Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 135 september-oktober 2008

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Art Power. Boris Groys

 titel geeft het al aan: met Art Power, zijn eerste Engelstalige essaybundel, uitgegeven bij het Massachusetts Institute of Technology, doet Boris Groys een gooi naar de dominantie in het geglobaliseerde kunstkritische discours. In het begin van de jaren 90 heeft Groys ‘echte’ boeken geschreven in het Duits, over het artistieke karakter van het stalinisme, over het ‘nieuwe’ in de kunsten, over de ‘submediale argwaan’ (die ervoor zorgt dat niemand nog wil geloven wat er staat, onafhankelijk van het gebruikte medium). Met zijn toenemende bekendheid en de verhoogde frequentie van teksten op aanvraag veranderde ook het karakter van zijn monografieën: Art Power is, net als de Duitstalige voorganger Topologie der Kunst, geen thematisch boek. Het brengt gelegenheidsteksten bij elkaar, die over disparate onderwerpen handelen, en die, op het laatste essay na, eerder in tijdschriften, boeken of catalogi zijn verschenen. In een korte inleiding wordt door Groys aangegeven dat hij in Art Power op zoek gaat naar “more space in today’s art world for art functioning as political propaganda”. Dat mogen zeer specifieke en beperkte termen lijken, voor Groys zijn ze dat niet. Ze bakenen met andere woorden geen domein af waarbinnen het denken zich zal afspelen of ze tonen evenmin aan waarvoor Groys staat en wat het is dat hij van de kunst verlangt. In dezelfde inleiding noemt hij het onderwerp van de teksten “the artistic appropriation of iconoclasm that produces the paradox-objects we call modern works of art”. De omschrijving ‘beelden creëren en tegelijk deconstrueren’, een schijnbaar eenvoudige activiteit, is nauwelijks origineel of programmatisch te noemen en maakt al evenmin duidelijk waarom kunst, volgens Groys, ‘krachtig’ zou kunnen zijn.

We moeten Groys dus niet lezen om een handvol toepasbare conclusies op te doen die ons een helder inzicht in de wereld van de kunst verschaffen. Groys is een ‘kunst-denker’, zoals Rudi Laermans in zijn recensie van Topologie der Kunst schreef (De Witte Raaf nr. 108); hij is een essayist die vaak ‘bedenkelijk denkt’. Met de (kunst)wereld als tegenspeler en met de kunst als instrument treedt Groys op als intellectuele superheld die adembenemende en spectaculaire sprongen maakt, maar uiteindelijk altijd onverstoorbaar overeind blijft. Onderzoeken of Boris Groys gelijk heeft, of wat hij doet kan, telkens op de schaal van één essay, is een van de meest waarachtige manieren om in contact te treden met de hedendaagse kunst en cultuur. Zijn ideeën over ‘nieuwheid’ zijn bijvoorbeeld al door Laermans naar waarde geschat. In zijn boek Choosing History beschrijft Andrew Leach het oeuvre van Manfredo Tafuri aan de hand van Groys’ The Loneliness of the Project, een in 2002 door het MuHKA uitgegeven essay. Groys schrijft dus essays die teksten uitlokken, als in een echokamer waarin de producten, de dromen en de analyses van de kunst steeds weer naklinken. Het gaat hem om het plezier van het kritische, niet-academische, niet-wetenschappelijke denken, waarin veel twijfelachtig is, maar de verwondering groot en bijna magisch. De gechargeerde ‘statements’, de schijnbare denkfouten, de omkering van idées reçues, zijn retorische listen die de auteur amuseren en de lezer en de wereld aan de gang houden.

Zo is het ook wanneer Groys in het essay Critical Reflections (dat eerder in Artforum verscheen) over het bijzondere statuut van kunstkritiek spreekt, zonder één keer te vermelden dat wat hij beweert ook op zijn eigen praktijk zou kunnen slaan. “Under the pretext of opening up the different contexts of a work of art, the most diverse theories, intellectual takes, rhetorical strategies, stylistic props, scholarly knowledge, personal stories, and examples from all walks of life can be combined in the same text at will – in a way not possible in the two other areas open to writers in our culture, the academy and the mass media.” Die tekstuele diversiteit komt volgens Groys voort uit het eigenzinnige verraad van de ware kunstcriticus, die zich niet meer inlaat met de publieke smaak of de ‘raadgeving voor de consument’. Daarom is kunstkritiek zelf een kunst geworden. “Yet art criticism has long since become an art in its own right; with language as its medium and the broad base of images available, it moves as autocratically as has become the custom in art, cinema or design. Thus a gradual erasure of the line between artist and art critic completes itself, while the traditional distinction between artist and curator, and critic and curator, tends toward disappearance.”

Voor een auteur die zich zo vaak uitspreekt over het belang van de grenzen en van het ‘gesloten’ museum, is deze vaststelling van de vrolijke chaos van artistieke identiteiten opmerkelijk. Het is een mooi voorbeeld van de ‘ontstekingen’ bij Groys. In welke mate zou hij zelf eerder een kunstenaar dan een criticus zijn?

Het stilistische en structurele spectrum van Groys is nogal beperkt, maar dat kan je ook – zoals Laermans deed – een proeve van ‘esthetische ascese’ noemen. Het probleem is echter het statuut van de taal die hij hanteert. “Le critique”, schreef Barthes in Critique et Vérité, “dédouble les sens, il fait flotter au-dessus du premier language de l’oeuvre un second language, c’est-à-dire une cohérence de signes.” Die ontdubbeling, die ervoor zorgt dat literatuurkritiek zelf literatuur wordt (dat wil zeggen: over zichzelf spreekt én tekstueel ‘genietbaar’ wordt), is niet zomaar uitbreidbaar naar de kunstkritiek. De kunst van het schrijven is geen beeldende kunst en plaatst net daarom iets naast beeldende kunst wat deze zelf nooit zou kunnen leveren, hoe discursief haar strategieën ook mogen zijn.

Het gaat niet op om in een postmoderne relativering te beweren dat elke ‘tekst’ op dezelfde manier geapprecieerd kan worden: een ‘tekst’ van Richard Prince (eigenlijk een foto); een ‘tekst’ van ‘Boris Groys’ (in een tijdschrift); een ‘tekst’ van Richard Serra (in een stationshal van Parijs)… Wat benadering en interpretatie betreft, gaat het om totaal andere dingen.

En dan is er nog de klassieke ‘kritische’ zoektocht naar waarheid. Kunst mag dan wel steeds over zichzelf spreken en van zichzelf beweren dat ze illusieloos bekritiseert – niemand of niets is voor zichzelf echt een ander. Deze bundel van Boris Groys heet Art Power – terecht (en deels ironisch), omdat de teksten van Groys de kunst inderdaad sterker, boeiender en zelfs onsterfelijk maken. Om dat te realiseren, moeten kunst en kritiek twee verschillende dingen zijn.

 

• Boris Groys, Art Power,  Cambridge (Massachusetts), MIT Press, 2008, (http://mitpress.mit.edu). ISBN 9780262072922