Maarten Liefooghe

DE WITTE RAAF

Editie 136 november-december 2008

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Zicht op Zeeland

Net als andere veelal jonge monografische musea houdt het Chabot Museum sinds zijn opening in 1993 in een licht verbouwde modernistische villa aan de rand van het Rotterdamse Museumpark een actief tentoonstellingsbeleid aan dat aan de starheid van een monografische collectiepresentatie wil ontsnappen. De afgelopen jaren vonden monografische tentoonstellingen van internationale, maar ook Rotterdamse tijdgenoten van Chabot plaats, naast duotentoonstellingen waarin het oeuvre van Chabot met dat van een andere kunstenaar ‘in dialoog’ gebracht werd. Chabot wordt zo kunsthistorisch gesitueerd of zijn werken worden ahistorisch in verband gebracht met andere kunst. Maar het museum programmeert ook tentoonstellingen die buiten deze voor monografische musea gangbare formats liggen. De modernistische architectuur van de villa aan het Museumpark fungeerde bijvoorbeeld al meermaals als aanleiding voor architectuurhistorische tentoonstellingen. Met de nieuwste tentoonstelling, Zicht op Zeeland, blijft het museum bij zijn corebusiness, bij Chabot. Het brengt een origineel tentoonstellingsconcept dat binnen het monografische verhaal blijft, maar het met een loep benadert.

Zicht op Zeeland toont werk dat Henk Chabot (1894-1949) in de loop van één jaar maakte. In 1933 had de Rotterdamse ‘expressionist van de tweede generatie’ de randstad tijdelijk ingeruild voor het dorpje Vrouwenpolder aan de noordkust van het Zeeuwse schiereiland Walcheren. Dat verblijf in Zeeland zou voor de kunstenaar als een belangrijke katalysator in zijn ontwikkeling gewerkt hebben. Chabot vond er nieuwe onderwerpen waarop hij nog lang zou doorwerken en begon er ook enkele nieuwe technieken te gebruiken. Het Zeeuwse werk wordt bovendien als een hoogtepunt in Chabots oeuvre beschouwd. In de Chabotmonografie van Leo Ott uit 1981 is het hoofdstuk Wending in Zeeland niet voor niets het meest uitgebreide. De tentoonstelling die Carel Blotkamp nu maakte, reconstrueert die cruciale Zeeuwse productie uit 1933 met werken van de museumcollectie en talrijke bruiklenen.

De tentoonstelling is met een groot naturel in de museumvilla opgesteld. Na een inleidende tekst in de hal, bevinden zich op het gelijkvloers enkele schilderijen en sculpturen van Chabot die hij net voor 1933 maakte. Ze zijn in onderwerp en stijl zeer uiteenlopend. Bijvoorbeeld is in het okerrode Liggend veulen de verf erg dun aangebracht, terwijl in de stadsscène Man en Vrouw, met zijn felle kleuraccenten, de verf soms direct uit de tube op het doek lijkt geduwd. In twee vitrinetafels liggen albums van de Rotterdamse verzamelaar Schortemeijer met ingekleefde kleine schetsen van Chabot uit 1933, zoals Boertje met hark en Boerderij met erwtenruiters. Deze schetsjes kondigen al het Zeeuwse werk aan dat getoond wordt op de volgende twee verdiepingen. Daar zijn vooral schilderijen opgehangen – aangevuld met tekeningen in zwart krijt en met sculpturen – die een wereld laten zien van knoestige boeren, elegante paarden, keurige veldjes met rijen erwtenruiters onder zware lucht en de lege, meestal woelige zee. In de kelderverdieping ten slotte, te bezoeken voor of na de eigenlijke tentoonstelling, is een biografisch overzicht te bekijken naast een vitrine met foto’s van Chabot aan het werk of zich ontspannend in Walcheren. Verder wordt een video geprojecteerd over Chabots verblijf in Walcheren met historische foto’s, getuigenissen en een bezoek aan Vrouwenpolder vandaag. Ook Carel Blotkamp komt aan het woord. Hij wijst op Chabots bijzondere verfbehandeling in de Zeeuwse schilderijen, die doet denken aan de materieschilderkunst van de jaren 50: soms wordt de verf dik opgemetseld, soms is ze met één grote zwiep op het doek gebracht.

De tentoonstelling spoort alvast aan tot aandachtig kijken. In de allereerst esthetische presentatie zijn tekeningen, doeken en beelden door elkaar opgesteld. Apart geplaatste werken wisselen af met duo’s die uitnodigen om te vergelijken. Erwtenruiters hangt afzonderlijk aan de ene kant van de eerste verdieping.Akker met erwtenruiters, dat daar op een vanzelfsprekende manier naast zou kunnen hangen, is aan de andere kant van de ruimte te vinden bij Golf aan het strand. Op die wijze zijn niet de onderwerpen op elkaar betrokken, maar wel de vergelijkbare schildertechniek met patronen van dynamische afdrukken in de pasteuze verf. Het vergelijkend kijken bereikt een hoogtepunt bij de reeks zeeën op de tweede verdieping.

Chronologie is afwezig in de schikking: binnen het ‘Zeeuwse jaar 1933’ wordt geen vroeg of laat werk aangeduid, noch worden er ontwikkelingen gesuggereerd. De werken van 1933 staan in een context van gelijkaardige werken waardoor hun intrinsieke kwaliteiten naar voren kunnen komen. Het concept van Zicht op Zeeland is een dwarssnede te maken, al verzwakt de ‘aanloop naar het Zeeuwse jaar’ op de benedenverdieping de radicaliteit van het concept enigszins, net als het feit dat ook enkele werken uit 1934 en 1935 getoond worden als Zeeuws werk. De Zeeuwse periode in het oeuvre van Chabot laat zich niet botweg aflijnen op basis van de begin- en einddatum van zijn verblijf in Walcheren, waar Chabot overigens slechts acht maanden doorbracht. De betrachting om een coherent deeloeuvre op te stellen, laat dat eenvoudigweg niet toe. De Zeeuwse periode komt gedeeltelijk los van het jaar 1933, wat echter geen afbreuk doet aan de claim die de tentoonstelling maakt, namelijk dat de ruigheid van Chabots Zeeuwse ‘stijl’ terug te voeren is op wat Blotkamp de oerwereld noemt die de kunstenaar in Vrouwenpolder aantrof en waarvoor hij een passende uitdrukkingswijze zocht. Maar dat statement wordt slechts terloops gemaakt. In de eerste plaats is de tentoonstelling erop gericht om de werken te ontsluiten vanuit hun onderlinge verschillen en gelijkenissen.

 

• Zicht op Zeeland. 1933 – Het Zeeuwse jaar van Chabot tot 11 januari in het Chabot Museum, Museumpark 11, 3015 CB Rotterdam (010/436.37.13; www.chabotmuseum.nl). Bij de tentoonstelling verschijnt een catalogus (Nl/E) met een inleiding door Carel Blotkamp.