Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 136 november-december 2008

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Picasso et les maîtres

Picasso was een 19de-eeuwse kunstenaar. Zijn vorming situeerde zich volledig in de academische traditie. Hij maakte studies van de antieken, bestudeerde de kunstgeschiedenis, kopieerde Spaanse meesters en tekende naar levend model. Op zijn dertiende kon hij tekenen als Raphaël. Op zijn negentiende werd hij meester en kreeg hij de hierbij horende medaille. Maar voor een jonge virtuoos als Picasso werkte dit academische systeem verstikkend. Het zou leiden tot een subversief verlangen naar radicale vernieuwingen die via het kubisme de moderne kunst hebben vormgegeven.

Onder de titel Picasso et les maîtres toont een bijzondere tentoonstelling in het Grand-Palais de complexe relatie die Picasso onderhield met zijn klassieke voorbeelden. Tegelijk academisch meester en vernietiger van de gevestigde vormentaal, onderhoudt hij een gespannen dialoog met de grootse schilderkunstige traditie. Zijn oeuvre wordt gekenmerkt door een picturaal kannibalisme dat een duidelijke breuk vertoont met de academische procédés van reproductie en overdracht van de traditie. Picasso kopieert niet, parafraseert niet, citeert niet. Met zijn peinture de la peinture, die kritisch, pervers of ironisch analyseert, transponeert, persifleert, verdraait of verbastert, heeft hij de manier van werken van de moderne en de hedendaagse kunstenaar onherroepelijk bepaald.

Picasso et les maîtres toont op een verbluffende manier hoe hij het Prado en het Louvre geplunderd heeft en hoe zijn geliefkoosde schilders hem inspireerden tot een oeuvre dat tot vandaag onovertroffen blijft. De tentoonstelling begint met een prachtige zaal zelfportretten van eigenzinnige kunstenaars als El Greco, Rembrandt, Goya, Poussin, Delacroix, Ingres, Cézanne, Gauguin en Van Gogh, waarmee ze hun atypische, marginale en revolutionaire positie duidelijk afficheren. Daartussen hangen zelfportretten van Picasso waaruit blijkt dat hij zich in zijn verschillende periodes en stijlen met deze meesters vereenzelvigde, van het vroege Autoportrait avec perruque (1897) dat verwijst naar Velázquez en het Yo Picasso (1901) als referentie naar Poussin, over het Autoportrait à la palette (1906) als hommage aan Cézanne tot Le vieil homme assis (1971) dat herinnert aan de late Rembrandt.

De vijftien schilderijen naar Les Femmes d’Alger, te zien in het Louvre, zijn het begin van een reeks picturale variaties naar geliefde meesters. De creatieve daad wordt een kritisch onderzoek naar de artistieke mogelijkheden van de schilderkunst. Deze uitzonderlijke dialoog met Delacroix wordt vervolgd met Las Meninas naar Velázquez, waarvan Picasso vierenveertig variaties maakte. Naar Manets Déjeuner sur l’herbe maakte Picasso zesentwintig schilderijen, honderdvijftig tekeningen en een aantal kartonnen sculpturen die later op monumentale schaal in beton werden uitgevoerd. Een mooi ensemble van deze variaties is niet te zien in het Grand Palais, maar in het Musée d’Orsay. Later volgden nog kleinere ensembles naar L’enlèvement des Sabines van David en Massacre des Innocents van Poussin.

De tentoonstelling is op haar best waar Picasso’s deconstructieve strategieën, zoals in Le Déjeuner sur l’herbe, worden blootgelegd. Na een kritische autopsie, waarbij het schilderij vakkundig gedissecteerd wordt, worden de plastische, de compositorische en de narratieve elementen met een nooit geziene vrijheid herschikt. De personages van Manets schandaalstuk worden in de talrijke variaties ontdubbeld, ze veranderen van plaats en krijgen een andere rol toebedeeld. Personages worden toegevoegd of weggelaten. Bij het ‘kopiëren’, trachtte hij vooral niet de stijl na te bootsen, maar het schilderij naar zijn hand te zetten. Picasso vertelt het verhaal op een andere manier, zijn manier. Dat wil zeggen met veel zin voor humor en ironie. Maar ook provocatie en moedwillige heiligschennis zijn hem niet vreemd. Zo gebruikte hij Rembrandts badende Hendrickje Stoffels als model voor zijn Pisseuse (1965).

De tentoonstelling gaat van de ene verbluffende confrontatie naar de andere. Een wand met stillevens van Picasso, Cézanne en Chardin spreekt boekdelen. Even verder hangt een reeks gevilde schapenkoppen van Picasso, Goya en Chardin. Sommige verwijzingen zijn zeer expliciet, andere dan weer gevoelsmatig of formeel. Het portret van Lee Miller en Arlésienne (1937) persifleert L’Arlésienne van Van Gogh. Picasso’s Grand baigneuse (1921) wedijvert met deze van Renoir. Les Demoiselles des bords de la Seine d’après Courbet (1950) heeft naast het origineel meer iets van een decoratief wandtapijt. Ook de presentatie van de twee versies van La Buveuse d’absinthe uit 1901 (private verzameling en Hermitage) vormen in confrontatie met deze van Degas een uitzonderlijk moment.

Uit de tentoonstelling komt duidelijk naar voor dat Picasso zich steeds ongegeneerd op hetzelfde niveau stelt als de andere meesters. Enkel op deze manier kon hij zijn eigen picturale taal confronteren met die van de uitgekozen meesterwerken. Vandaar ook de subtiele titel van de tentoonstelling. Automatisch leest men Picasso et ses maîtres, maar er staat wel degelijk les maîtres. Picasso had geen leermeesters. Hij was leermeester onder de leermeesters en daar waren voor alle duidelijkheid geen tijdgenoten bij.

 

• Picasso et les maîtres tot 2 februari in de Galeries Nationales du Grand Palais, 3 avenue du Général Eisenhower, 75008 Pa