel logischer zijn om Tuboid, het genetische algoritme ontworpen door Driessens & Verstappen, te tonen naast het videoretrospectief van Karl Sims, een van de pioniers in het onderzoek naar artificieel leven, en naast de mensachtige robots van Luc Steels. Het is slechts een van de onbegrijpelijke samenstellingen. Wat doet de Poeterei van Dieter Roth, een boek met pagina’s vol menselijk biologisch materiaal, naast de, overigens zeer inventieve, korte films over cyborgs van Floris Kaayk? Of de PowerPoint presentatie over feedbackloops van bioloog Bas Defize naast een tafel met 16de- en 17de-eeuwse anatomieboeken? En hoe kunnen we het Cosmopolitan Chicken Project van Koen Vanmechelen anders opvatten dan als een klassiek genetisch intermezzo van de eeuwenoude kruisingstechniek?

Met de derde en laatste parallel wil de tentoonstelling de ruis en de complexiteit via de systeembiologie terugbrengen in het bestuderen van de genetische informatie. Het is het experimentele deel waarin de vraag naar het einde van het informatietijdperk wordt gesteld. Zijn ‘informatie’, ‘genen’ en ‘codes’ wel de juiste begrippen om te spreken over de complexiteit van leven? Het Personal Space Station probeert daar op een didactische wijze inzicht in te geven. Verder levert het een onduidelijke Cementprinter op van Adam Lowe, maar ook een opvallend werk van Mark Dion. Zijn Cloned Lab Bench zijn twee tegen elkaar gezette replica’s van een werkbank uit het Hubrecht Laboratorium voor Ontwikkelingsbiologie in Utrecht. In plaats van een opgeruimde werkplek is het een nauwgezette kopie van de rommel van de dagelijkse labpraktijk. Dion werkte de symmetrie tot in de details uit. Aan beide zijden vinden we het afgeknaagde broodje, de rollen tape, de pipetjes, de open lades, het verfrommelde aluminiumfolie, de wc-rol, de muizenval op de grond en dezelfde aantekeningen op de post-its. Het is werk in uitvoering en een prachtige metafoor voor een delende cel. Zulke op zichzelf staande werken doen de kunst ontsnappen aan het dwingende overkoepelende concept van de tentoonstelling, dat in de vooronderstelde parallellen tussen kunst en wetenschap helaas niet overtuigt.

 

• Genesis. Het leven aan het eind van het informatietijdperk tot 12 augustus in het Centraal Museum Utrecht, Nicolaaskerkhof 10, 3512 XA Utrecht (030/236.23.62; www.centraalmuseum.nl).