Alied Ottevanger

DE WITTE RAAF

Editie 135 september-oktober 2008

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Piet Zwart Vormingenieur

Piet Zwart (1885-1977) en zijn werk lijken populairder dan ooit. Begin 2000 werd hij door BNO, de Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers, verkozen tot “de meest gezichtsbepalende ontwerper van de twintigste eeuw”. Zwarts keuken voor Bruynzeel uit 1938 is weer in productie en zowel zijn nieuwe als zijn vintage keukens vinden gretig aftrek. Ook internationaal wordt Zwart hoog aangeslagen. In 2006 was hij met grafische ontwerpen vertegenwoordigd op het prestigieuze overzicht van het modernisme in het Londense Victoria and Albert Museum.

De tentoonstelling die het Gemeentemuseum in Den Haag – het museum met de grootste Zwartcollectie – deze zomer aan Piet Zwart wijdde, lijkt dan ook volkomen op zijn plaats. Het dikke boek dat erbij uitgebracht is, vormt bovendien een welkome aanvulling op de literatuur over deze “vormingenieur”, zoals hij zichzelf graag noemde. Yvonne Brentjens verruimt met haar boek het overzicht van Zwarts ontwikkeling zoals dat bekend is sinds de eerste ‘inventariserende’ monografie die Kees Broos 35 jaar geleden schreef. Brentjens besteedt aandacht aan tot nu toe minder belichte aspecten en fasen: aan Zwarts jeugdwerk, dat behalve door de Duitse Jugendstil en de Wiener Werkstätte eveneens door het expressionisme van de Amsterdamse school lijkt te zijn beïnvloed, aan zijn internering in een gijzelaarskamp tijdens de Tweede Wereldoorlog en aan de meubels en ontwerpen die hij in de naoorlogse periode heeft gemaakt. Bovendien heeft Brentjens deze gelegenheid aangegrepen om het imago van deze vakman en van zijn oeuvre bij te stellen.

Het boek is prachtig vormgegeven en werd mooi en zinvol ingedeeld in min of meer thematische hoofdstukken die chronologisch zijn geordend. Wat opzet betreft, sluit het nauw aan bij het boek van Broos, die in zijn hoofdstukken een tweedeling aanbracht door de achtereenvolgende fasen uit Zwarts ontwikkeling te koppelen aan relevante uitspraken van Zwart. Brentjens hanteert een gelijkaardige tweedeling, waarbij ze Zwarts werk echter afzet tegen een internationale context. Elk hoofdstuk wordt voorafgegaan door een beknopt essay over een internationaal fenomeen dat vervolgens is te herkennen in het oeuvre van Zwart. In tegenstelling tot Broos plaatst Brentjens kanttekeningen bij het werk en de uitspraken van de ontwerper. Haar kritische opstelling voorkomt een beschrijving van Zwarts ontwikkeling ‘van binnenuit’, alsof het om een proces ging dat zich min of meer onafhankelijk van het artistieke milieu ontwikkelde. Dit levert nogal wat op. Zo toont ze aan dat een van Zwarts meest spectaculaire ontwerpen, die voor de jaarbeursstand van de eerste Nederlandse celluloidfabriek, naar alle waarschijnlijkheid niet uit 1921 dateert, maar van twee jaar later. Hiermee brengt zij Zwarts pioniersrol in een klap terug tot die van een alerte Nederlandse observator die vrij snel internationale invloeden oppikte en verwerkte. Ook haar feitelijke behandeling van Zwarts docentschap aan het Bauhaus, waar de kunstenaar zelf veel belang aan hechtte, is onthullend. Als ik Brentjens goed begrijp, heeft Zwart daar in totaal maar twee dagen lesgegeven! Op die manier wordt aardig getornd aan het imago van vooruitstrevende kunstenaar dat Zwart zelf zo graag ophield.

Brentjens relativeert dus overtuigend de voorhoedefunctie die aan Zwart was toegeschreven. Zwart had gewoon goed begrepen welke tijdschriften en publicaties hij moest bijhouden om geïnformeerd te blijven over wat zich afspeelde aan het internationale kunstfront. Reeds in Zwarts eerste ‘biedermeiertijd’ volgde hij in zijn textielontwerpen en damesmode voorbeelden uit Duitstalige bladen. In de jaren 10 en 20 was hij abonnee van De Stijl en hield ook bladen bij als Vesc, Merz, Ma, Mécano en G. Brentjens laat mooi zien hoe Zwart daaruit de diagonaal en ‘de stip van El Lissitzky’ overnam, alsook de fotomontage en het spelen met de typografie.

Bekend zal Zwart echter – ook na deze revisie – toch blijven vanwege zijn werk uit de jaren 20 en 30, zoals zijn reclame- en drukwerk voor de Nederlandse Kabelfabriek, de P.T.T. en Bruynzeel. Hoogtepunten aan het einde van die periode vormen zijn prachtig zwierige Het boek van PTT en zijn Bruynzeelkeuken. Vooral met die keuken realiseerde hij zijn ideaal: het functionele vormgeven. Het boek van PTT komt wat stijl betreft echter meer in de buurt van het langs het surrealisme scherende neoclassicisme van architect Sybold van Ravesteyn. Hoewel de naam van die afvallige modernist terzijde wel even wordt genoemd, is het jammer dat de invloed van die stijl niet wat verder is uitgewerkt. Ze is immers ook te herkennen in Zwarts foto’s (via de fotograaf Emil van Moerkerken?). En deze doorwerking zou ten slotte ook de negatieve kritiek kunnen verklaren die Zwarts oorspronkelijke medestanders Dick Elffers en Wim Brusse hadden op diens krullerige en met tekeningen volgepropte PTT-boek.

 

• Yvonne Brentjens, Piet Zwart (1885-1977) Vormingenieur, Den Haag/Zwolle, Gemeentemuseum Den Haag/Waanders, 2008, (www.waanders.nl). ISBN 9789040084621.