Lynne Van Rhijn

DE WITTE RAAF

Editie 131 januari-februari 2008

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Daniel Richter

In samenwerking met het GEM en de Hamburger Kunsthalle stelde Daniel Richter (Eutin, 1962), een van de sterren van de hedendaagse schilderkunst, afgelopen zomer een reizende overzichtstentoonstelling van zijn werk samen. Het GEM en moederinstantie het Gemeentemuseum Den Haag schenken al langer speciale aandacht aan schilderkunst van Duitse bodem. Afgelopen jaar toonde het GEM nog hedendaagse Duitse schilders tegenover Nederlandse en was in het Gemeentemuseum een selectie te zien uit de collectie Duitse schilderkunst vanaf 1900. Een solo van Matthias Weischer volgt binnenkort. Duitse hedendaagse kunst, en met name de schilderkunst, geniet momenteel internationaal behoorlijk wat belangstelling en parallellen met een beweging als de britart liggen voor de hand.

In tegenstelling tot de Britse hype zou veel van de huidige Duitse kunst zich laten kenmerken door een duidelijk politiek bewustzijn. In het werk van Richter is dat zeker het geval. Toen hij zich op 29-jarige leeftijd inschreef aan de Hochschule der Bildenden Künste in Hamburg had Richter er al een carrière alsAutonom en punker op zitten. Zijn idealisme verloor in de loop der jaren zijn utopische trekjes, maar nog steeds zien we in het figuratieve deel van zijn oeuvre een sterke maatschappelijke betrokkenheid en een actueel politiek bewustzijn.

Het figuratieve werk is veelal gebaseerd op krantenfoto’s, maar verliest in de omzetting in verf zijn specifieke tijd en plaats. Richter zegt dat zijn werk geen mysteries bevat, dat je door goed te kijken kunt zien waar het over gaat. Toch is het onderwerp vaak helemaal niet zo helder. De dramatisch ogende gebeurtenissen dwingen de beschouwer tot een interpretatie. In Captain Jack (2006) bijvoorbeeld zien we een groep wanhopige mensen kijken naar een man met pistool die lege velletjes papier laat vallen. Wie de personages zijn, weten we niet precies en wat de handeling zo verschrikkelijk maakt, is moeilijk aan te wijzen. Het gaat Richter niet zozeer om een specifieke mens, maar om dé mens. We zien het idéé van angst, van een gefaalde maatschappij.

De ommezwaai van abstract naar figuratief in het jaar 1999, waarbij ook zijn maatschappelijk geëngageerde houding zichtbaar werd, is een vast onderdeel van Richters succesverhaal. In Hamburg, waar de huidige expositie chronologisch was opgebouwd, moet die overgang wederom een bepalende rol hebben gespeeld. In Den Haag is juist gepoogd, aldus curator Doede Hardeman, te benadrukken dat de lijn tussen abstract en figuratief in feite maar dun is. Het werk is daarom opgehangen zonder chronologische ordening.

In de kelderzalen stuiten we op posters en elpees die een indruk geven van Richters beeldarchief. Punk en strips herinneren ons eraan dat we niet al te serieus naar het werk moeten kijken. Met dat idee is volgens de curator ook een olieverfschets opzettelijk fout opgehangen, overlappend met een geprojecteerd nieuwsitem over Richter. Richter heeft een boodschap, maar serveert deze met nonchalance, in een saus die de inhoud aantrekkelijk en toegankelijk maakt. Misschien is zijn voornaamste interesse, ook na 1999, toch de organisatie van het doek gebleven, in vorm en kleur, veel kleur. De doeken spetteren van vitaliteit. En steeds duiken tegenstellingen op als strak versus schetsmatig en donker versus fluorescerend. Ornamentele graffiti-invloeden leven hier vredig naast losse Pollockspetters.

In zijn verstandige catalogustekst wijst Christoph Heinrich op de rode draden in het oeuvre, zowel de abstracte als de figuratieve doeken. Elementair is bijvoorbeeld de voortdurend onderstreepte gekunsteldheid in het werk. Door kleine onwaarschijnlijkheden in de voorstelling “wordt de dramatiek van het gebeuren ontmaskerd […] en het tijdruimtelijk universum verlaten”. In de abstracte doeken uit zich dat in nadrukkelijk vormgegeven delen. Zo compenseert Richter een teveel aan spontaan ogende gestes met zorgvuldig getrokken contourlijnen.

Die benadrukte gekunsteldheid is ook een van de manieren waarop Richter zich bewust toont van de geschiedenis van de ooit ten dode opgeschreven schilderkunst. Richter was assistent van Albert Oehlen en refereert in interviews geregeld aan Martin Kippenberger, schilders die het medium ontdeden van hun oude mystieke aura. In de serie van drie kleine doeken zonder titel bij de entree, uit 2005, blijkt Richters eigen statement over schilderen te schuilen. Driemaal zien we een figuur in een strak superheldenpak in een stedelijk ruïnedecor. Juist buiten de spotlights staat hij vol overgave luchtgitaar te spelen, zijn hele lichaam gericht op de kicks van de denkbeeldige muziek die hij maakt en hoort. Vol enthousiasme, maar zonder potentie. Een krachtiger statement over de schilderkunst in deze tijd is moeilijk denkbaar.

 

• Daniel Richter tot 24 maart 2008 in GEM, museum voor actuele kunst, Stadhouderslaan 43, 2517 HV Den Haag (070/33.811.33; www.gem-online.nl).