Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 127 mei-juni 2007

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Nouvelle présentation des collections du Musée national d'art moderne

Nadat begin dit jaar het eerste deel van de verzameling voor het publiek opnieuw werd opengesteld (zie DWR 126), opende het Musée national d’art moderne in het Centre Pompidou begin april op de vierde verdieping het tweede deel van haar verzameling, met kunst van de jaren ’60 tot vandaag. Ook hier is er wezenlijk niet veel veranderd. De architectuur is dezelfde gebleven en voor het museum belangrijke werken, zoals Container Zérovan Jean-Pierre Raynaud, Jardin d’hiver van Jean Dubuffet, Plight van Joseph Beuys en de decoratie van het Elysée voor Georges Pompidou van Agam, hebben opnieuw hun oude plaats ingenomen. Hiertussen werd een parcours ingericht dat min of meer chronologisch verloopt. Het biedt niet echt een overzicht van wat er de laatste vijftig jaar in de kunst gebeurd is. Dat is op zich een onmogelijke taak en kan je dus ook moeilijk verwachten. Maar er is ook geen enkele poging ondernomen om dit verhaal vanuit een origineel standpunt te vertellen of om van bepaalde kunstenaars of stromingen een ensemble te tonen dat getuigt van een persoonlijke keuze of een duidelijk engagement. De enige uitzondering hierop is misschien het werk van Martial Raysse, maar daarbij stelt zich dan weer onmiddellijk de vraag of het zoveel aandacht verdient. Misschien kunnen de voorkeuren van de conservatoren eerder worden afgelezen uit wat er niet in de verzameling en in de presentatie werd opgenomen. Internationale coryfeeën als Damien Hirst, Jeff Koons of Maurizio Cattelan zijn in de wel zeer Franse keuze opvallende afwezigen. Dit is des te merkwaardiger omdat in het andere deel van de collectie, dat de eerste helft van de 20ste eeuw bestrijkt, een duidelijke, zij het verkrampte poging ondernomen werd om het chauvinistische imago te corrigeren.

Opvallend is ook dat men van belangrijke Franse kunstenaars als Fabrice Hybert of Sophie Calle mindere werken heeft aangekocht. La vie impossible de C. B. (2001) van Christian Boltanski, een aantal slecht verlichte wandkasten met persoonlijke documenten waarvoor een volledige zaal werd ingeruimd, is zowat het saaiste werk uit zijn volledige oeuvre.

Het parcours begint met een hommage aan Pontus Hulten, de eerste directeur van het Centre Pompidou, met vooral werken van het Nouveau Réalisme. De popart is buiten de Electric Chair van Warhol en enkele plaasters uit The Shop van Claes Oldenburg bijna onbestaand. Mooi is wel de centrale gang die als een Grande galerie de peinture werd ingericht met schilderijen van onder andere Willem de Kooning, Philip Guston, Baselitz, Richter, Ellsworth Kelly, Sean Scully, Tapiès, Brice Marden, Basquiat en Leon Golub, maar ook met het afzichtelijkeBalaam van Gérard Garouste. De belangstelling voor schilderkunst komt evenzeer tot uiting in een zaalFiguration critique en minimal painting en ensembles van Helmut Dorner en François Boisrond. Opvallend is de geringe belangstelling voor de videokunst met slechts twee projecties, This is not a time for dreaming (2005), of de geschiedenis van de moderne architectuur in poppenkastformaat verteld door Pierre Huyghe, en Blood Sea, een op drie schermen levensgroot geprojecteerde newagevideo van de Duitse Janaina Tschäpe. De installatie van Garry Hill was op het moment van ons bezoek wegens technische problemen gesloten. Deze ondermaatse presentatie wordt door het documentatiecentrum waar men à la carte alle video’s uit de verzameling van het museum op een klein beeldscherm kan consulteren, niet echt goedgemaakt. De fotografie maakt evenmin een grootse indruk. Op een hommage aan Diane Arbus en een zaal gedeconstrueerde fotografie na is ze ruim ondervertegenwoordigd.

Onder de titel Rose des vents is werk samengebracht uit de vier continenten, maar de vertegenwoordiging uit Azië en Afrika blijft zeer beperkt. Wat het aanbod design betreft is er naast de vrij commerciële presentatie van het oeuvre van Philippe Starck ook aandacht voor de technische kant van het design en werk van jonge ontwerpers.

De monumentaliteit en de synthetische kracht van La Salle blanche van Marcel Broodthaers, de enige Belgische kunstenaar in deze opstelling, vormt een mooi pendant voor het ensemble kleine objecten van Robert Filliou.

Alles samen laat deze nieuwe opstelling een weinig geïnspireerde en weinig inspirerende indruk na. Aangezien de dynamiek van deze enorme verzameling, die ondertussen ongeveer 60.000 werken telt, toch niet in één opstelling kan worden getoond, lijkt het idee van thematische, maar regelmatig wisselende presentaties, een zinnig alternatief.

Een mooi voorbeeld van een thematische presentatie is de jammer genoeg veel te bescheiden en op een veel te kleine ruimte samengepakte tentoonstelling Ateliers. L’artiste et ses lieux de création dans les collections de la bibliothèque Kandinsky, die eveneens op de vierde verdieping te zien is. Aan de hand van documenten wordt een geschiedenis geschetst van het kunstenaarsatelier, van de traditionele werkplaats van de handwerker, over de natuur en de publieke ruimte tot het platform van media en netwerken, van de Bateau-Lavoir en La Ruche tot Warhols Factory, van Brancusi en Mondriaan tot Bruce Nauman en het Atelier Van Lieshout. Interessant is de relatie tussen de manier van werken en de plaats waar het werk ontstaat. Kunstenaars als Duchamp en Man Ray of Bacon en Pollock gebruikten het atelier niet op dezelfde manier. Sommige kunstenaars deden beroep op belangrijke architecten om hun werkplaats te creëren, terwijl anderen hun atelier enkel in hun hoofd hadden.

 

• Les collections du Musée. Nouvel accrochage des collections d’art contemporain (1960-2000) loopt tot 12 mei 2008; Ateliers. L’artiste et ses lieux de création dans les collections de la bibliothèque Kandinsky loopt tot 28 mei 2007; Centre Pompidou, Place Centre Pompidou, 75004 Parijs (01/44.78.12.33; www.centrepompidou.fr).