Benjamin Eggermont

DE WITTE RAAF

Editie 135 september-oktober 2008

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Histories of the Immediate Present

De ontwikkeling van het ‘modernisme’ is tot diep in de 20ste eeuw vaak weergegeven als een natuurlijke geschiedenis van morfologische transformaties. Deze teleologische geschiedschrijving is recent sterk bekritiseerd. In de vuurlinie liggen vooral die historici die vanaf het einde van de jaren 20, ingebed in de moderne beweging, concurrerende ontstaansmythen van het ‘modernisme’ construeerden. Anthony Vidler concentreert zich in zijn bijdrage aan het debat over de historiciteit van de 20ste-eeuwse geschiedschrijving op de periode 1945-1975. In plaats van de generatie van Sigfried Giedion en Nikolaus Pevsner neemt hij vier historici onder de loep die onmiddellijk na WOII het bilan opmaakten van de voorgaande decennia. Ook hun werk draagt duidelijk de stempel van een preoccupatie met de hedendaagse ontwerppraktijk, maar Vidler wil hen niet stigmatiseren. Vidlers enigszins frivole uitgangspunt is de stelling dat de programmatische inslag van haar geschiedschrijving onvervreemdbaar is aan de architectuurcultuur. Architectuurhistorici ontsnappen immers niet aan de dadendrang die de discipline kenmerkt en meten het succes van hun werk aan de impact ervan op het heden. Vidler heeft zelf een architectuuropleiding doorlopen en naast een autoriteit op het gebied van 18de-eeuwse architectuur is hij ook de bestsellerauteur van boeken die worden aangekondigd als een reflectie op “the most pressing debates surrounding architecture today”. Hij herkent zich dan ook in devreemde mix van wetenschappelijkheid en partijdigheid die hij ontwaart bij de protagonisten van zijn boek: Emil Kaufmann, Colin Rowe, Reyner Banham en Manfredo Tafuri.

De eerste naam uit het rijtje is al meteen een verrassing. Kaufmann is een generatiegenoot van Giedion en bovendien veel gereserveerder dan die laatste in zijn betrokkenheid bij de moderne beweging. Hij valt dus ogenschijnlijk buiten de focus van het boek. Peter Eisenman leidt in zijn voorwoord uit deze anomalie af dat het eigenlijke onderwerp van Vidlers boek ‘autonomie’ is. Kaufmann introduceerde het aan Kant ontleende begrip in het architectuurvertoog. Rowes comparatieve morfologische analyses,

ontdaan van contextuele en iconografische referenties, liggen in het verlengde van Kaufmanns opvattingen over een zichzelf bevragende architectuur. Rowe corrigeert echter Kaufmanns interpretatie van de verlichting door autonome architectuur te onderscheiden van deze die “haar autoriteit ontleent aan een evaluatie van haar sociale en culturele symboliek”. Waar Rowe en Kaufmann een kennisdomein vooronderstellen eigen aan de architectuurdiscipline, en daaruit specifieke instrumenten voor de historicus afleiden, neemt Banham een vacuüm waar. Opgezweept door het positivisme van de jaren 60 nam hij zich voor architectuurtheorie op de sociale wetenschappen te enten. De titel van Vidlers boek, Histories of the Immediate Present, verwijst overigens naar de RIBA-lezing waarin Banham dat standpunt vertolkte: The History of the Immediate Future. Door historische precedenten in te ruilen voor extrapolaties op basis van een ‘programma’ wil Banham verhinderen dat architectuur opnieuw introspectief wordt. Voor Banham is het ‘modernisme’ nog lang niet uitgeput – het lijdt slechts onder de limieten die er door historici aan worden gesteld. Banham wijst onder meer zijn promotor Pevsner met de vinger voor de historische revivals van de jaren 60. Tafuri ten slotte ziet het project van de moderne architectuur als afgerond. Dat project vangt, anders dan bij Kaufmann of Rowe, niet aan met de verlichting, maar wordt door Tafuri geïdentificeerd met het verzelfstandigen van de architectuurdiscipline in de 15de eeuw. Tafuri stelt het begrip ‘autonomie’ scherp door er het predicaat ‘disciplinair’ aan toe te voegen en zijn alternatieve genealogie van de term biedt een uitweg aan wat hij “the false dialectic of ‘historicism’ versus ‘modernism’” noemt.

Een tweede, eerder triviale verklaring voor het belang dat Vidler aan Kaufmann toekent, valt op te maken uit de inleiding van zijn boek. Vidler schetst er aan de hand van enkele anekdotes hoe hij al tijdens zijn architectuuropleiding met de historici die hij hier behandelt in aanraking kwam. Kaufmann publiceerde als eerste een monografische studie over het werk van Claude-Nicolas Ledoux. Vidler zou hem dat in 1990 nadoen. Vidlers boek laat zich met andere woorden lezen als een eerbetoon aan zijn intellectuele vaders. Deze interpretatie ligt overigens in de lijn van de manier waarop Vidler zijn onderwerp benadert. In zijn bespreking van de vier historici gaat hij steeds uit van processen van filiatie en affiliatie. Die methode komt beter tot zijn recht in de hoofdstukken over Rowe en Banham dan in de analyse van Kaufmanns postume invloed op architecten als Aldo Rossi en Philip Johnson. Rowe wordt eerst naast Wittkower geplaatst en vervolgens worden zijn relaties met de Smithsons en Stirling onderzocht. Banham verschijnt tegenover Pevsner en in de nabijheid van Archigram. Omdat er tussen de generatiegenoten Rowe en Banham eveneens nauwe banden en scherpe tegenstellingen bestaan, laten deze hoofdstukken zich samen lezen als een erg gebalde en boeiende historisering van het architectuurvertoog in het Engeland van de jaren 50 en 60, en vormen ze een ideale introductie op de teksten die erin behandeld worden.

Vidlers tekst over Tafuri vormt het sluitstuk van zijn boek. Het is opnieuw een even gevatte als complexe analyse, waarin uiteenlopende invloeden worden geïdentificeerd. Vidler recapituleert de weerkerende thema’s van de auteur, maar brengt ook kritische inzichten aan. Hij corrigeert bijvoorbeeld, net als Andrew Leach in Choosing History, de vigerende interpretatie van Teorie e storia dell’architettura als een breuk in Tafuri’s oeuvre. Vidler deelt Tafuri’s fascinatie voor de rol van de historicus in de architectuurcultuur. Tafuri’s werk komt uit Vidlers analyse naar voor als toetssteen voor zijn eigen omgang met dit thema. Doorheen het boekzijn reminiscenties aan Tafuri terug te vinden. Wanneer Vidler bijvoorbeeld in het hoofdstuk over Rowe Stirling typeert als “eclectic and combinatory, abstract and symbolic, developing whatever virtù might be salvaged from a formalism without ideology”, citeert hij haast de aanhef van L’architecture dans le boudoir: “in order to salvage specific values for architecture today, the only course is to make use of ‘battle remnants’, that is to redeploy what has been discarted on the battlefield that has witnessed the defeat of the avant-garde”.

Tafuri’s niet aflatende eis “historicize!” waart ook door Vidlers besluit, een opmerkelijk staaltje van intellectueel syncretisme eindigend met een geëngageerde oproep deze en andere geschiedenissen aan te grijpen om de idee-fixen van ons eigen historische bewustzijn te ondergraven. Vidler levert met Histories of the Immediate Present een verrassend complex boek af waarin hij met veel flair een aanzienlijk deel van het 20ste-eeuwse architectuurvertoog ontsluit en vaak verfrissende inzichten poneert. Een aanrader!

 

• Anthony Vidler, Histories of the Immediate Present, Inventing Architectural Modernism, Cambridge (Massachusetts ), MIT Press, 2008, (http://mitpress.mit.edu).