Steven ten Thije

DE WITTE RAAF

Editie 129 september-oktober 2007

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Skulptur Projekte 2007

Tijdens Skulptur Projekte parkeert Michael Asher een caravan wekelijks op een andere plek in de straten van Münster, voor de vierde maal sinds 1977. De parkeerplaatsen zijn in die dertig jaar dezelfde gebleven. Is een locatie door stadsvernieuwing of een andere omstandigheid onbereikbaar, dan staat de caravan gedurende die week ongeëxposeerd in een garage. Staat de caravan op een plek die in de loop van de tijd veranderd is in een particuliere parkeerplaats, dan is het aan het publiek om over hekken te klimmen om de ingreep van deze kunstenaar, icoon van de institutionele kritiek, te bereiken. Op een subtiele manier registreert de caravan de veranderingen in het stedelijk landschap en daarmee ook in de geschiedenis van Skulptur Projekte, een tienjaarlijkse tentoonstelling die onlosmakelijk is verbonden met de ontwikkeling van kunst in de openbare ruimte. Door deze herhaling is het kunstwerk in dertig jaar van een enkelvoudige installatie in een langdurig onderzoek veranderd. De registratie van het werk is van bijzaak tot hoofdzaak geworden. De foto’s van het werk in de catalogus, alle genomen vanuit dezelfde hoek en systematisch naast elkaar geplaatst, registreren eerder een beweging dan een werk. Stapsgewijs wordt de caravan een oldtimer en vallen er door het verdwijnen van parkeerplaatsen steeds meer gaten in het oorspronkelijke ‘traject’. De foto’s lijken wel filmstills uit een eindeloos lange documentaire. De begeleidende teksten bevestigen dit onderzoekende, inventariserende karakter. In vier sobere instructies legt Asher de curatoren uit hoe zijn werk uit te voeren. Het devies is elke keer hetzelfde: verander niets aan het werk.

De nadruk die in Ashers werk is komen te liggen op inventariseren, documenteren en archiveren, beheerst in deze editie ook de opstelling van de curatoren – Kasper König, Brigitte Franzen en Carina Plath – en van sommige kunstenaars. De curatoren zien, net als Michael Asher, Skulptur Projekte als ‘een langetermijnstudie’. Ze hebben in de catalogus een glossarium opgenomen met 131 termen van ‘Almende’ tot ‘Habermas’ en een uitgebreide, geannoteerde bibliografie toegevoegd, met relevante publicaties voor de tentoonstelling vanaf 1970. In een historische tentoonstelling in het LWL Landesmuseum wordt in dit kader archiefmateriaal van eerdere edities getoond. Ook een werk op de eigenlijke expositie is uit archiefmateriaal voortgekomen. Square Depression van Bruce Nauman was oorspronkelijk voor de eerste editie van Skulptur Projekte ontworpen, maar werd nooit uitgevoerd. Dertig jaar na dato is het alsnog gerealiseerd.

Enkele werken in de huidige editie stellen inventarisatie en documentatie centraal. Het beste voorbeeld hiervan isRoman de Münster van Dominique Gonzalez-Foerster. Gonzalez-Foerster heeft een klein sculpturenpark aangelegd met enkele miniaturen van werken uit de voorgaande én de huidige editie van Skulptur Projekte. De beelden, verkleind tot een kwart van hun originele grootte, staan op een grasveldje gelegen aan de promenade rond het oude stadscentrum – veel van de oudere originele werken bevinden zich overigens nog steeds in Münster. Het resultaat is een bonte verzameling van citaten. De massieve betonnen biljartballen van Claes Oldenburg, gemaakt voor de eerste editie in 1977, liggen er nu als drie zware skippyballen bij. Het standbeeld van Thomas Schütte bestaande uit een sokkel van drie meter met daarop twee reuzenkersen is veranderd in een merkwaardige wedstrijdbokaal, die vergeten in het grasveld staat. Door het kleine formaat kijkt de beschouwer neer op de beelden en heeft hij de illusie van een overzicht. Dit principe speelt Gonzalez-Foerster op geraffineerde wijze uit tegen de incoherentie van het ensemble: zo valt de beschouwer constant van het ene sculpturale concept in het andere, van Donald Judd naar Thomas Schütte, van Ilya Kabakov naar Nam June Paik. De beelden worden niet in een duidelijke volgorde ondergebracht, maar troepen samen in een open opstelling zonder begin of eind. De toeschouwer ‘herschrijft’ – om terug te vallen op de titel van het werk – voortdurend de geschiedenis van de tentoonstelling door de disparate elementen tot een nieuwe eenheid te monteren.

The Head van Deimantas Narkevicius is een film die opgesteld staat in de foyer van een statig overheidsgebouw. Het is een compilatie van documentair materiaal over de bouw en installatie van de monumentale Karl Marxkop voor het stadhuis in Chemnitz (het voormalige Karl-Marx-Stadt). Narkevicius houdt zich al langer bezig met het snelle verval van staatskunst uit de voormalige communistische landen na het einde van de Koude Oorlog. Daarbij wil hij het vooroordeel nuanceren dat deze beelden enkel iconen van politieke, dictatoriale macht zouden zijn. The Head toont de beeldhouwer aan het werk en fragmenten uit een interview met hem. In zijn opmerkingen en manier van doen passeren alle bekende clichés omtrent artistieke schepping, waardoor het steeds moeilijker wordt om hem van zijn westerse collega’s te onderscheiden. Langzaam komt het beeld los van zijn symboolwaarde en herwint het zijn artistieke eigenschappen. Narkevicius gebruikt daartoe niet enkel filmische middelen, maar speelt tevens met de ruimte van de foyer. In de hoek van deze vrijwel lege en half verduisterde ruimte staat een borstbeeld op een manshoge sokkel. Deze echte sculptuur staat in een opmerkelijke spanningsrelatie tot het beeld in de film. Het argument van Narkevicius ondergaat een omgekeerde spiegeling in het onbekende borstbeeld. Ook dit beeld heeft een duidelijke symboolwaarde, maar die is juist totaal ondergesneeuwd geraakt.

Sciezka (pad) van de Poolse kunstenaar Pawel Althamer toont aan dat kunst in de openbare ruimte uiteindelijk pas echt werkt indien ze een directe dialoog met de omgeving aangaat. Het werk bestaat uit niet meer dan een kunstmatig aangelegd zandpad dat in een park aan de rand van Münster begint en de stad uitloopt. Het eindpunt is vanaf het beginpunt niet te zien. Volg je het pad dan doorkruis je een aantal verschillende ‘landschappen’. Na het park steek je een asfaltweg over, dan volgt een korenveld, daarna een soort tussenruimte met een klein beekje waarover een houten bruggetje is gebouwd en dan nog een roggeveld. Het pad eindigt hierna schijnbaar in het niets, op een landweggetje net buiten de stad. Zoals Gonzalez-Foerster kunstwerken citeert, zo zet Althamer verschillende omgevingen uit die als citaten gaan werken: ‘agrarisch’ bij de velden, ‘romantisch’ bij het bruggetje, ‘transport’ bij de asfaltweg. Met zeer eenvoudige middelen maakt het werk duidelijk hoe de wereld uit een keur van verschillende domeinen met verschillende betekenissen bestaat en hoe deze ons ongemerkt verleiden tot het aannemen van een bepaalde houding.

In de catalogus stellen de curatoren dat zij “het functioneel gebruik van ‘kunst in de openbare ruimte’ willen tegengaan met een nieuw concept van artistieke autonomie”. In de huidige tentoonstelling resulteert dit uitgangspunt in een vorm van ‘musealisering’ van de stad. De vierde Skulptur Projekte lijkt te vertrekken van de vaststelling dat Münster als tentoonstellingsplek nog moeilijk uit de kunst kan breken. De stad heeft in de afgelopen dertig jaar een steeds gemoedelijker karakter gekregen en is door de alom aanwezige beelden van de vorige edities in een soort stedelijk sculpturenpark veranderd. Voor de kunstenaars wordt het dan ook steeds moeilijker om Münster als een karakteristiek voorbeeld van het ‘alledaagse leven’ te begrijpen, waar ze op een site-specifieke manier op kunnen ‘reageren’. Een inzicht dat Gonzalez-Foerster in haar catalogustekst expliciet verwoordt. Aan de andere kant lijkt ook het conflict tussen de open ruimte van de straat en de gesloten ruimte van de kunst – geconcretiseerd in het museum – niet meer centraal te staan. De kunstenaars van de huidige Skulptur Projekte lijken zich niet te ergeren aan de specifieke tradities en instituties van de kunst en maken onomwonden gebruik van haar mogelijkheden. Een winst bij deze ontwikkeling is dat ze de mogelijkheid creëert om te analyseren wat het specifieke is van de ‘museale’ houding van kunst tegenover andere houdingen die we in het dagelijkse leven aannemen. In een samenleving waar kunst snel als marketing, entertainment of sociaal bindmiddel wordt begrepen, kan een dergelijke analyse helemaal geen kwaad.

• Skulptur projekte Münster 2007 loopt nog tot 30 september in Münster (www.skulptur-projekte.de).