Steven Humblet

DE WITTE RAAF

Editie 127 mei-juni 2007

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Eugène Atget

Elke poging een overzichtstentoonstelling te bouwen rond het oeuvre van de Franse fotograaf Eugène Atget (1856-1927) moet wel uitmonden in frustratie. Er is niet alleen een evident materieel probleem (gecreëerd door de massale hoeveelheid beelden waaruit het archief bestaat, zo’n 8.500, en door de diversiteit ervan), maar er is bovendien een belangrijk theoretisch probleem. Atget heeft een dubbelzinnig statuut binnen de geschiedenis van de fotografie, waarin hij zowel wordt beschouwd als een voorloper van de surrealistische fotografie als een grondlegger van de documentaire fotografie, nochtans twee fotografische strategieën die haaks op elkaar staan. Elke tentoonstelling die de ambitie heeft iets van dit enigmatische oeuvre te laten oplichten, zal zich hoe dan ook tot deze twee probleemvelden moeten verhouden.

Voor het materiële probleem hebben de curatoren van de overzichtstentoonstelling in de Bibliothèque Nationale een eerder elegante, zij het ook wat voorspelbare oplossing uitgedokterd. Ze laten zich in eerste instantie leiden door de wijze waarop Atget zijn beelden eigenhandig archiveerde en organiseerde, in mappen, reeksen en albums. De expo opent met een selectie beelden afkomstig uit de eerste map Paris pittoresque. Zelfs de wat meer onderlegde Atgetkenner stoot in dit eerste zaaltje op enkele verrassingen. De snapshots van rond de eeuwwisseling, met het hectische straatleven op de marktpleinen en in de lanen van Parijs, tonen een minder gekend facet van Atget. In deze prille fase van zijn carrière verschijnt hij als een tijdgenoot van Jacques-Henri Lartigue of als een Parijse variant van die uiterst succesvolle commerciële fotostudio’s die het publiek bestookten met pittoreske beelden van het dagelijkse leven in de moderne metropool, zoals de New Yorkse Byron Company. De aandacht voor de menselijke figuur in de stad zou in Atgets latere werk volledig verdwijnen: daar wordt de mens enkel nog als schimmige reflectie geduld, nooit als volbloedige aanwezigheid.

In de rest van de tentoonstelling borduurt men gezapig voort op deze thematische aanpak. Naast de onverdroten ijver waarmee Atget zijn geliefkoosde onderwerp vastlegde, het oude Parijs met zijn kronkelende straatjes en steegjes, belicht de tentoonstelling ook zijn precieuze aandacht voor allerlei decoratieve motieven (deuren, trapstijlen en leuningen, uithangborden enzovoort). De expo lijkt louter een presentatie van dit werk te willen geven, waarbij ze de toeschouwer vooral wijst op de veelzijdigheid ervan. De diversiteit is eerder gesitueerd op het niveau van het onderwerp (van het wat), dan wel op het niveau van de fotografische stijl of strategie (van het hoe). Ook de uitdrukkelijke belangstelling voor de zeven albums die Atget samenstelde voor musea en archieven als een representatieve selectie van zijn archief, past binnen dit plaatje. Ze worden hier vooral gepresenteerd om aan te tonen dat werkelijk niets aan de spiedende blik van de fotograaf ontsnapte: van het topografische overzichtsbeeld tot het intieme detailbeeld, van het oude centrum tot de vervallen periferie, van de groezelige binnenkoeren tot de chique hotels, alles komt aan bod. Zelfs het landschap krijgt een plaats in Atgets oeuvre. Zijn landschap staat echter niet los van de stedelijke ruimte, maar wordt als park in het verlengde daarvan bekeken – wat meteen zijn benadering ervan als architecturale constructie verklaart.

Met de klemtoon op een materiële beschrijving van het oeuvre blijft het theoretische probleem wat verweesd achter. Dat ‘probleem’ wordt (letterlijk en figuurlijk) naar de achtergrond gemanoeuvreerd: het wordt nooit rechtstreeks aangekaart, maar sijpelt de tentoonstelling binnen via het laatste hoofdstuk, dat overigens een beetje de indruk maakt van een loos aanhangsel. In dit kleine hoofdstuk situeren de curatoren enkele reeksen die een belangrijke rol hebben gespeeld in de ‘ontdekking’ van Atget, zoals de serie over de Parijse bordelen of de reeks uit de jaren ’20 van moderne uitstalramen. Door te spelen met reflecties veranderen deze winkelramen in dubbelzinnige ruimtes waar binnen en buiten naadloos in elkaar overvloeien. Het is precies dankzij deze reeks dat de surrealisten in Atget een van hun voorlopers meenden te herkennen. Door met deze – voor de kritische receptie van de fotograaf zo cruciale – reeks af te sluiten, maken de curatoren duidelijk dat ze een surrealistische lectuur van dit oeuvre sterk willen relativeren (en daardoor de documentaire lezing juist versterken). De vraag is echter of deze benadering niet al te eenzijdig is: de kwaliteit die de surrealisten in dit werk vermoedden, vertelt ons iets wezenlijks over de inzet van dit oeuvre. Eerder dan zich te beperken tot een pure beschrijving, is Atget ook een fotograaf die ‘zijn’ Parijs wenste te verbeelden. Over die ‘onmogelijke’ combinatie van een wilde verbeelding en een gortdroge feitelijkheid vertelt de tentoonstelling echter te weinig: ze reduceert Atget iets te snel tot een bezeten (maar tegelijk ook uitermate nuchtere) verzamelaar van plaatsen en objecten.

Atget inventariseert niet alleen het oude hart van de stad, hij exploreert het ook. Het ene veronderstelt een passieve attitude (het oog van de observator), het andere vereist de actieve inbreng van een kijkend lichaam (het oog van de wandelaar). Heel de fotografische strategie van Atget is erop gericht om de blik van de kijker (en dus ook het lichaam waarin die blik geïncarneerd zit) te activeren. Voortdurend ontwikkelt hij nieuwe kinetische programma’s om de kijker op sleeptouw te nemen door het verbeelde Parijs. Zijn beelden verdedigen een radicaal andere stadservaring dan het toenmalige – politieke maar ook stedenbouwkundige – discours dat de oude stad als een afgeleefde, onhygiënische en vooral benauwende ruimte voorstelde. Hoezeer Atget zich ook toelegt op de hoekjes, de onverhoedse knikjes in de straat, de piepkleine binnenkoeren, hij sluit de kijker nooit op in de stedelijke ruimte. Telkens wanneer hij ons in een hoek lijkt te drummen, blijkt er ergens in het beeld wel een raam of deur op een kier te staan waarlangs we uit het beeld kunnen stappen. Atget biedt geen moderne stadslectuur aan. Tegenover de monotone rechtlijnigheid van het moderne kijken, dat zich laat meesleuren door het roezende, snelle leven op de nieuwe boulevards, plaatst hij een botsend kijken, dat de stad eerder traag en zigzaggend doorloopt. De beelden van Atget tonen geen charmant Parijs, hij is geen nostalgisch fotograaf. Ze laten integendeel in al hun bonkige stroefheid een stad verschijnen die zich maar moeizaam laat veroveren.

 

• Atget, une rétrospective tot 1 juli in de Bibliothèque Nationale de France, Site Richelieu, Rue de Richelieu 58, 75084 Parijs (01/53.79.59.59; www.bnf.fr).