Mariska Beljon

DE WITTE RAAF

Editie 132 maart-april 2008

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Jeroen de Rijke / Willem de Rooij

Bijna twee jaar geleden kwam er met het overlijden van Jeroen de Rijke een abrupt einde aan het uiterst consistente en opmerkelijk beperkte oeuvre van het Nederlandse kunstenaarsduo De Rijke / De Rooij. Op de benedenverdieping van het statige K21 is momenteel het eerste deel van een door Willem de Rooij samengestelde overzichtstentoonstelling van hun werk te zien. Het overzicht in Düsseldorf werd kort na de opening raak getypeerd door Hans den Hartog Jager die de precisie van het werk als intimiderend omschreef, “alsof De Rijke en De Rooij vanuit hun perfecte, beheerste universum wat neerbuigend neerkijken op het krabbelende voetvolk”. Het “gevoel dat je iets ontglipt” wordt nog eens in de hand gewerkt door de opzet van de expositie: De Rooij koos namelijk voor een tweeledige overzichtstentoonstelling, waarbij het tweede deel vanaf 20 april in het Museo d’Arte Moderna in Bologna te zien is. In Bologna zal een andere groep werken worden getoond die het overzicht in Düsseldorf complementeert. Hierdoor kun je de overzichtstentoonstelling nooit als geheel overzien. Van het gelaagde, bredere kader van de expositie kan je je enkel in retrospectie een beeld vormen.

De tentoonstelling in K21 omvat vier kernen, te weten de twee filmwerken Mandarin Ducks (2005) en The Point of Departure (2002), de ogenschijnlijk eenvoudige maar sterk politieke dia-installatie Orange (2004) en de voor het eerst gepresenteerde fotoserie Light Studies I-VII (2005-2007). Bij het filmwerk Mandarin Ducks (2005) worden objecten en documenten uit de collectie van het Stedelijk Museum Amsterdam getoond, die het werk vergezelden toen het daar gepresenteerd werd. Daarnaast is er in K21 een gedeeltelijke reconstructie van de in Bregenz gepresenteerde expositie Together (2005). Tot slot laat De Rooij een wandvitrine zien waarin een filmblik ligt. Volgens het bijschrift bevindt zich op het belichte, maar niet ontwikkelde Kodak filmmateriaal de film The Raven Robbed of his False Feathers (1998).

De presentatie van de werken in Düsseldorf is uiterst precies. De twee films – die respectievelijk 36 en 26 minuten duren – worden bijvoorbeeld niet op een televisie of als loop getoond, maar direct op de wand en op gezette tijdstippen. De filmzalen zijn slechts gevuld met een zestal simpele, maar op de millimeter nauwkeurig geplaatste banken. Zo eist De Rooij alle aandacht op voor het werk.

The Point of Departure is al even accuraat. Het duo filmde hiervoor een 19de-eeuws Kaukasisch tapijt uit de collectie van het Rijksmuseum. Allereerst nestelt de camera zich haast letterlijk tussen de vezels en lussen van het kleed. Vervolgens zoomt de lens langzaam steeds iets uit, waarbij de rijkdom van de geknoopte motieven een heel landschap lijkt te omvatten. Tegen het einde van de film cirkelt het tapijt als een archaïsche platte kosmos om zijn as en verdwijnt het uiteindelijk traag in een oneindige zwarte leegte. De Rijke en De Rooij drukken met dit werk hun waardering uit voor de aandacht waarmee de dingen gemaakt worden, terwijl ze tegelijkertijd beseffen dat zij ondanks hun minutieuze ‘beschrijving’ en aftasting van het object er geen werkelijke toegang tot krijgen. Het duo refereert bij een uitleg over de film aan Infelicities: representations of the Exotic (1998) van de Engelse antropoloog Peter Mason, die in zijn publicatie het exotische, uit zijn context gehaalde object omschrijft, dat in feite “nergens meer thuis is”.

Ook in de film Mandarin Ducks – een melodrama dat de onderhuidse spanningen van een zondags familie-rendez-vous op wrange en ontregelende wijze in beeld brengt – lijkt het duo met de exotische rekwisieten te verwijzen naar Masons theorie. De talloze zorgvuldig gekozen objecten getuigen van een hoge mate van exotische decadentie: “een zin voor luxe die eigenlijk veredelde kitsch is”, volgens De Rijke en de Rooij (gesprek met Dominic van den Boogerd, Metropolis M, 2005, nr. 4). Tegelijkertijd staat het theatrale werk bol van de referenties aan persoonlijke familiale ervaringen, politieke uitspraken of verwijzingen naar de films van Fassbinder en John Lantings Theater van de lach (1975).

Mandarin Ducks werd voor het eerst in 2005 op de Biënnale van Venetië gepresenteerd. Een jaar nadien toonde het duo het werk opnieuw in het Stedelijk Museum in Amsterdam, ditmaal in samenhang met een aantal collectiestukken die volgens de kunstenaars richtinggevend waren voor de totstandkoming van de film. Het werk werd in dialoog gebracht met twee schilderijen van James Ensor, een lithoserie van Kurt Schwitters, een aantal kubistische constructies uit de jaren ’70 van Slothouber en Graatsma, het Elling Buffet van Rietveld en een televisiebewerking van Lantings klucht Hé, mag ik mijn echtgenote terug.

De Rooij heeft de objecten in K21 opnieuw geïntegreerd in de presentatie; de ‘heropvoering’ van de expositie beslaat zelfs een groot deel van de benedenverdieping van het museum. De kunstenaar omschrijft dit tentoonstellingsconcept als het droste-effect – naar het repeterende visuele motief op de cacaoblikken van de Hollandse firma Droste. De Rooij lijkt dit concept op de spits te willen drijven met de uiterst ambigue Mandarin Ducks-presentatie, de integratie van het werk Together, de overige, talrijke directe en indirecte referenties en het feit dat de expositie tweeledig is. Deze elementen maken dat het eerste deel van het overzicht functioneert als een nauwgezet spel in een spel – of zoals een hoofdpersoon in Mandarin Ducks het uitdrukt: een “babushka of realities” – waarbij de verschillende betekenislagen zich nooit volledig laten onthullen.

• Jeroen de Rijke / Willem de Rooij tot 13 april in K21, Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen, Ständehausstraße 1, 40217 Düsseldorf (0211/8381.601; www.kunstsammlung.de).