Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 133 mei-juni 2008

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Retrospectieve Louise Bourgeois in het Centre Pompidou

De wereld van Louise Bourgeois is zowel een open boek als een enigmatisch universum. Geboren in een begoede Parijse familie met een hardwerkende moeder en een libertijnse vader maakt ze de trauma’s, de haat en de wraakgevoelens uit haar kinderjaren tot onderwerp van haar oeuvre. Hiervoor gebruikt ze de meest uiteenlopende technieken en materialen. Ondanks de gevarieerde uitdrukkingsmiddelen vormt haar oeuvre een vrij coherent geheel. Haar uitgangspunt is de menselijke figuur, of beter zijn lichaam, dat herleid wordt tot zijn organen en hun omhulsel. Het lichaam is een zak gevuld met vlees. Twee archetypen duiken regelmatig op, dat van het huis en dat van de spin. Het huis is het ouderlijk huis, vol geheimen en intriges, onuitgesproken spanningen en nooit uitgevochten conflicten. De spin is de moeder. Haar huis is haar web. Het familiebedrijf van de Bourgeois restaureerde oude wandtapijten. Terwijl de vader op reis was voor zaken en galante avonturen bleven moeder en dochter thuis om te spinnen en te weven. Was de zakenman ruimdenkend, dan bleken zijn klanten eerder preuts. Louise vertelt dat haar belangrijkste bezigheid als jong meisje erin bestond om het geslacht van de vele putti op de tapijten uit te knippen en te vervangen door een zelfgeweven bloemstuk. In dit uitsluitend vrouwelijk milieu van naaisters was castratie een dagdagelijkse bezigheid.

In de jaren ’30 studeerde Louise Bourgeois aan de Ecole du Louvre en bij Fernand Léger die haar aanmoedigde om te gaan beeldhouwen. In 1938 huwde ze de Amerikaanse kunsthistoricus Robert Goldwater. Als een van de eersten wist hij met zijn in hetzelfde jaar verschenen Primitivism in Modern Painting een duidelijk verband te leggen tussen de moderne en de primitieve kunst. De vroege sculpturen van Louise Bourgeois zijn duidelijk geïnspireerd op totems en haar volledige oeuvre heeft de status van fetisj. In New York maakt ze tijdens de oorlog kennis met de naar Amerika uitgeweken surrealisten.

Eerder schatplichtig aan de primitieve kunst en het surrealisme dan aan het modernisme, affirmeert ze progressief een vrouwelijke gevoeligheid en een eigen persoonlijkheid. In haar vroege tekeningen en schilderijen uit de jaren ’40 behandelt ze in relatie tot het zelfportret thema’s als het moederschap, de geboorte of de kindertijd. Behendig laveert ze tussen een autobiografische anekdotiek en een universele herkenbaarheid. Haar oeuvre balanceert tussen angst en fascinatie voor de tegengestelde strevingen van het menselijk wezen, dat tegelijk agressief en sensueel is, dat geleid wordt door dierlijke instincten en beperkt door maatschappelijke verbodsbepalingen. De installaties vertolken herinneringen aan eenzaamheid, kwetsbaarheid en pijn, maar getuigen ook van haar sterkte en haar vitaliteit. De dwingende ensceneringen van haar theatrale environments plaatsen de toeschouwer in een positie van voyeur of medeplichtige. Haar belangstelling voor het seksuele heeft zowel fysieke als psychoanalytische connotaties. Haar werk heeft iets van exorcisme, van een therapeutisch ritueel met catharsis.

De retrospectieve tentoonstelling spreidt zich uit over het hele gebouw. Ze begint bij een bronzen spin op het gelijkvloers en eindigt op de hoogste verdieping met een chronologisch overzicht. In de vaste collectie staat Precious Liquids (1992), een houten ton met daarin een bed en een vreemde assemblage van glazen bokalen, waarmee ze in 1992 op de negende documenta te zien was. In het cabinet d’art graphique werd onder de titel Tendres compulsions een kleine maar precieuze keuze gemaakt uit zeer recente sculpturen en werken op papier. Figuurtjes uit hout, latex of textiel zijn soms met spelden doorstoken. Het rustige werk met de naald (breien, borduren of naaien) krijgt hier openlijk iets fetisjistisch.

Dat er van haar artistieke activiteiten een therapeutische kracht uitgaat is onmiskenbaar. Haar atelier installeerde ze op het dakterras van haar New Yorkse woning. Verteerd door heimwee en rouwend over Frankrijk maakte ze hier in alle vrijheid haar eerste sculpturen. Verticale beelden, rechtstreeks gekapt in hout, totems, personages en fetisjen waarin de geest van Brancusi en Giacometti nog duidelijk aanwezig is. Ze verbeelden de geliefden die ze in Frankrijk achterliet en waarvan ze het gemis niet durfde te onderkennen. Haar verdriet en haar onvermogen worden in een soort van exorcisme op deze voorwerpen overgebracht. Door haar angsten vorm te geven leert ze ze beter te beheersen.

In de jaren ’60 keerde ze zich naar soepeler materialen als plaaster, latex en rubber, waardoor haar werk een meer organische vorm krijgt. Vrouwelijke vormen worden landschappen en omgekeerd. Sensuele rondingen krijgen iets weerzinwekkends. De zachte materialen worden omgezet in koude marmer. Uit deze periode stammen ook haar meest erotische sculpturen als Janus fleuri (een dubbele fallus) en Filette, de bronzen penis op formaat van een baby waarmee ze wereldberoemd werd, weliswaar dankzij de foto van Robert Mapplethorpe, die ook bijdroeg tot haar ‘rebelse’ reputatie. In een andere configuratie hangt dezelfde fallus (ditmaal in latex) als een gevild rund aan een vleeshaak aan het plafond.

Ondanks haar maatschappelijk engagement voelt ze zichzelf geen feministe. Ze houdt het liever bij “een specialist van het vrouwelijke”. Zoals Duchamp in de jaren ’60 werd opgepikt door de popkunstenaars, zo werd Louise Bourgeois in de jaren ’80 plotseling een belangrijk rolmodel voor een nieuwe generatie vrouwelijke kunstenaars. In 1993, op haar tweeëntachtigste, vertegenwoordigde ze de VS op de biënnale van Venetië, wat meteen haar internationale doorbraak betekende. De reeks installaties van kooien of Cells die ze daarvoor speciaal realiseerde, vormen in het Centre Pompidou het corpus van de retrospectieve tentoonstelling.

Deze cellen zijn zowel architectuur als lichaam. Ze symboliseren zowel het huiselijke keurslijf als de kracht van de verbeelding. Ze zijn gevangenis, maar beschermen ook tegen de gevaarlijke buitenwereld. De toeschouwer kan ze niet betreden, maar er enkel als een voyeur naar binnen gluren. De kamers zijn gevuld met zeer expliciete symbolen als een marmeren kopie van haar geboortehuis in Choisy met een guillotine, het bed van de ouders en dat van de kinderen, spiegels en speelgoed, klossen met gesponnen wol en stukken wandtapijt.

Op haar zesennegentigste is Louise Bourgeois een oude meester – en “about suffering, they were never wrong, The Old Masters”. Op een matras in een van haar cellen borduurt ze “Art is the guarantee of sanity” en “pain is the ransom for formalism”. De autobiografische anekdotiek verdwijnt achter een intelligent, kritisch, wijs en bij momenten erg grappig discours over de complexiteit van de menselijke gevoelens, de verwarring van onze verlangens en de gevaarlijk troebele grens tussen angst en fascinatie. Of zoals ze het zelf op een geborduurde zakdoek formuleerde: “I have been to hell and back … and let me tell you, it was wonderful.”

 

Louise Bourgeois tot 2 juni in het Centre Pompidou, Place Georges Pompidou, 75004 Paris (01/44.78.12.33; www.centrepompidou.fr).