DE WITTE RAAF

Editie 132 maart-april 2008

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Santhal Family. Stellingen omtrent een Indiase sculptuur

Hoe introduceer je de hedendaagse kunst van zo’n reusachtig land als India in het Westen? Met Santhal Family heeft het MuHKA fors uitgepakt en er een hele verdieping aan gewijd. Veel werken zijn speciaal voor de tentoonstelling in opdracht van het MuHKA gemaakt. De makers van Santhal Family (MuHKA-curator Grant Watson werkte hiervoor samen met Suman Gopinath en Anshuman Dasgupta, beiden afkomstig uit India) legden hun tentoonstelling echter meteen al een fikse beperking op door hem afhankelijk te maken van één enkele beeldengroep: de Santhal Family, gemaakt in 1938 door de Bengaalse beeldhouwer Ramkinkar Baij. De beeldengroep is om “fysieke redenen” slechts gerepresenteerd via een historische documentaire over Baij en zijn werk door diens vriend, de befaamde Bengaalse filmmaker Ritwik Ghatak. Baij maakte de Santhal Family voor de campus van Santiniketan, de school die Rabindranath Tagore, de grote Indiase dichter, in het begin van de 20ste eeuw oprichtte in wat nu West-Bengalen is, en waaraan ook een kunstacademie was verbonden. Baij was er leerling en docent. Hij introduceerde als een van de eersten een moderne beeldhouwkunst in India in een stijl die in de lijn lag van Lipchitz en Picasso. Het bijzondere van de beeldengroep van de Santhal Family is het onderwerp: de arbeidermigranten van de Santhal, een Bengaalse stam die al in de 19de eeuw tegen de Britten in opstand kwam. De samenstellers van de tentoonstelling nemen dat eigen Indiaas modernisme – weg van het kolonialisme, gericht op het heroïsch-alledaagse, Indiase – als uitgangspunt van de tentoonstelling.

In de inleiding van de catalogus beroept curator Grant Watson zich erop dat hij geen kunstgeschiedenis wil bedrijven. De beeldengroep is de ene keer een “backdrop”, dan weer het voorwerp van “close reading” en wordt uiteindelijk ook gebruikt om een relatie met het heden te leggen. Zo werd een aantal jongere, niet-Indiase kunstenaars gevraagd “te reageren op”, dat wil zeggen werk te maken naar aanleiding van de Santhal Family. Voor die minder kunsthistorische aanpak beroept Watson zich op de argeloze “first time viewer”, hoewel de teksten in de catalogus beslist niet voor de “first time reader” bedoeld zijn.

Als subteksten van de tentoonstelling komen in de catalogus de kwestie naar voren van de (on)mogelijkheid van de (zelf)representatie van het subalterne subject, en de aandacht voor de historische Indiase radicale, met name communistische bewegingen, die de samenstellers willen verbinden met (vormen van) hedendaags activisme in de kunst. De geschiedenis van Indiase kunstenaarscollectieven levert verreweg het interessantste deel van de tentoonstelling op. De samenstellers hebben zich behalve op (West-)Bengalen vooral op Kerala gericht, misschien omdat Kerala de eerste communistische deelstaat was. De lijn begint met Tagore’s kunstacademie, uitgebeeld in een zouteloze installatie door de Poolse Goshka Macuga (een van de kunstenaars die “reageren op”) en loopt via de buitengewoon interessante “Indian People’s Theatre Association” (IPTA), in de jaren ’40 opgericht door het culturele front van de Indiase Communistische Partij, naar de jaren na de onafhankelijkheid. Die worden gerepresenteerd in een gefilmd interview met de Bengaalse schrijfster Mahasweta Devi, activiste en voorvechtster van de rechten van tribale stammen als de Santhal. Ze schreef meer dan honderd boeken, onder meer The Mother of 1084 over de boerenopstand van de Naxalieten, de maoïstische tak van de Indiase communisten. Via een uitgebreide presentatie van de Kerala Radicals, opgericht in 1985, komen we in het heden, vertegenwoordigd door het Raqs Media Collective (met een schitterend werk) en het tweemanscollectief Calcutta Art Research, met films uit hun archief over verdwijnende tradities in Calcutta.

Een terugkerend euvel in de tentoonstelling is het gebrek aan context, nochtans een noodzaak voor de presentatie van kunst uit zo’n onbekend gebied. Zo wordt niet ingegaan op de relatie van individuele beeldhouwers met de Indiase beeldhouwkunst in het algemeen. In de catalogus ontbreken een analyse en zelfs cruciale informatie over een groot aantal kunstenaars; de werken moeten het op hun eentje zien te redden.

De presentatie van werk van een drietal oudere kunstenaars – Reba Hore, Meera Mukherjee en Vivan Sundaram – suggereert een historische lijn in de beeldhouwkunst. Maar de mooie kleine sculpturen van Reba Hore (Bengalen, 1923) staan er verweesd bij. De in 1998 overleden Bengaalse beeldhouwster Meera Mukherjee is om onduidelijke redenen vertegenwoordigd met een paar onbelangrijke borduurwerkjes en van Vivan Sundaram (Delhi, 1943), de eerste Indiase ‘installatiekunstenaar’ en internationaal bekend, is er een (op piepklein LCD scherm getoonde) video.

Voor de jongere kunstenaars lijken nu eens hun banden met Santiniketan, West-Bengalen of Kerala de doorslag te hebben gegeven, dan weer een vorm van activisme. Er zijn mooie werken bij, zoals de intrigerende halffiguren van rode klei van Boran Handsa, die zelf tot de Santhal behoort, en de zeer bijzondere schilderijen en installaties van de kunstenares N.S. Handsa. Een flink aantal werken had naast een inhoudelijke ook een visuele context moeten krijgen, zoals het project voor de te bouwen kunstacademie van Valsan Koorma Kolleri. Ook van het handjevol niet-Indiase kunstenaars blijft (in de tentoonstelling én de catalogus) geheel onduidelijk wie waarom is geselecteerd, al is de film van het collectief Otholith, dat Pasolini, India en Palestina verbindt, nog zo bijzonder.

Tot slot zijn er verschillende inhoudelijke tekortkomingen en inconsequenties. Ten eerste wordt in het hedendaagse gedeelte niet duidelijk wat ‘activisme’ in de actuele kunst in India inhoudt. Het is al even onbegrijpelijk dat, ondanks de uitgebreide verwijzing in de catalogus naar het subalterne subject, de uitzonderlijke rol van vrouwen in de Indiase kunst niet wordt gethematiseerd, hoewel er heel veel werk van vrouwen in de tentoonstelling is. Er is, sterker nog, geen overzicht mogelijk van de Indiase kunst – modern én hedendaags – zonder werk van vrouwen. Daarenboven wordt de preoccupatie van de curatoren met links-radicale en communistische groepen ondermijnd door hun eigen historische uitgangspunt. Baij was niet links-radicaal, evenmin als Tagore. Dus wringen de samenstellers zich in bochten om een (marxistische) maatschappijkritiek te koppelen aan een gedachte die beter aansluit bij het werk van Baij: die van de humanistische “family of man”. Die ideologische tegenstrijdigheid, evenals het gebrek aan een duidelijke stellingname, en de overdaad aan gegevens en associatiemogelijkheden, maken dat de tentoonstelling in een wazig globalisme verzandt.

De inrichting van de tentoonstelling, tenslotte, is evenmin gelukkig. Wat, ondanks het gebrek aan inhoudelijke cohesie, visueel toch nog opwindend had kunnen zijn, is een onafzienbare woestijn van beelden en beeldjes geworden, afgewisseld door hier en daar een tent met een filmvertoning. Santhal Family is een tentoonstelling met veel interessante gegevens en mooie werken, die van alles aanstipt, maar geen evenwichtig beeld van de Indiase kunst oplevert.

Santhal Family. Stellingen omtrent een Indiase sculptuur tot 4 mei in het MuHKA, Leuvenstraat 32, 2000 Antwerpen (03/260.99.99; www.muhka.be). De tentoonstelling reist in 2008-2009 door naar India.