Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 136 november-december 2008

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Le futurisme à Paris

Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de publicatie van het futuristisch manifest op de voorpagina van de Franse krant Le Figaro van 20 februari 1909, besteedt het Centre Pompidou uitgebreid aandacht aan de aanwezigheid van de futuristen in Parijs.

Als eerste avant-gardebeweging van de 20ste eeuw belichaamt het futurisme een radicale breuk met het verleden en een belangrijke aanzet tot het modernisme. De nieuwe wereld stond in het teken van de technische vooruitgang, de energie van de massa en de dynamiek van de grootstad.

In de tentoonstelling valt onmiddellijk op dat de beeldtaal die hiervoor gebruikt werd minder revolutionair was dan de ideeën die ze moest vertolken. De artistieke omwenteling was door het kubisme in gang gezet, maar het door Braque, Picasso en Juan Gris ontwikkelde systeem beperkte zich tot een formele analyse van de werkelijkheid en had verder geen maatschappelijke pretenties. De verdienste van de tentoonstelling in het Centre Pompidou is dat ze de wederzijdse beïnvloeding van kubisme en futurisme onderzoekt en de dialoog tussen beide stromingen in beeld brengt.

Het futurisme bestond eigenlijk alleen maar in de geest van Marinetti, een dichter die hield van spektakel en provocatie en die later in het zog van Mussolini en het fascisme zou terechtkomen. De schilders die hij om zich heen verzamelde, Boccioni, Carrà, Severini, Russolo en Balla, beoefenden een soort dynamisch impressionisme of neo-impressionisme waarmee ze de beweging en de snelheid van de moderne wereld trachtten weer te geven. Het idee van ‘simultaneïsme’ werd reeds door de kubisten gebruikt in het simultaan of gelijktijdig weergeven van verschillende gezichtspunten, door een fragmentatie van de werkelijkheid. De tentoonstelling begint dan ook met een mooie zaal kubistisch werk, waaronder La Dryade (1908) van Picasso uit de Hermitage en zijn portret van Kahnweiler (1910) uit het Art Institute in Chicago.

Het is pas in oktober 1911 dat Boccioni, Carrà en Severini in Parijs werk van de kubisten te zien krijgen: Braque en Picasso bij Kahnweiler, Gleizes, Metzinger en Léger op het Salon d’automne. Ondanks hun negatieve vooroordelen (tegenover hun classicisme, hun voorkeur voor het naakt, het grauwe palet…) zullen ze het formeel systeem van fragmentatie overnemen.

Het jaar daarop krijgen ze in Parijs eindelijk hun eigen tentoonstelling, in de galerie Bernheim-Jeune. Er hangen vijfendertig schilderijen, tien van Boccioni, elf van Carrà, vijf van Russolo en acht van Severini. Balla, die in 1910 mee het Futuristisch manifest van de schilderkunst had ondertekend, was niet op de tentoonstelling. Wat een schandaal moest worden bleek uiteindelijk een vrij conventionele tentoonstelling, zoals je in Le futurisme à Paris dankzij een gedeeltelijke reconstructie zelf kan constateren. Op de opening scandeerden Gleizes en Metzinger dan ook terecht “À bas les passéistes!”. De werken vertoonden niet de minste samenhang, noch wat betreft inhoud, kleurgebruik of behandeling van de problemen van ruimte en vorm.

Het futurisme was niet enkel een artistieke beweging, maar ook een activisme met ethische, esthetische, politieke en sociale pretenties. Door zich voor te stellen als de beweging van de Italiaanse vernieuwing wekten de futuristen de nieuwsgierigheid van het grote publiek. Bij wie beter geïnformeerd was, wekten ze alleen maar ergernis. Het Parijse succes was een triomf van de propaganda en niet zozeer van de schilderkunst. Het grote publiek liet zich leiden door de revolutionaire verklaringen, terwijl de kritiek naar de werken keek en ze bestempelde als literair, romantisch en zelfs symbolistisch.

Desondanks ontstond er vanaf 1912 in Parijs een hybride schilderkunst, een mengvorm tussen kubisme en futurisme. Het Salon de la Section d’or van 1912 klinkt als een antwoord van de Franse schilders op de Italiaanse aanwezigheid in Parijs. Marcel Duchamp toonde er zijn Nu descendant l’escalier (1912), speciaal voor de tentoonstelling vanuit Philadelphia naar Parijs gehaald, dat hij zelf beschreef als een “interprétation cubiste d’une formule futuriste”. De aanwezige werken van onder anderen Metzinger, Gleizes, La Fresnaye, Léger, Picabia en Kupka werden beschreven als cubofuturiste. Hier staat ook een van de weinige futuristische sculpturen, de gipsen versie van Le cheval van Raymond Duchamp-Villon, een oudere broer van Marcel Duchamp. In de puurste futuristische traditie stelt het een wedloop voor tussen een stoomtrein en een paard.

Verder heeft de tentoonstelling ook belangstelling voor het Russische kubofuturisme en het Engelse vorticisme. Beide richtingen combineren de futuristische belangstelling voor de machinale beweging met een kubistische vormentaal. De Franse versie hiervan wordt door Apollinaire orfisme genoemd. Hier hangt hoofdzakelijk werk van Robert en Sonia Delaunay. Het door hen geclaimde simultaneïsme evolueert er naar de abstracte kunst.

De futuristische tentoonstelling reisde later door naar Londen en Berlijn. Daarom is het vreemd dat er in de tentoonstelling geen enkele melding gemaakt wordt van de dadaïsten, die zich wel degelijk inspireerden op de attitude van de futuristen en ook het schandaal gebruikten als strategie om hun werk en hun ideeën bekend te maken. De Berlijnse tentoonstelling vond plaats in de galerie Der Sturm van Herwarth Walden en heeft op die manier ook heel wat Duitse expressionisten beïnvloed. Een kunstenaar als George Grosz bijvoorbeeld heeft de kubofuturistische stijl gebruikt om de dynamiek van de grootstad Berlijn letterlijk in al zijn facetten weer te geven.

 

Le futurisme à Paris tot 26 januari in het Centre Pompidou, Place Georges Pompidou, 75004 Paris (01/44.78.12.33; www.centrepompidou.fr).