Steven Humblet

DE WITTE RAAF

Editie 135 september-oktober 2008

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Snap Judgments

Met Snap Judgments – Nieuwe standpunten in hedendaagse Afrikaanse fotografie biedt het Stedelijk Museum van Amsterdam onderdak aan een erg ambitieuze tentoonstelling. In een alomvattend gebaar wil de expo een overzicht bieden van de hedendaagse fotografische praktijk van een heel continent. De cijfers waarmee de curator Okwui Enwezor uitpakt – ruim 180 beelden van 35 fotografen – lijken deze ambitie ook te kunnen ondersteunen, zelfs al laat hij de commerciële portretfotografie expliciet buiten beeld. Waarschijnlijk niet omdat ze commercieel is – met de Nigeriaanse fotograaf Andrew Dosunmu wordt ons immers het werk van een Afrikaanse mode- en reclamefotograaf gepresenteerd – wel omdat deze ondertussen al tot een cliché zou gestold zijn. De tentoonstelling, zo luidt de onderliggende boodschap, wil onze blik op de Afrikaanse fotografie bijstellen.

Of wil ze ons beeld van Afrika bijstellen? Het onderscheid tussen deze twee vragen is niet onbelangrijk. Kiest men voor de eerste vraag, dan zou de tentoonstelling een beeld moeten schetsen van de diversiteit aan fotografische praktijken. Kiest men voor de tweede vraag, dan wordt het fotografisch beeld vooral inhoudelijk gelezen. De eerste benadering veronderstelt een analyse van de manier waarop Afrikaanse fotografen beelden maken, distribueren en hoe de plaatselijke ‘markt’ daarop reageert, de tweede beperkt zich tot een sociologische en/of maatschappijkritische lectuur van wat het fotografische beeld toont. Het probleem van de tentoonstelling is dat ze nooit een duidelijke keuze maakt: nu eens lijkt ze inderdaad – zij het wat oppervlakkige – aandacht te hebben voor de specifieke Afrikaanse beeldcultuur (zoals in de presentatie van de krantenfoto’s van de Senegalese fotograaf Mamadou Gomis), dan weer verschuift alle aandacht naar de werkelijkheid achter het fotografische beeld (zoals in de – overigens uitstekende – documentaire reeks van de Zuid-Afrikaanse fotograaf Guy Tillim over een verloederde woonwijk in Kaapstad).

Dit voortdurend weifelen weerspiegelt zich ook in de onduidelijke selectiecriteria van de curator. Als men de lijst van fotografen overloopt, dan valt op dat een niet onaanzienlijk deel ervan weliswaar geboren is in Afrika, maar er niet langer werkt. Hun standplaats is Antwerpen, Amsterdam, Parijs, Londen of New York. Zelfs het onderwerp is niet altijd gebonden aan Afrika: de verstilde interieurbeelden van de in Amsterdam wonende en werkzame Zuid-Afrikaanse fotograaf Moshekwa Langa zijn ook in die stad gemaakt. Aan welke criteria moet een fotograaf beantwoorden om een plaats te krijgen in deze tentoonstelling? Blijkbaar is het simpele feit geboren te zijn in Afrika of af te stammen van Afrikaanse ouders (zoals bij Yto Barrada bijvoorbeeld) al voldoende om als Afrikaanse fotograaf te worden geboekstaafd. Indien dat inderdaad zo is, kan men dan nog een specifieke inhoud toeschrijven aan het woord ‘Afrikaans’?

Maar misschien is dat juist het punt dat de curator wenst te maken: de hedendaagse Afrikaanse fotografie heeft geen duidelijk afgelijnde identiteit meer. Volledig bepaald door migratie en de daaruit voortvloeiende culturele hybridisatie bespeelt de huidige generatie Afrikaanse fotografen een even divers palet aan fotografische praktijken als haar westerse tegenhanger. Strakke documentaire projecten worden afgewisseld met destabiliserende montagetechnieken, fotografie wordt vermengd met muziek en video, humanistische reportagefotografie wordt geflankeerd door mode- en reclamefotografie. Alles buitelt vrolijk en lustig door elkaar. Het werk Perfumes and Bazaar van de Egyptische kunstenares Lara Baladi is het meest extreme (maar tegelijkertijd ook nogal kitscherige) voorbeeld van deze inhoudelijke en formele ‘métissage’ van artistieke disciplines en maatschappelijke thema’s.

Een fotografe die het thema van migratie rechtstreeks aankaart, is de Frans-Marokkaanse antropologe-fotografe Yto Barrada. In haar werk komen niet alleen verschillende culturele achtergronden, maar ook verschillende disciplines samen: de documentaire kracht van fotografie wordt hier op een indrukwekkende manier gekoppeld aan antropologische inzichten in de opeenvolgende migratiegolven en de desastreuze effecten ervan op het Marokkaanse zelfbeeld. Ze kiest niet voor de sensationele berichtgeving van de westerse reportagefotografie (beelden van wanhopige gelukzoekers die op gammele scheepjes de gevaarlijke overtocht wagen of hartverscheurende scènes van de afgrondelijke armoede die mensen ertoe aanzet hun land te verlaten), maar voor lege beelden die de impact van dit wijdverbreide verlangen elders te zijn als een suggestieve echo laten oplichten. In haar beelden straalt de fantoompijn uit van dit geamputeerd land.

De tentoonstelling wil een ander Afrika tonen, een ontvoogd Afrika dat zich aan de exotische stereotypen van de Europese verbeelding heeft onttrokken. Zowel het beeld van een verdoemd Afrika, zoals we dat hebben leren kennen via de westerse reportagefotografie met haar eenzijdige aandacht voor lijden en geweld, als het beeld van een paradijselijk Afrika dat ons via natuurdocumentaires en toeristische brochures bereikt, moet het daarbij ontgelden. Wat daarvoor in de plaats komt, blijft echter zeer herkenbaar voor de westerse blik: de stedelijke verpaupering van Kaapstad of andere Afrikaanse grootsteden verschilt niet wezenlijk van de verpaupering van de Amerikaanse binnensteden. Afrika is niet langer een vervormende spiegel waarin Europa nu eens zijn duistere zelf (het geweld van de kolonialisering) dan weer zijn utopisch verlangen (in de aanlokkelijke figuur van de nobele wilde) herkent, maar is onze gelijke geworden. Afrika en Europa zitten beide gevangen in dezelfde spiraal van globalisering en culturele vermenging. In de reeks landschappen van de Nigeriaanse fotograaf Otobong Nkanga wordt dit thema verder uitgediept. Door Afrikaanse en Duitse landschappen met elkaar af te wisselen, maakt hij duidelijk dat er geen fundamenteel verschil meer is tussen beide landschappen (en dus tussen beide continenten). Het ene is niet minder historisch beladen dan het andere. De prijs die men voor deze gelijkheid moet betalen, is echter dat beide landschappen inwisselbaar dreigen te worden.

En precies deze inwisselbaarheid verontrust. Ze lijkt de Afrikaanse fotografie te beroven van een zekere uniciteit, van een prikkelend verschil dat wel nog aanwezig was (en is?) in de populaire, commerciële portretfotografie (met andere woorden, juist in die beelden die door de curator laatdunkend opzij werden geschoven). Een bezoek aan de prachtige tentoonstelling van de Afrikaanse fotograaf Malick Sidibé die op hetzelfde moment in het Amsterdamse FOAM loopt, kan dit hopelijk wat verduidelijken. Terwijl de modellen van Sidibé in eerste instantie zich maar al te gretig laven aan Europese voorbeelden – ze hullen zich in Europese gewaden, omringen zich met de modernste parafernalia (telefoon, fiets, motor…) uit de westerse cultuur – ontsnappen ze toch aan een steriele nabootsing. Ze spelen hun Europese rol zelfbewust en met de nodige kritische distantie. De identificatie met het Europese voorbeeld gebeurt nooit restloos. Steeds dikt het model zijn rol aan, maar de ontsporing grijpt op een gecontroleerde manier plaats, zonder het sérieux van de rol te ondermijnen. Met behulp van de portretfotograaf zoekt en vindt het model een tussenruimte waarin het avontuurlijke spel van afstand en toenadering zichtbaar kan worden gemaakt.

Waar Sidibé, en samen met hem nog een hele resem andere portretfotografen, nog expliciet de ruimte van het verschil opzoekt, lijkt dergelijk verlangen afwezig in de Afrikaanse fotografie die het Stedelijk Museum ons voorschotelt. Alleen in de multimediale installatie van de Marokkaanse fotografe Lamia Naji trilt dit verschil nog even na. De fotografische projectie toont een Sufi-seance bij de Gnawa-stam, terwijl op de achtergrond een westerse technodreun weerklinkt. Beeld en muziek lopen synchroon, maar vertellen wezenlijk een ander verhaal. De spirituele vervoering van het Gnawa-

ritueel en de dansroes in westerse muziektempels worden niet in elkaars verlengde geplaatst, maar schuren ongemakkelijk over elkaar heen. Hier zien we opnieuw een botsing van twee culturele kaders die elkaar nooit volledig zullen kunnen dekken.

 

Snap Judgments. Nieuwe standpunten in hedendaagse Afrikaanse fotografie tot 30 september in het Stedelijk Museum CS, Oosterdokskade 5, 1011 AD Amsterdam (020/573.29.11; www.stedelijk.nl). De tentoonstelling Malick Sidibé – Chemises loopt nog tot 8 oktober in het FOAM, Keizersgracht 609, 1017 DS Amsterdam (020/551.65.00; www.foam.nl).