Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 135 september-oktober 2008

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Beat Streuli

Al sinds 1988 worden stedelingen – zonder hun medeweten – over heel de wereld door de Zwitser Beat Streuli gefotografeerd. In Hornu heeft Streuli een tentoonstelling geënsceneerd van voornamelijk opnames uit Brussel. In de ruimtes van het MAC’s is dat niet vanzelfsprekend. Deze site vormde tot 1954 een kleine stad in de Borinage met arbeiderswijken en bedrijfsgebouwen. Na jaren van verval werd het complex Le Grand Hornu in 2002 omgebouwd tot museum voor actuele kunst door de Waalse architect Pierre Hebbelinck. Dat samengaan van ruïne en nieuwbouw is door Geert Bekaert omschreven als “een geheel dat de neiging vertoont alles om te toveren tot een esthetisch hoogstandje waaruit het leven verdwenen is”. (De Witte Raaf nr. 101) Streuli gaat de confrontatie met deze architectuur aan. In een museum dat tot stand is gekomen tussen de resten van de industriële revolutie, na een verbouwing die ‘chique’, ‘poëtisch’ en koket is, dat conform de politieke agenda Wallonië cultureel op de kaart moet plaatsen, toont nu een voyeuristische wereldreiziger beelden van individuen uit Brussel – individuen die zelden lachen, meestal letterlijk alleen staan, soms achterdochtig in de camera kijken, en die zonder uitzondering (in zoverre dat uit te maken valt) allochtoon zijn.

De interpretatie van het getoonde staat vrij. Maar sowieso dringt zich de vraag op hoe deze beelden kunnen worden getoond in ruimtes die vormelijk nogal luid om aandacht vragen. In de eerste zalen, na de ontvangsthal, toont Streuli grote prints van telkens één lichaam in het publieke domein (rond de Ninoofse Poort), tussen de auto’s, op het voetpad of langs een gevelrij. De beelden sluiten naadloos op elkaar aan, waardoor sommige elementen of gebaren doorlopen of contrasteren. Van een “choreografie met foto’s” spreken, zoals het pseudopoëtische tentoonstellingsgidsje doet, is echter wishful thinking: van een dergelijke ‘dynamisering’ is immers geen sprake, de wanden blijven statisch, of ze nu met beelden bekleed zijn of niet.

In de tweede zaal maken de foto’s zich middels panelen van 2 op 3 meter één centimeter van de muur los. Dit keer zien we beelden van wachtende mensen voor het centraal station van Guangzhou, in China. Ook hier hebben de beelden, in het daglicht en door de enscenering, een quasi documentair karakter. Pas als de beelden een eigen lichtbron krijgen, worden ze effectiever, zoals in het kabinet naast de tweede zaal. Op drie videoschermen ziet de toeschouwer hoe verschillende loops, met klank, naar elkaar verwijzen en in een bijna beklemmend intieme sfeer stedelijkheid tot iets zeer kleinschaligs maken, tot een zaak van ogen en minuscule bewegingen, terwijl men wacht tot het licht op groen springt. De dubbele video-installatie aan de voet van de monumentale trap werkt dan weer niet. De beeldschermen zijn niet meer dan details waarop men zich nauwelijks kan concentreren.

Het is, tot slot, in de brugzaal en de vierkante zaal dat Streuli zijn beelden als het ware tegen de architectuur aankleeft. In de langgerekte, nogal enerverende brugzaal hangen de foto’s zonder onderscheid boven en naast elkaar, als behangpapier zonder dikte, in een mozaïek die de wand bedekt. De stroom van mensen, gezichten en auto’s wordt onontkoombaar, precies omdat er nergens een stilstand of een afgerond geheel in zicht komt. Hetzelfde geldt voor de installatie in de vierkante zaal. De pathetiek die deze laatste ruimte in de museale enfilade bezit, als een dramatisch hoogtepunt dat nergens werd aangekondigd, wordt met beide handen aangegrepen door een opstelling met drie schermen van 6 op 9 meter. In hoge resolutie, in drie lussen van 16 minuten, zijn opnieuw gezichten te zien, gefotografeerd in de Nieuwstraat. Het lijken in de duisternis stralende billboards, die de eenentwintigste-eeuwse stedeling in de kijker zetten: misschien zonder publieke glimlach, maar dan toch in leven, mooi, waardig.

Streuli benadrukt in het interview in de catalogus dat ons gezicht een masker is en dat hij met zijn beelden niet over de mistroostige condition humaine wil reflecteren. Door letterlijk samen te smelten met de zware, nadrukkelijke architectuur-met-een-hoofdletter van het MAC’s en de donkere geschiedenis van de site, krijgen de beelden toch iets onheilspellends. Het worden sublieme tekens van een wereld die identiteiten met plaatsen blijft verbinden. De kolossale portretten verdwijnen na enkele ogenblikken. Het is – natuurlijk – interpretatie, maar de eindeloze reeks Brusselaars die door Streuli gefotografeerd zijn, lijken gered te moeten worden van hun eigen onzichtbaarheid.

 

Beat Streuli tot 19 oktober in het MAC’s, Rue Sainte-Louise 82, Grand-Hornu (065/65.21.21; www.mac-s.be).