Merel Van Tilburg

DE WITTE RAAF

Editie 129 september-oktober 2007

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Face à l'Impressionnisme, Jean-Jacques Henner (1829-1905), le dernier des romantiques

Jean-Jacques Henner is een van die 19de-eeuwse schilders die totaal in de vergetelheid zijn geraakt. In hedendaagse kunstgeschiedenisboeken komt zijn naam niet voor en de laatste overzichtstentoonstelling dateert van 1925. In de 19de eeuw nochtans was Henner gedurende veertig jaar een gevestigde naam in de Parijse kunstwereld. Sommige van zijn schilderijen hadden de status van iconen en werden in reproductie grif verkocht. Het Musée de la Vie romantique, gehuisvest in het atelier van een andere bijna vergeten 19de-eeuwse schilder, Ary Scheffer, wijdt nu een tentoonstelling aan Henner. En in 2008 heropent in Parijs het Musée Henner, dat een aantal schilderijen en tekeningen permanent in 19de-eeuws decor zal tonen.

Henners schilderijen laten zich niet gemakkelijk in een hokje stoppen. Het lijkt alsof hij aan alle vernieuwingen in de schilderkunst van de 19de eeuw bijna heeft meegedaan. Tegen elke stroming in de schilderkunst van zijn tijd kun je Henners werk afzetten, om te concluderen dat het dat toch net niet is: het is realisme noch impressionisme, naturalisme noch symbolisme. Ondanks vriendschappen met Manet en Degas, die Henner zeer bewonderde, en ondanks contacten met zo ongeveer alle schilders en schrijvers van het moderne leven, hing hij zijn hele carrière vast aan de officiële salonschilderkunst. Zonder de regels van de Academie overigens al te strikt in acht te nemen, bouwde de van oorsprong Elzasser schilder gestaag zijn oeuvre op. Hij varieerde daarbij op een klein aantal thema’s, in een beperkt maar krachtig kleurengamma van pruisisch-blauw, roodbruin, groen, zwart en wit.

Henners grootste moeilijkheid met de academische eisen betrof de compositie van meerdere figuren op een schilderij. De tentoonstelling, die een chronologisch parcours volgt, opent met een schilderij van Adam en Eva bij het lijk van Abel, dat Henner in 1858 de Prix de Rome opleverde. De jury, met onder anderen Delacroix, merkte op dat de compositie niet bijzonder geslaagd was, net zomin als de verbaasde gezichten van Adam en Eva. Henner won de prijs vanwege zijn weergave van het naakt. En inderdaad blijkt in de tentoonstelling al snel dat Henner geen historieschilder was, hoewel historiestukken zijn categorie zouden moeten zijn. Theatrale emoties ontbreken en als er al sprake is van meerdere figuren op een schilderij, dan is er geen interactie. Het naakt voert de boventoon in Henners oeuvre. Mannelijk naakt voor dode of lijdende Christussen, een Sint Sebastiaan en een historische figuur; en vrouwelijk naakt voor antieke heldinnen, bijbelse figuren, nimfen of naamloze vrouwen. De compositie is telkens simpel, een lichte figuur in een schemerlandschap of tegen een donkere achtergrond.

Henner was een meester in het schilderen van contrasten en zijn naakten werden door Émile Zola beschreven als “een druppel melk op een inktzwarte ondergrond”. De naakten combineren technische perfectie met een vrijere penseelstreek, ondoorzichtigheid met transparantie. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Delacroix, Cabanel, Gérome, Moreau, Degas en Courbet, schilderde Henner zijn figuren niet naar foto’s maar altijd naar levend of dood model. Bij de schilderijen van dode Christussen levert de studie van kadavers een doodenge, transparante, magnesiumwitte huidweergave op. Dit realisme maakt vooral bij de latere vrouwelijke naakten plaats voor flagrante sensualiteit, met subtiele gradaties in de huidkleur. Het loont de moeite de naakten van Henner te bestuderen met de neus op de verfhuid om de factuur goed te zien. Een voordeel van een klein museum is dat dat ongestoord kan, zonder dat er een alarm afgaat. Met name de overgang tussen figuur en achtergrond is een nadere beschouwing waard. In plaats van een figuur te begrenzen met een duidelijke lijn, zoals Ingres, of met een meanderende penseelstreek, zoals Delacroix, lijkt Henner de huid tot leven te brengen in een sfumato-techniek, ongetwijfeld geïnspireerd door de studie van renaissanceschilderkunst. De huid van Henners vrouwelijke naakten lijkt te vibreren. In de illusie van permeabiliteit is zij sensueel in de originele betekenis van het woord: voelbaar, speurbaar, haast tastbaar aanwezig.

Henners onpersoonlijke roodharige naakten vinden hun tegenhangsters in een drietal portretten van roodharige dames, magnifieke portretten die hem dicht bij Manet brengen. Henners liefde voor het vrouwelijk lichaam dringt zich ook hier op: bij een bepaalde lichtval is op het portret van de statige gravin Kessler (priemende groene ogen, een streng rood haar ontsnapt uit haar kapsel) een decolleté zichtbaar, dwars door een hooggesloten zwarte jurk.

De serialiteit in het werk van Henner zou modern kunnen lijken, maar is dat niet. Het grote aantal schetsen die Henner maakte alvorens hij een schilderij durfde op te zetten, was niet voor publiek bedoeld. Schetsmatige schilderijtjes op sigarendozen, waarvan er een paar te zien zijn in de tentoonstelling, doen denken aan Cézanne of Moreau. Maar trouw aan de academische gewoonte, beschouwde Henner deze als studie of spielerei, en niet geschikt voor tentoonstelling.

Met alles wat hij níet was, is de keuze om Henner “de laatste der romantici” te noemen geen slechte. Henner was zeker geen romantisch schilder in de uitbeelding van passies of heftige scènes, zoals Géricault. Zijn voorkeur ging uit naar een eenvoudige weergave van religieuze of antieke, tijdloze en idyllische scènes. Wel zette hij de academische regels naar zijn hand, zoals voor hem de romantici dat deden. De tijdloze melancholiek en nostalgie van de landschappen waarin zijn roodharige nimfen zich bevinden zouden eventueel ook romantisch kunnen worden genoemd. ‘Romantisch’ is uiteindelijk het enige 19de-eeuwse etiket dat niet dra van Henners oeuvre afglijdt. En 19de-eeuws, dat is zijn werk onmiskenbaar.

• Face à l’Impressionnisme, Jean-Jacques Henner (1829-1905), le dernier des romantiques tot 13 januari 2008 in het Musée de la Vie romantique, 16 rue Chaptal, 75009 Parijs (01/55.31.95.67; www.vie-romantique.paris.fr).