Birgit Cleppe

DE WITTE RAAF

Editie 134 juli-augustus 2008

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Peter Friedl in Extra City

Jetzt sieht man die Berge nicht, sie stehen irgendwo verborgen hinter der grauweissen Nebelwand. Wie het werk van de Oostenrijkse kunstenaar Peter Friedl onder de loep neemt, weze gewaarschuwd: de zieltogende kwaliteit van video-opnames, de naïeve banaliteit van kindertekeningen, de diaprojector die veel te dicht bij de wand staat en het zicht op het geprojecteerde verhindert… De kunstenaar lijkt zich niet geroepen te voelen om het museale bedje van de kunstliefhebber te spreiden.

De tentoonstelling Blow Job, die een selectie toont uit vroeger en recenter werk van Peter Friedl, doet door haar informeel en provisoir karakter erg fragiel en onsamenhangend aan. Drie witte wanden – twee ervan zijn eenvoudigweg gerecycleerd uit de vorige tentoonstelling – fungeren als vergaarplekken waar de werken op meedogenloos cumulatieve wijze naast elkaar gerangschikt worden: tekeningen uit Friedls kindertijd, dia’s die vroegere projecten documenteren en recenter werk zoals zijn video-installatie King Kong (2001) en zijn fotocollectie Theory Of Justice (2006-08). Die esthetiek van het schabouwelijke, of ‘the-little-bit-worse-esthetics’, zoals curator Anselm Franke het verwoordt, zit ook in het internetproject Blow Job (2001), dat de aanzet vormde voor deze tentoonstelling. Het is een anonieme blog die bulkt van de scenario’s, regieaanwijzingen en ‘dialogen voor zeven personages’ en die dienstdoet als ordenend principe voor de tentoonstelling. Resultaat is een radicale en ongestuurde opeenhoping van werken, waar de toeschouwer zich met de nodige inspanning door moet ploegen.

Vaak herneemt Friedl bestaande werken op een manier die ze hiëroglyfisch maakt. De installatie forty acres and a mule (2001) bevatte aanvankelijk een levende muilezel, maar behelst in de huidige tentoonstelling niet meer dan een mat in zwart dansvinyl. Van de oorspronkelijke aanwezigheid van de muilezel getuigen enkel nog wat stoffige hoefsporen. Dat het werk in feite verwijst naar een nooit nagekomen belofte uit 1863 van het Amerikaans Congres om alle bevrijde Afro-Amerikaanse slaven met een ezel en een lap grond in de mogelijkheid te stellen een eigen boerderij op te starten, valt enkel na te lezen in de folder die de tentoonstelling begeleidt.

Het voorbeeld is illustratief voor de politieke strategie die achter Friedls enigmatische beeldtaal schuilgaat. Friedl refereert aan een politiek feit dat zich in de periferie van de canonieke geschiedenis bevindt, en vertaalt dit naar een rigoureuze tweedeling van het beeld als politiek, historisch document en het beeld als esthetisch object. Een ander, zeer expliciet voorbeeld hiervan is zijn project Theory Of Justice, een chronologische reeks zwart-witfoto’s die deel uitmaakt van een grotere verzameling waaraan Friedl sinds 1992 werkt. Een kind met een verjaardagskroon gemaakt van eurobiljetten, een vrouw met een bordje dat de vrijlating van een gevangengenomen (ontvoerde?) Duitse vrouw bepleit of een handgeschreven boodschapLouis Riel, pray for him: de beelden verraden ontegensprekelijk een politieke betekenis, maar de toeschouwer belandt uiteindelijk telkens in een gat tussen de esthetiek van het gedecontextualiseerde beeld en het verhaal ‘erachter’. Friedl slaat het klassieke huwelijk tussen beeld en narratief genadeloos stuk. Dat belet niet dat zijn beelden ook overeind blijven zonder bijkomende informatie over de context waarnaar ze verwijzen.

Eenzelfde soort tweedeling tussen vorm en discours spreekt ook uit de plaatsing van de geïmproviseerdebookshop vlakbij de inkom, die de voornaamste catalogi en monografieën ter beschikking stelt. Ze maakt volwaardig deel uit van de constellatie – een term waaraan Friedl veel waarde hecht – van de werken in de tentoonstellingsruimte, maar tegelijk wordt deze verzamelplaats van discursief materiaal (boeken, teksten) als iets ‘aparts’ getoond, iets dat niet samenvalt met de esthetische vorm. Het tekstuele bekleedt overigens een bijzondere positie in Friedls kunstproductie en wordt ingezet als bypass om zijn werk – vaak esthetiserende operaties op beeldmateriaal – verder te documenteren.

Met de transformaties die hij uitvoert op eigen werk lijkt het alsof hij de tijd wil vangen die over zijn werk heen gaat. Meest typerend zijn de inkleurtekeningen waarmee hij Oostenrijk op de Biënnale van Venetië in 1999 vertegenwoordigde en die hij naar aanleiding van Blow Job tot één synthetisch beeld heeft herwerkt. Ook Kasperltheater (1964-2008)een overzichtswand met chronologisch gerangschikte tekeningen uit zijn kindertijd tot nu, is een steeds verder evoluerend werk. Deze anachronistische strategie laat Peter Friedl niet alleen toe vragen rond auteurschap en authenticiteit op te werpen, maar evenzeer om retroactief op zoek te gaan naar de manier waarop volwassenheid reeds in de kindsheid is aangekondigd. Net als de foto’s vanTheory Of Justice zijn eigenlijk alle kunstwerken van Friedl tegelijk esthetische objecten die uit hun oorspronkelijke context geplukt en volop bewerkt worden en historische documenten die een oeuvre constitueren dat bijna een apocriefe geschiedschrijving ambieert.

 

• Blow Job tot 27 juli in Extra City, Tulpstraat 79, 2060 Antwerpen (03/677.16.55;www.extracity.org).