Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 135 september-oktober 2008

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Jaarboek Architectuur Vlaanderen 06-07, editie 2008

De architectuur, hoewel de traagste kunstvorm, is de laatste decennia onherkenbaar veranderd – vooral in België. In 1987, in het ondertussen opgedoekte Archis, schreef Geert Bekaert een tekst met de merkwaardige ondertitel De afwezigheid van een architectonische cultuur als uitdaging. Architectuur in België werd – en wordt – in het denken van Bekaert gezien als een parasitair, marginaal verschijnsel, dat net daarom, in afwezigheid van een echte architectuurcultuur, boeiend en zichzelf kan zijn. Tussen het oneindigaantal fermettes, staat het moderne huis alleen en dus sterk. Is het nu, meer dan twintig jaar later, niet stilaan tijd om die vaststelling te inverteren? Is het, na jaren van overheidssteun, architectuurdagen, helikoptervluchten, buitenlandse successen, publicaties, steunpunten en wedstrijden, niet eerder de aanwezigheid van een architectonische cultuur die als uitdaging moet dienen? Bewijst de publicatie van het nieuwste Jaarboek Architectuur Vlaanderen, editie 2008, dan niet dat de architectuurcultuur in België een onontkoombaar en hard bevochten feit is? Ongetwijfeld – op voorwaarde dat cultuur wordt gedefinieerd als de afwezigheid van het denken, en dat we niet over cultuur spreken, maar over cultuurindustrie.

Dat het jaarboek opent met een bloemlezing uit de recente berichtgeving over architectuur in ‘de kranten’, is wat dat betreft eerlijk en verhelderend. Hoewel het Vlaams Architectuurinstituut een gesubsidieerd overheidsorgaan is, wil het zich niet onttrekken aan de wetten van de markt, en wil het ook met de publicatie van een jaarboek een zo groot mogelijk publiek bereiken. Hoewel het niet met zoveel woorden wordt gezegd, wordt de banalisering van de architectuur als een goede zaak beschouwd of zelfs als een nobel en na te streven oogmerk. De redactionele inleiding van Katrien Vandermarliere (directrice van het VAi) maant toch aan tot voorzichtigheid. “Meer meningen, meer standpunten, meer mondigheid over de gebouwde omgeving, zijn niet meteen een garantie voor kwaliteit, visie of waardering.” Nochtans is het net dat waartoe persoonlijke, auctoriële kritiek in staat is: uitdrukken wat onder kwaliteit verstaan kan worden; architectuur en theorie historiseren; illusieloos maar geconcentreerd en met kennis van zaken aantonen wat desondanks waardevol is binnen de gemediatiseerde stemmingmakerij zonder geheugen; de ondraaglijke consensus die ervoor zorgt dat architectuur als een kasplantje wordt gezien dat geen onvertogen of overstijgend woord verdraagt radicaal doorbreken.

De zes essays die het tekstgedeelte van het jaarboek uitmaken, doen iets compleet anders. Ze reproduceren de door de cultuurindustrie beheerste thema’s van de afgelopen jaren: ‘openbaarheid’, ‘mondigheid’, ‘duurzaamheid’, ‘milieuvriendelijkheid’, ‘toegankelijkheid’, ‘jeugdwerking’, ‘financiering’ enzovoorts. Het essay van Lars Kwakkenbos over de nieuwe gerechtsgebouwen van Gent en Antwerpen is zuiver ‘procesgericht’ en eindigt met drie ‘lessen’: architectuur is ook altijd stedenbouw; architectuur vereist ‘permanent overleg’ om ‘veiligheid’ te creëren; een bestek opstellen is een moeilijke zaak. De eerste bewering zou, voor iedereen die nog maar een notie heeft van architectuurtheorie, een vanzelfsprekendheid moeten zijn. De twee laatste ‘kwesties’ hebben niets met architectuur te maken, maar alles met ‘vergaderen’, ‘managen’ en geregeld ‘een keer samenzitten’.

De moedige poging van het strijdlustige collectief BAVO om de architectuur van gemeentehuizen te politiseren, is een slag in het water. Zoals het hun gewoonte is, bouwen ze hun vertoog op met citaten en argumenten van Slavoj Zizek – Zizek in een architectuurjaarboek! Het lijkt een onwaarschijnlijke droom. Maar het is met Zizek (die het zelf nooit over architectuur heeft) als met Deleuze in de jaren 80 en 90: met slechts veel reserve valt zijn filosofie op de architectuur, die meest paradoxale van alle menselijke bezigheden, toe te passen. Er is maar één architectuurbureau dat ervan langs krijgt in heel het jaarboek, en dan nog in een voetnoot bij de tekst van BAVO: Office Kersten Geers David Van Severen, omdat zij “de architectuur ontslaan van elke interferentie van buitenaf”. Het is meteen de enige keer dat de autonomie van de architectuur, die nochtans een noodzakelijke voorwaarde is voor haar maatschappelijke rol, ter sprake komt, en meteen weer als ‘tautologisch’ of – tussen de regels – als verwerpelijk van de hand wordt gedaan.

De ondertitel van het essay van Pieter T’Jonck over scholenbouw is Gebouwen met een smoel gevraagd. De tekst plaatst een filter over recent academisch onderzoek naar hedendaagse schoolarchitectuur – in een ‘breed toegankelijk’ jaarboek is er natuurlijk geen denken aan dat dit onderzoek zelf opgenomen wordt. Wat overblijft zijn onvervulbare verlangens en veralgemeningen in de trant van ‘architectuur moet ruimtelijk interessant zijn’. Ruimte – the final frontier in elk denken over architectuur, die als een kurk alle geesten in de fles houdt. Verder volgen nog teksten over ‘jeugdwerking’, financiële constructies als de ‘publiek private samenwerking’ en milieuvriendelijke bouwfysica.

Het grootste gedeelte van het boek is vrijgehouden voor 32 recente projecten. Van een aantal realisaties blijft de opname onverantwoord. Er staat zelfs een fermette bij, die natuurlijk “met zeer veel zorg” en ”oog voor ruimtelijkheid” is uitgevoerd. De korte projectteksten roepen (met hier en daar een deugddoende uitzondering) een nieuw type kritiek in het leven, kritiek als van een gehypnotiseerd subject, dat mechanisch en stamelend beschrijft wat hij of zij ziet. Hypnotiseur van dienst is de waan van de dag, de markteconomie, de tijdgeest, de thema’s uit de dagbladpers. De criticus met een stethoscoop die aftast en luistert of de criticus die met een persoonlijk scalpel naar the heart of the matter gaat, volgens de benjaminiaanse tweedeling, is allang uit het beeld verdwenen.

Een nieuwe tramluifel op het Kiel in Antwerpen van de B-architecten in samenwerking met Laurent Ney, moet “als een hefboom voor de hele wijk functioneren”. Hebben de verhitte debatten in de jaren 70 over stadsvernieuwing en maatschappelijk nut van architectuur dan nooit plaatsgevonden? Het dorpshuis in Jonkershove van Rapp + Rapp architecten verwijst – uiteraard enkel “voor de kenners” – naar de bakstenen huizen in Krefeld van Mies van der Rohe, omwille van het “open plan” en “de vloeiende ruimte”, terwijl het om gesloten villa’s gaat die uit afzonderlijke kamers met zware deuren en ramen zijn opgebouwd. “De kracht van het FelixArchief [van Robbrecht en Daem Architecten] schuilt in het samengaan van een goedgekozen functie, een rationeel respect voor oude architectuur en bedachtzame hedendaagse ingrepen.” Is het tegendeel

– een slecht gekozen functie, een irrationeel respect voor oude architectuur en onbedachtzame ouderwetse ingrepen – zelfs nog maar denkbaar?

Toch moet de oefening gemaakt: welk beeld van de architectuur krijgt de leek die een universitair diploma op zak heeft, van alle cultuurtakken proeft en zich nu ook een keer voor architectuur interesseert, aan de hand van dit jaarboek? Architectuur is een technische zaak, volledig onttoverd en beheerst door cijfers en rondetafelgesprekken… architectuur heeft geen geschiedenis, geen grote avant-gardistische voorbeelden, geen types of culturele, lokale evoluties… er is nog nooit over architectuur geschreven of nagedacht, of er zijn in elk geval geen bewijzen van… en architectuur is vooral iets zeer lastig en vervelend en uitermate onplezierig, iets dat nooit aan de verwachtingen voldoet en dat altijd bedwongen, becijferd en verantwoord moet worden, omdat niemand kan of durft zeggen waarom architectuur deugdelijk of mooi of genietbaar zou kunnen zijn. De eerste Vlaamse Bouwmeester Bob van Reeth heeft altijd benadrukt dat gebouwen “vierhonderd jaar moeten meegaan”. Met de betekenissen en het discours waarmee dit Jaarboek Architectuur Vlaanderen de recente realisaties belast, kunnen we nog geen vier maand verder, en nog geen vier dagen terug. Er valt niet, zoals dat van cultuur verwacht mag worden, op een zinvolle manier mee te leven. De uitdaging van de aanwezigheid van een architectuurcultuur in België blijft beangstigend onbeantwoord.

 

• Het Jaarboek Architectuur Vlaanderen 2006-2007 (editie 2008) is een uitgave van het Vlaams Architectuurinstituut (VAi) en kan besteld worden via het nummer 03/242.89.70 of de website www.vai.be.