Koen Brams, Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 130 november-december 2007

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Gesprek met Philippe Van Snick

I. [Guy Rombouts, Jef Somerlinck, Philippe Van Snick, Jan Vercruysse] [1978-1985]

Koen Brams/Dirk Pültau: In 1978 maak je samen met Guy Rombouts, Jef Somerlinck en Jan Vercruysse een publicatie die wordt aangekondigd als de eerste aflevering van een tijdschrift. Hoe is die publicatie tot stand gekomen?

Philippe Van Snick: Guy Rombouts was de drijvende kracht achter dat project. Hij was op dat moment drukker in een school. In 1977 had hij reeds op de drukpers van die school voor mij een boek gedrukt op drie exemplaren, met telkens een andere foto van een eclips die uit een doek was gesneden. Vooraleer ontslag te nemen, wou hij in 1978 voor een laatste keer gebruik maken van de drukpers van de school. Guy was zich aan het positioneren als kunstenaar. Voordien was hij enkel binnenskamers met kunst bezig geweest.

K.B./D.P.: Hoe was Jef Somerlinck bij de publicatie betrokken geraakt?

P.V.S.: In die periode was ik tijdens de weekends regelmatig in Antwerpen bij Guy. Jef kwam soms mee. We gingen samen uit en logeerden bij Guy. Het sprak vanzelf dat Jef deelnam aan de uitgave.

K.B./D.P.: In 1971 had je al eens een project gerealiseerd met Jef Somerlinck, samen met Etienne Lievens: een kleine publicatie met foto’s van werken van jullie.

P.V.S.: Ik kende beiden van de academie in Gent. Zij waren reeds met elkaar bevriend toen ik met hen kennismaakte. We hadden het vaak over gezamenlijke projecten. De tentoonstelling van de publicatie in het Kultuurhuis van Harelbeke, in 1971, is het enige tastbare resultaat.

K.B./D.P.: Wie heeft Jan Vercruysse bij de publicatie in 1978 betrokken?

P.V.S.: Ik heb dat gedaan. We waren ervan overtuigd dat we andere kunstenaars moesten uitnodigen. We dachten aan Jan Vercruysse en Lili Dujourie. Lili heeft er niet op gereageerd, geloof ik. Jan heb ik kunnen overtuigen.

K.B./D.P.: Waarom wilde je per se dat zij meededen?

P.V.S.: Waarom? Ik vond dat op dat moment niet alles correct verliep in Antwerpen.

K.B./D.P.: Wat bedoel je?

P.V.S.: Er werden kunstenaars uitgesloten. Ik herinner mij de tentoonstelling in De Klok in 1977, georganiseerd door Marc Poirier dit Caulier. De namen van Jan Vercruysse, Guy Mees en Lili Dujourie stonden op de affiche naast die van Jacques Charlier, Bernd Lohaus, Leo Josefstein, Marthe Wery en mijzelf. Maar ze stelden geen werken tentoon. Ze organiseerden een vergadering op het Noorderterras. De meeting werd aangekondigd in de catalogus van de tentoonstelling. Ik voelde me buitengesloten en wou die impasse doorbreken. Ik wou het open houden.

K.B./D.P.: Waarom heb je Guy Mees niet gevraagd?

P.V.S.: Misschien is dat wel gebeurd, maar dat kan ik niet met zekerheid zeggen.

K.B./D.P.: In de tentoonstelling in De Klok in 1977 presenteer je werk in situ: Eclips I, op de ruwe, betonnen pilaren van de tentoonstellingsruimte. Het werk in de publicatie een jaar later is totaal anders. Het lijkt politieker van aard.

P.V.S.: In mijn bijdrage aan het tijdschrift wilde ik het kunstenaarschap en het niet-kunstenaarschap tegen elkaar afwegen.

K.B./D.P.: Het werk is heel abstract, het is een soort wiskundige vergelijking.

P.V.S.: Ja, uit die eindformule raak je niet wijs, maar een abstractie kan je altijd projecteren op iets concreets.

K.B./D.P.: Kan je zeggen waarom je dan voor zoiets concreets kiest als het kunstenaarschap en het niet-kunstenaarschap?

P.V.S.: Ik wilde nadenken over het medium van een tijdschrift. Een tijdschrift wordt gedistribueerd. Het kan in handen komen van iemand die het kan lezen in de hoedanigheid van niet-kunstenaar of in de hoedanigheid van kunstenaar. En die niet-kunstenaar kan zich ook kunstenaar voelen, of inbeelden kunstenaar te zijn. Waar ligt de grens van het kunstenaarschap en het niet-kunstenaar zijn? Dat was de vraagstelling.

K.B./D.P.: En wat was voor jou het antwoord op die vraag?

P.V.S.: Het zijn twee posities die in of over elkaar kunnen schuiven.

K.B./D.P.: Het werk gaat in zekere zin over inclusie/exclusie, min of meer als gevolg van jouw ervaring naar aanleiding van de tentoonstelling in De Klok?

P.V.S.: Ja.

K.B./D.P.: De tekst is geschreven in het Nederlands en het Frans. Was dat een statement?

P.V.S.: Het is een vorm van polarisatie. Maar in die wiskundige formules is de taligheid verdwenen. Het wordt een teken. De duale structuur is opgeheven.

K.B./D.P.: Op de centrale pagina’s van je bijdrage aan de publicatie verschijnt opnieuw de ellips.

P.V.S.: Ja, en andere figuren, de halve maan bijvoorbeeld. Het zijn ruimtelijke vlakken die ontstaan bij een eclips.

K.B./D.P.: De publicatie is uitgegeven door Anny De Decker.

P.V.S.: We vroegen ons af waar we het tijdschrift zouden presenteren. We hebben Anny gevraagd of zij dat op zich wilde nemen. Ze heeft gewoon haar naam laten gebruiken.

K.B./D.P.: De publicatie is in de Wide White Space gepresenteerd?

P.V.S.: Ja. Anny was reeds gestopt met de Wide White Space maar ze had zin om boeken en uitgaven te produceren. Daarna heeft ze nog een aantal edities verzorgd, onder andere van Guy Mees en Henk Visch.

K.B./D.P.: Van het ‘tijdschrift’ is slechts één aflevering verschenen?

P.V.S.: Het was de bedoeling om meerdere nummers uit te brengen, maar het is bij een aflevering gebleven.

K.B./D.P.: Hoe heb je Guy Rombouts eigenlijk leren kennen?

P.V.S.: Via zijn vriendin, Linda Greeve, die bij Anny De Decker in de Wide White Space werkte als studente.

K.B./D.P.: Jij hebt de eerste stappen van Guy Rombouts in de kunstwereld van dichtbij meegemaakt.

P.V.S.: Ja, een van zijn eerste werken maakte hij in mijn atelier: Geen kat die zich hierin interesseert. De ‘g’ van ‘geen’ hadden we van kaviaar gemaakt. We dachten dat die kat dat snel zou opeten, uiteindelijk lukte het alleen met filet americain.

K.B./D.P.: Dat werk stelde Rombouts tentoon in 1979 in de tentoonstelling Actuele Kunst in België. Inzicht/Overzicht – Overzicht/Inzicht in het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent. Ook Jef Somerlinck nam aan die tentoonstelling deel.

P.V.S.: Aan de kunstenaars werd gevraagd of ze andere kunstenaars kenden die met interessant werk bezig waren. Ik heb het werk van Jef genoemd.

K.B./D.P.: In 1980 vindt de tentoonstelling 1980 plaats in het ICC te Antwerpen. Zowel jij als Guy Rombouts waren uitgenodigd. Wat heb jij getoond in 1980?

P.V.S.: Twintig onregelmatige tienhoeken, waarvan tien verdeeld waren in tien vlakken die in tien kleuren geschilderd waren. De tien andere tienhoeken waren gekleurd met de mengeling van de tien kleuren. Daarnaast toonde ik ook tien stukken blauw gekleurd glas in de koepelvormige erker die op de binnenkoer van het ICC uitgaf.

K.B./D.P.: De gouachen zijn geïnspireerd door het decimaal stelsel?

P.V.S.: Ja. Ik was een hele tijd bezig geweest met de ellipsvorm. De ellips is bifocaal, duaal. Ik wilde verder raken dan die dualiteit. Maar hoe moet je dat doen? Hoe stel je dat voor? De wereld is één groot geheel dat uit zoveel entiteiten bestaat. Om dat uit te drukken moest ik een systeem ontwikkelen dat die oneindigheid of onbeperktheid kan voorstellen. Dat is mogelijk met het decimaal systeem, met de cijfers van nul tot negen. Met die cijfers kan je ‘permuteren’ tot in het oneindige. Het was de start van een hele reeks werken.

K.B./D.P.: Wanneer ben je begonnen met dat decimaal systeem?

P.V.S.: In 1974. Met naalden met gekleurde kopjes, tien groepen van tien naalden, een moment van eenheid en verscheidenheid die je geconcentreerd ziet in een object: een doosje met honderd naalden. Als je dat doosje opendoet, dan zie je in feite de oneindigheid.

K.B./D.P.: Guy Rombouts was op het einde van de jaren ’70 bezig met de eindige permutatie van drie letters.

P.V.S.: Ja, hij heeft mij ooit een outprint gegeven met alle mogelijke drielettercombinaties.

K.B./D.P.: Guy spreekt zelf over de invloed die jij op hem hebt gehad. Hij is er heel open over. Heb jij dat ook zo ervaren? Dat jij hem verder kon brengen in zijn kunstenaarschap?

P.V.S.: Hij was erg bezig met letters, vanuit zijn achtergrond als typograaf en drukker. Hij heeft op een gegeven moment de sleutel gevonden om zijn lijnstukken-alfabet, het Azart, heel serieel, maar ook los op te vatten. Ik denk dat ik daar een rol in heb gespeeld.

K.B./D.P.: Jullie kwamen vaak bij elkaar. Gaven jullie veel feedback op elkaars werk?

P.V.S.: We gingen samen uit en praatten veel. Maar niet over ons werk. Kunstenaars spreken niet rechtstreeks over hun werk, maar er ontstaat een soort metataal. Er ontstaat herkenning.

K.B./D.P.: Kan je daar wat meer over zeggen?

P.V.S.: Je observeert samen de werkelijkheid en je hanteert dezelfde taal om die werkelijkheid te beschrijven. Je ontwikkelt een gemeenschappelijke taal. Op een bepaald moment moet je niets meer zeggen; je weet van elkaar dat je de werkelijkheid op dezelfde manier begrijpt. Er is een gemeenschappelijk begrip over wat je ervaart of ziet, zonder daar woorden aan vuil te moeten maken.

K.B./D.P.: Is het een gemeenschappelijke esthetica?

P.V.S.: Nee, met de oeuvres heeft het niets te maken. Het heeft te maken met herkenbaarheid, met humor ook. Je deelt bepaalde ervaringen, je denkt er op dezelfde manier over, zonder dat het zelfs tot een articulering moet komen. Dat is een metataal voor mij. Het wordt allemaal tamelijk abstract. Het gaat naar een zekere essentie. Hoe mager, hoe kaler die essentie wordt, hoe mooier ze wordt.

K.B./D.P.: Waarom klikte het tussen jou en Rombouts?

P.V.S.: Guy heeft een enorme affiniteit met objecten. Ik heb ook die gevoeligheid om naar objecten te kijken, maar ik ben absoluut geen verzamelaar. Ik kwam bij hem en ik zag al de dingen die ik overal zie en die prachtig zijn, maar die ik gewoon laat liggen.

K.B./D.P.: Denk je te weten wat hem fascineerde in jouw werk?

P.V.S.: Dat is een moeilijke vraag… Misschien in de openheid van de series die ik op dat moment maakte. Een reeks bood voor mij altijd een opening naar een volgende reeks.

K.B./D.P.: Hadden jullie gemeenschappelijke inspiratiebronnen? Rombouts noemde Vantongerloo als een groot voorbeeld.

P.V.S.: Vantongerloo heeft me geïnspireerd, meer dan iemand anders.

K.B./D.P.: Praatte jij er met Guy over?

P.V.S.: Ja, over de eenvoud in het werk van Vantongerloo.

K.B./D.P.: Hoe is de uitwisseling met Rombouts geëvolueerd?

P.V.S.: Niet goed.

K.B./D.P.: Wat is er gebeurd?

P.V.S.: Op een gegeven moment wou Anny De Decker een uitgave maken, met Guy en mij, met Guy’s alfabet en met mijn werk dat gebaseerd was op het decimaal systeem.

K.B./D.P.: Dat project is niet van de grond gekomen?

P.V.S.: Toch wel. De uitgave bleef evenwel beperkt tot het Azart. Onder de imprint ADD heeft Anny het Azart-woordenboek uitgegeven. Ik wist van niets. Er was me niets gezegd.

K.B./D.P.: Heb je er met Guy ooit een gesprek over gehad?

P.V.S.: Nee.

K.B./D.P.: Is jullie relatie dan geëindigd?

P.V.S.: Er was een verwijdering: de concurrentie won het van de uitwisseling. Een breuk zou ik het niet noemen, maar van vriendschap was evenmin nog sprake. Als de status van je vriend verandert, verandert vaak ook de relatie met die vriend of verdwijnt zelfs die relatie. Het heeft mij heel sterk verbaasd dat het zo is kunnen lopen…

 

Transcriptie: Iris Paschalidis

Redactie: Koen Brams