Geert Bekaert

DE WITTE RAAF

Editie 136 november-december 2008

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Een heuglijke verjaardag

Want de dichter is, in tegenstelling met de rederijker, iemand die zeer moeilijk spreekt, en wanneer hij spreekt is het niet uit zijn volheid – in de ogenblikken van volmaakte volheid dicht hij niet – doch wel uit zijn verlangen naar deze volheid.

Paul Van Ostayen in zijn lezing Gebruiksaanwijzing der lyriek

 

Op de architectuurbiënnale van Venetië 2008 was het Belgisch paviljoen dé revelatie. Een stille revelatie evenwel. Er werden opvallende middelen ingezet, maar toch was de boodschap blijkbaar te subtiel om in de schreeuwerige drukte van de biënnale opgemerkt te kunnen worden. De jury die de prijs voor het beste paviljoen op de biënnale toekende, had er in elk geval geen oog voor. Er was ook niets te zien. Maar er was wel degelijk iets gebeurd. Het paviljoen had een leegte gecreëerd, de eerste en enige opdracht van architectuur. Die leegte is niet niets. Ze is het begin van alles. Ze is ook niet onverschillig of vormloos. Ze staat te midden van het leven. Over deze paradox van leegte en verlangen heeft Paul Van Ostayen het in zijn Gebruiksaanwijzing der lyriek, een tekst uit 1925 die in de leegheid van het Belgische paviljoen met vrucht overwogen kan worden. Lyriek staat tenslotte niet zover af van architectuur.

De inspiratie voor de aanpak van het bestaande Belgische paviljoen door het architectenbureau Office Kersten Geers en David Van Severen was zijn (reeds verstreken) verjaardag. Het Belgisch paviljoen was het eerste nationale paviljoen dat in 1907 voor de pas opgerichte kunstbiënnale in de Giardini, het openbare park van Venetië, werd opgericht. (Aan dit honderdjarige bestaan van het paviljoen is een onooglijk boekje gewijd door de Belgische vereniging Veneziaviva. Bij de opening van de biënnale 2008, een jaar na datum, was het nog niet gereed. Het boekje, dat in elkaar is geflanst, is nadien met veel enthousiasme voorgesteld. Behalve een serie oude foto’s van het paviljoen draagt het niets bij tot een beter begrip ervan.)

In zijn schijnbare onschuld vormt het nieuwe Belgische paviljoen van Office een perfecte illustratie van het thema van de actuele Biënnale: Out There. Architecture Beyond Building. Na de ingreep door Office is het bestaande Belgische paviljoen niet meer te herkennen. Vanuit de Giardini is het eenvoudigweg niet meer te zien. Het heeft zijn status als zelfstandig gebouw opgegeven. Er werd geen nieuw gebouw opgericht. Er werd ook niets aan het oude veranderd of toegevoegd. Er werd een geheel nieuwe ruimte gecreëerd waar het oude en het nieuwe in elkaar vervloeien. De architectuur is hier het stadium van het gebouw voorbij. Ze is opgenomen in een primaire erkenningswereld van vóór de uitvinding van de architectuur.

De opdracht aan Office was het resultaat van een prijsvraag in twee fasen. In eerste instantie werd Moritz Küng, curator voor architectuur van deSingel in Antwerpen, door het Vlaams Ministerie, verantwoordelijk voor de invulling van het Belgische paviljoen, tot ergernis van velen aangesteld om zijn winnende voorstel uit te werken. Dat voorstel bestond op zijn beurt uit een besloten prijsvraag onder de jonge architecten die hadden deelgenomen aan 35 m3, een reeks tentoonstellingen van deSingel en het VAi, ondergebracht in een kubus van Richard Venlet. Een internationale jury, bestaande uit Petra Blaisse, Stefan Devoldere, Mike Guyer, Anne Lacaton en Adinda Van Geystelen, weerhield in de laatste ronde 3 inzendingen. BAVO koos resoluut om de architectuur als een politiek instrument in te zetten (heel toepasselijk in het Belgisch paviljoen dat om beurt door een van de twee gewesten wordt gebruikt). D’Haeseleer & Kimpe & Poelaert gaven het bestaande paviljoen een nieuw karakter door er een vloer van rode snelbaksteen in aan te brengen. Office stelde voor om rond een gedeelte van het bestaande paviljoen een hoge betonnen omheining te plaatsen, iets zoals de Muur van Berlijn of de muur tussen Israël en Palestina. Het laatste project werd door de jury unaniem als winnaar voorgedragen.

De opgave die Moritz Küng de deelnemers aan de prijsvraag had meegegeven was: “Geef aan het bestaande facilitaire gebouw en binnen zijn directe omgeving een architecturale bestemming en functie, die met betrekking tot de ligging (openbaar park), de status (cultuurambassade), de geschiedenis (historiek) en/of de context (een internationaal architectuurplatform) op schaal 1:1 beleefbaar is.” Office vertaalde dit thema zo letterlijk mogelijk. Aan het bestaande gebouw raakten ze niet, maar ze bouwden rond het paviljoen een omheining om het in een nieuwe context tot zijn recht te laten komen en er de verschillende disposities van te belichten. Ze gaven hun project een duidelijke en tegelijk dubbelzinnige titel mee: 1907… After the Party.

“After the Party” kan men lezen als een ironische verwijzing naar een verjaardagsfeest dat nooit heeft plaatsgevonden. Maar het motto zou ook kunnen slaan op een begrafenisfeest na de dood van de architectuur zelf. Eindeloos kan men speculeren over de interpretatie van het uitdagende thema. Maar dat is slechts afleiding. Office laat zelf de betekenis in het midden. Elk expliciteren van hun architectuur wijzen ze van de hand. Dat is een van de sterke kanten van hun project. Ze vertellen niets over het bestaande paviljoen. Ze zeggen niet of ze het goed of slecht vinden, of het een geschikt tentoonstellingspaviljoen is of niet, wat ermee gebeurd is of in de toekomst mee moet gebeuren. Ze laten het zien en integreren het zoals het is.

Het oorspronkelijke paviljoen is ontworpen door de Brusselse architect en decorateur Léon Sneyers, een specialist in tentoonstellingspaviljoenen, in opdracht van Henri Fierens-Gevaert, de commissaris-generaal van de Belgische delegatie. Het bestond uit een gesloten kruisvormig blok dat een opeenvolging van zalen van verschillende grootte omvatte. Er werd uitsluitend gebruik gemaakt van bovenlicht, zodat de schilderijen tegen de wanden optimaal tot hun recht kwamen. Zo ontstond een compleet gesloten interieur. De klemtoon lag op de voorgevel met een vooruitspringende toegangspartij met beelden van George Minne en fresco’s van Emile Fabry. Er bevonden zich in de inkom ook schilderijen van Fernand Khnopff. In de loop van zijn geschiedenis werd het paviljoen herhaalde keren ‘gemoderniseerd’ en zijn al die kunstwerken verdwenen. In 1991 tekende bOb Van Reeth zelfs een heel nieuw paviljoen, over het oude heen, met een meer permanente functie, maar zijn project verdween in de laden van de administratie. De actuele toestand is het resultaat van een sobere renovatie die Georges en Bernard Baines in 1996-1997 uitvoerden. De kwaliteiten van het oorspronkelijke gebouw werden zoveel mogelijk in ere hersteld.

Die geschiedenis doet er in feite niet veel toe. Ze is neergeslagen in het bestaande gebouw, en dat actueel bestaande is wat voor de ontwerpers telt. Het is, in de terminologie van Office, het obstakel dat moest overwonnen worden. “Architectuur is problematisch op zich”, zeggen ze, het “is veeleer een probleem dan een oplossing. Architectuur lost niets op, maar is eerst en vooral een fysiek obstakel.” Het paviljoen bezat wel het voordeel eenvoudig en helder te zijn, zodat het vrij makkelijk, zonder zijn identiteit op te geven, in een nieuwe context kon worden geïntegreerd. Office deed niets anders dan er een hoge gesloten omheining rond plaatsen. De omheining neemt het hele terrein vóór het paviljoen in beslag, ook de toegangswegen. Ze is strikt rechthoekig, volgens de regels van het Poème de l’Angle droit van Le Corbusier. De zwiepende lijnen en gebogen hoeken van wat op de Biënnale als experimentele architectuur wordt voorgesteld, komen er niet aan te pas. De omheining sluit aan bij de richting van de hoofdweg en staat daarmee schuin ten opzichte van het paviljoen. Alleen die verschuiving levert al een verrassend en boeiend effect op. Tegenover de rechtlijnigheid en de gerichtheid op een as, en tegenover de beslotenheid van het paviljoen, ontstaan nu onbepaalde, maar wel duidelijk begrensde open ruimten, waarin de natuur haar gang kan gaan. Beide duidelijk onderscheiden gedeelten vullen elkaar perfect aan en versmelten tot één gedifferentieerd geheel.

Aanvankelijk was die hoge muur in beton voorzien. Maar de kosten van de fundering dwongen de ontwerpers tot een andere (en betere) oplossing. De betonnen muur werd vervangen door een stalen scherm dat, deels omwille van de stabiliteit, voor het grootste gedeelte verdubbeld is. Er wordt gebruik gemaakt van stellingbouwbuizen en standaardpanelen. De indruk van afsluiting blijft, maar de ervaring wordt op subtiele wijze verrijkt door het minder massieve en radicale van het scherm. Onwillekeurig en zonder nadruk wordt toch een verwachting gewekt.

Door de verdubbeling van de wand ontstaat een besloten, hoog, lang en eng looppad, dat de enige mogelijkheid vormt om langs een zijingang in het bestaande paviljoen binnen te komen. Eigenlijk kan men van nu af aan het onderscheid tussen het bestaande paviljoen en de nieuwe toevoeging niet meer maken. De toegang van het paviljoen vangt aan bij het betreden van het looppad langs een van zijn twee openingen. Uit de samenstelling van de twee componenten is een nieuw gebouw ontstaan dat geen gebouw meer is. Beyond Building. Out There. Er is nu één ervaringsruimte met verschillende compartimenten, het ene beschut, het andere blootgesteld aan de willekeur van de natuur. Dat liet zich overigens bij de opening van het paviljoen al gelden toen een hevige wolkbreuk het pas gestarte en veelbelovende debat in openlucht afbrak en de talrijke toehoorders naar binnen joeg.

Het blijft een bijzondere belevenis om uit de verwachting van de halfduistere grijze gang in de hel verlichte, witte ruimte van het besloten paviljoen te komen. Daar is niets te zien buiten de boeiende afwisseling van de grote en kleinere ruimten. Uiteindelijk komt men uit bij de vroegere hoofdingang, die men nu van binnenuit benadert, als toegang tot de heel anders geaarde hoge buitenruimte met bomen en heesters en de hemel erboven. De eenheid tussen de twee gedeelten wordt mede bewerkstelligd door de confetti die overal rijkelijk is uitgestrooid op de vloer en de bodem. De confetti evoceert een feestelijke stemming ná het feest. Hij werd ook als zodanig gebruikt en tijdens de openingsdagen over de niets vermoedende aanwezigen uitgestrooid. De regen zorgde ervoor dat de confetti over het hele terrein van de Giardini verspreid werd, zodat het ingetogen Belgisch paviljoen overal sporen naliet.

De drukte van het nafeest is echter maar een aspect van het hele gebeuren. Het kleurrijke blijft na het feest aanwezig, maar heeft op de eenzame bezoeker een heel ander effect dan op de groep. De kleurwarreling vormt de tegenhanger van zowel de afstandelijke, onaangedane witte binnenruimte als van de natuurlijke groene buitenruimte. Ze vormt inhoud ten overstaan van het kader. Tegenover het statische stelt ze het beweeglijke. Tegenover de ernst, het luchthartige. De helderheid van beide ruimten laat elke interpretatie open. De bezoeker wordt geconfronteerd met een elementaire bestaanswerkelijkheid. Hij wordt ook tot die confrontatie uitgenodigd door spaarzaam verstrooide stoelen, zowel binnen als buiten. Hij kan opgaan in de prachtige natuur van de besloten buitenruimte of in de stilte van de witte kamers met het ondefinieerbare bovenlicht. Hij kan er mediteren of lezen of aan zijn gedachten proberen te ontsnappen.

Slechts één object brengt hem terug tot de dagelijkse realiteit, een lessenaar waarin de verschillende inzendingen van de mededingers aan de prijsvraag worden getoond. Aan de juistheid van de beslissing van de jury kan niet getwijfeld worden. De inzendingen waren heel divers. Twee ervan werden al vermeld. Andere houden het bij de voor de hand liggende architectonische mogelijkheden, zoals het plaatsen van schuine wanden die de rechthoekigheid van het paviljoen van Sneyers doorkruisen, of zoeken het nog verder, zoals het aanbrengen in het bestaande paviljoen van machines om kleitegels te vervaardigen. Ze tentoonstellen was een mooie geste ten overstaan van diegenen die uit de boot waren gevallen, maar eigenlijk hoort die geste er niet bij. Zoals ook het ontwerp van Office zelf er niet bij hoort. Hoewel het concept van het paviljoen van Venetië nauw aansluit bij het overige gebouwde en ongebouwde werk van Office is het Kersten Geers en David Van Severen gelukt om elke expliciete verwijzing ernaar te vermijden en het nieuwe project als een zelfstandig op zich staand werk te laten ervaren. “Niet de dichter is gewichtig, wel het gedicht”, zegt Paul Van Ostayen in de reeds geciteerde tekst. “Het Ik blijft het hoogste goed, doch niet het Ik van de dichter, maar wel het Ik van het gedicht.” Het project onttrekt zich (zoveel mogelijk) aan het bestaande architectuurbetoog. Zo is het hen ook gelukt om de doem te ontlopen van in een architectuurbiënnale te zijn opgenomen. Hun eerste verdienste is dat zij de architectuur doen vergeten en erkenning afdwingen voor het werk als werk, in zijn elementaire kracht.

Architectuur wordt hier opnieuw geboren, uit de leegte. Wie alleen op zoek is naar informatie komt bedrogen uit. Hij leert niets concreets over de architectuur in België, maar tegelijk heel veel over de manier waarop sommige architecten tegen architectuur aankijken. Van nationale reflexen, zoals in het project van BAVO, is geen sprake. Het gaat alleen om een bezinning op de architectuur zelf en haar mogelijkheden, haar noodzaak en haar overbodigheid. In zijn radicaliteit pleegt het paviljoen echter geen aanslag op de bezoeker. Speels als het is laat het hem vrij zich ervan af te keren of er zich aan over te geven. In die vrijwillige overgave – denk aan de vrijwillige gevangenen uit de Exodus van Rem Koolhaas – komt de bezoeker als vanzelf tot de ontdekking van een (lyrische) dimensie van de architectuur die zich gewoonlijk aan het oog onttrekt. Geen sprake meer van functie of constructie, zelfs niet van vorm. De ervaring van het werk gaat aan al deze abstracte formuleringen vooraf. Het gaat om het laten ontstaan van een plek, een leegte waarin onbestemde verwachtingen leven en gewekt worden, een leegte die uniek is, duidelijk gesitueerd maar tegelijk ongebonden. Die plek keert zich af van het rumoer van de biënnale, maar is er in al haar vezels mee verbonden. De biënnale is de conditie van die plek, maar bepaalt ze niet. Die plek is geen aankomst, maar een vertrekpunt.

Die unieke, historisch omschreven, lege plek is in zichzelf veelvuldig gedifferentieerd. Ze metamorfoseert het bestaande paviljoen en maakt er een onbestemde ruimte van waarin men kan dwalen of stil zitten, op een plaats naar keuze, te midden van de ruimte of tegen een wand, in de grote centrale zaal of in een van de nevenruimten. Nergens wordt men afgeleid, wel vervuld door een aanwezigheid die al naargelang kan opjagen of rust geven. Die lege ruimte baadt in een wisselend, maar overdadig licht. Zelfs als het somber weer is, lichten de spierwitte wanden nog op. Ze biedt ook uitwegen. Men kan van vertrek naar vertrek gaan, maar ook naar buiten, de natuur in. Die natuur zelf is beheerst. Men is er niet aan overgeleverd. Door de geometrie van haar afbakening wordt ze op het binnen betrokken. De strikt rechthoekige geometrie van de omliggende natuur verkrijgt door haar scheve positie ten overstaan van de symmetrische geometrie van het bestaande paviljoen een opvallende vrijheid, die uitmondt in allesbehalve geometrische, haast toevallige ruimtepatronen. Van de ene opvallende geometrie naar de andere is er een dubbel gerichte overgang, van binnen naar buiten en omgekeerd. Eindeloos worden de verhoudingen uitgespeeld. De kaalheid binnen staat tegenover de door natuurlijke elementen gevulde ruimte buiten. Het gekleurde licht buiten contrasteert met het meer egale licht binnen. Enzovoort. En door dit alles heen wervelt de kleurrijke confetti, om de voeten op de grond te houden.

Op de architectuurbiënnale valt er in het paviljoen van België eindelijk architectuur 1:1 te ontdekken. Out There. Dat zou men natuurlijk ook kunnen beweren van andere bestaande paviljoenen. In het paviljoen van Japan valt iets soortgelijks te beleven, maar dan minder expliciet en minder programmatisch. In de meeste paviljoenen echter gebeurt het op een averechtse wijze. Het markante Nederlandse paviljoen van Gerrit Rietveld bijvoorbeeld wordt door een pervers misbruik in zijn oorspronkelijkheid bevestigd. En zelfs voor de Corderia geldt het. Daar redt de robuuste architectuur de onnozelheden van wat momenteel voor architectuur doorgaat. In het Belgische paviljoen echter wordt de hele troep op een rustige, speelse, ironische manier op zijn plaats gezet, eenvoudigweg door er zich resoluut van los te maken.

 

De 11de architectuurbiënnale van Venetië met als motto Out There: Architecture Beyond Building loopt nog tot 23 november 2008 op verschillende locaties in en rond de Arsenale en de Giardini te Venetië (http://www.labiennale.org).