Jef Verheyen

DE WITTE RAAF

Editie 138 maart-april 2009

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Brief Jef Verheyen

Beste Jean Buyck,

Dit zal een soort verbeterde biografie worden. Ik dacht eraan die te maken nadat ik door al de smerige reacties op de Zerotentoonstelling ging zoeken in de stapel brieven en krantenknipsels die vergeten in een kast lagen.

Ergens is het onbegonnen werk al die brieven etc. door te lezen, vanwege/door het groot aantal en verscheidenheid viel het nu werkelijk op dat ik een centrale rol moet gespeeld hebben in het cultureel gebeuren van de Stad Antwerpen, en het is waarschijnlijk dat wat men mij zo kwalijk neemt. De kwaadaardigheid van de reacties is het beste bewijs voor dit;

            ‘La colère des imbéciles remplit le monde.’

Met dit wil ik U dan ook bedanken voor al het werk en de miserie dat de realisatie van Zerotent. 1980 meebracht, het is bovendien ook een blijk van waardering en vriendschap.

                                                           Zondag 15 maart 1980

                                                           Midden de zon ‘in de den gulden

                                                           Wijngaard’

le peintre Flamant

                                                           Jef Verheyen

 

Vanaf september 1946 volgde ik les in tekenen en schilderen bij Frans Ros, aan de academie te Lier.

            In 1947 ging ik naar de Kon. Academie te Antwerpen, 1e jaar tekenen, maar kon me niet aanpassen en bleef thuis tot ik sept.-oktober 1949 terug ging naar Antwerpen. 4e jaar tekenen en schilderen bij Karl De Roover.

            1950-51. Bij Gustaaf De Bruyn, figuurschilderen. Met hem had ik een zeer goed contact en hij hielp me ook materieel. Ik kreeg een studiebeurs van 16.000 BF van het dorp Nijlen, maar ik gaf die thuis af, zodus was ik nog zonder centen en onderhoudsmogelijkheden. Ik woonde toen in de Kattenstraat, op een zolder en maakte expressionistische schilderijen die niet zo slecht waren.

            In 1951 maakte ik kennis met Dani, waarop ik nog altijd verliefd ben, en we begonnen samen in de namiddagklas keramiek te maken, dit werd nadien de fameuze Keramiekklas van O. Strebelle.

            1951-1952. In feite zou ik het laatste jaar van de academie moeten doen hebben bij A. Marstboom, maar ik mocht bij Van Vlasselaar – Het Hoger Instituut – gaan werken. Het eindejaarsexamen zou ik dus bij Marstboom meemaken en dan het klassiek examen voor het Nat. Hoger Instituut, wat ik ook lukte in oktober 1952. Ik bleef in de monumentale afdeling.

            Het was een geweldige tijd, vol confrontaties met de mensen en de dingen. Totaal zonder centen en veel te fier om die te vragen of te lenen heb ik wel wat avonturen meegemaakt, ook veel honger en kou gehad.

            Ik vertrok naar Spanje in juli 1952 – per autostop – en bleef daar tot oktober. Door mijn hevige reacties op de sociale wantoestanden moest ik, achtervolgd door de Politie, het zuiden ontvluchten en ik kwam terecht, met Dani, in Valencia. Ik verkocht daar tekeningen in de Restaurants etc. maar de grootste ontdekking was voor mij Barcelona. We verbleven daar bij een Republikeinse dokteres – ook zonder centen, Calle delle Rosse, na de wijnoogst meegemaakt te hebben in de streek van Narbonne, en dus met centen in de zak geraakten wij terug in Antwerpen. Mij heeft die reis zeer sterk beïnvloed en bevrijd van een stroef provinciale opvatting. In feite ontdekte ik Picasso.

 

1952-1953.

            Met Dani ben ik dan naar Frankrijk getrokken en in Vallauris hebben we dan enige maanden gewerkt als keramist. We woonden in een tent midden de appelsienbomen en we waren geaccepteerd door de groep van Artiesten. Ik nam ook deel aan de groepstentoonstelling in de school – met Picasso, Leger, Jean Rivier, Juliette Derel, Françoise Gillot etc en door de grote staking – alles zat vast – moesten we ergens anders bestaansmogelijkheden zoeken. We trokken terug aan de wijnoogst – tussen Narbonne en Carcassonne – en tegen november waren we terug in Antwerpen.

            Daags voor nieuwjaar 1953 kocht Michel Oukhow een tekening (ik woonde toen boven hem) voor de som van 500 BF. Hij is in feite mijn eerste verzamelaar.

            Ik beleefde toen mijn zwartste tijd en nadat ik door de Politie werd opgeleid en terug vrijgelaten ging ik in de mijnen werken. Niet lang en ik werd huisschilder, en zo geraakte ik dan terug in de goede maatschappij. Ik betaalde belastingen en pensioenkas als elk geëerd burger en ging dus trouwen.

            In feite had ik vijf jaren zonder centen geleefd, zonder hulp van buiten uit. Mijn ouders zijn mij ook nooit komen opzoeken en juist geteld was ik in vijf huizen geweest. Dat is niet erg veel in een stad waar men de gastvrijheid zo roemt. Tijdens die Periode heb ik wel het een ander gezien en beleefd en de fijnste figuur blijft voor mij Paul Bervoets. Ook Lode Jacobs is een fijne vent en was een goede kameraad.

            Door (de schuld van) mijn schoonouders werd er een proces ingespannen omdat hun dochter met mij wilde trouwen. Walter Leblanc en Jo Lagrilliere waren onze getuigen (dus zo vroeg reeds Walter Leblanc) en dat liep in het honderd. Wij verlieten dus ongetrouwd het Antwerps stadhuis, enfin met onze trouwringen aan waren we toch getrouwd.

            Dani, Marina Van Acker, Blanca Olmedo en ik begonnen het keramiekatelier in de Rubensstraat 14, rechtover het Rubenshuis in 1955 en het werd geopend in 1956. Dit jaar zijn Dani en ik voor de tweede keer getrouwd omdat zij Leonore verwachtte.

            Gard Sivik, waar ik en Dani ’s nachts werkten, een lang verblijf in Parijs – Rue du Ponthieu, 29, Paul Klee, een open atelier waar zowel Amerikanen als Russen kwamen. Wij hebben praktisch alle nationaliteiten op bezoek gehad en waren intens bezig met vanalles.

            De informatie kwam werkelijk uit veel hoeken en het was een geweldige tijd. Ik had tussen 1949 en 1952 aan het Emiel van de Velde-instituut het een het ander geleerd op filosofisch vlak, met de Franse bibliotheek van Marina en Dani, en mijn kennis van het Duits – Duitse boeken waren veel minder duur dan Franse, Engels etc konden wij echt goed volgen. Het was bij ons een soort zoete inval, drie jonge vrouwen trekken wel wat aan, theater, literatuur, schilderkunst, keramiek, muziek, mime, enfin, ik had chance. Dolf Ladewig studeerde in Gent en hij kende ook de theoretische geschriften van Paul Klee. Met een jonge Duitse beeldhouwer, Koch, een leerling van Kleint, vertaalde ik die teksten in het Vlaams, wij gingen die in de academie van Antwerpen afgeven, we werden uitgelachen en al dat werk werd voor onze ogen weggeworpen. De acteur van dat stuk heeft zich enkele jaren nadien, in zijn atelier, opgehangen.

            Ivo Michiels schreef in 1956 zijn eerste artikel over mij en we werden goede vrienden.

            Jan Cristiaens kende ik reeds veel vroeger en het is met hem dat ik echt veel contact had en dus ook ‘Het Kahier’ verzorgde. Hij woonde in de Kelderstraat, achter mijn hoek, en wij hadden formidabele gesprekken. Voor mij is ‘thee drinken’ van Jan Cristiaens het hoogste wat er in Vlaanderen werd gemaakt op het gebied van theater. In Gent werd het voor de eerste maal opgevoerd en dat stuk heeft grote schokken veroorzaakt. Men mag nooit vergeten dat er soms maanden aan de voorbereiding van iets wordt gewerkt, het project is dan een werkelijkheid voor de echt geïnteresseerden. Ik geloof niet dat wij door/met/dankzij de vertalingen van Jaak Schelfhout van anderen iets moesten leren. In Vlaanderen was er een echt avant-gardetheater.

            Ben Klein heeft door mij ‘Pour finir avec le jugement de dieu’ van Artaud A. leren kennen*, hij heeft het me trouwens nooit teruggegeven. Ik kreeg het van R. Dauphin – Met Jan Cristiaens stuurde ik ook voor de eerste maal een wagen, midden in de Nacht. Jan en ik waren tamelijk goede Maryjaune gebruikers. De Zarikobar

*Hij is literair beïnvloed van Antonin Artaud. (reactionair)

 

en Jef de Mep hebben ons heel wat belevenissen bezorgd en de fantastische ervaringen op dat vlak hielpen mij veel in mijn voorstellingen op schilderkunstig gebied (ook in het engelen).

            Ik heb de indruk dat voor zekere personen, in Antwerpen, 1956-1957 een bijzondere tijd was. De indrukken kwamen echt van overal en het kan zijn dat wij werkelijk ‘er midden in’ zaten.

            Er is daar ongelooflijk veel gebeurd rond die tijd. Hugues Pernath, Paul Snoeck, Guy Vaes, Krakovsky, Adriaan De Roover, Paul De Vree, Jaak Schelfhout, Jan Dries, Leon Indekleef, Herman Denkens, Walter Van Marcken, Paul Spongers, Jan Peré enz.

            Walter Van Ermen enfin.

            ‘De Deutsche Buchgemeinschaft’ was waarschijnlijk wel de eerste galerij, in Antwerpen, waar jonge vooruitstrevende niet figuratieve schilders aan bod kwamen. Ik leerde de directeur van die boekenwinkel kennen in het keramiekatelier, en ik kon hem overtuigen iets in onze richting te maken/ondernemen. Het is dus met die tentoonstelling dat ik werkelijk heb aangevangen. Ik maakte in die tijd kleinere werken met als naam: Intiem Rood, keramisch wit, ik was natuurlijk door de keramiek Chinees beïnvloed en kon dus zeer gemakkelijk in dat gevoel geraken. ‘Chinese Meisternovellen’ en monochrome tekeningen en schilderijen zijn echt al zeer oud en dus al zo lang gekend.

            Theorieën enz. zijn belangrijke dingen maar het is zeer zeker dat het beleven, maken, van keramiek de gevoeligheid sterk stimuleert en ik ken ‘le musée Guimet’ in Parijs bijna van buiten. Dani en ik bezochten Parijs vanaf de jaren vijftig en dat ik weet niet hoe dikwijls. Mijn geaardheid naar interiorisatie en Chinese kunst komt misschien wel door/langs de keramiek en het porselein waarvan de monochromen toch wel het hoogtepunt zijn. Ik trachtte zowel in de keramiek als in mijn schilderijen een soort ‘essentie’ te bereiken die buiten het vormelijke ligt. Het probleem ‘binnenvorm die buitenvorm wordt’ heb ik ook daar opgelost door een vorm middendoor gesneden andersom aan elkaar te plakken, Walter Van Ermen bezit dat voorwerp.

            Ik bezit nog steeds een klein boekje met Chinese monochrome schilderijen en het is echt wel niet ‘Het teken’ dat me daarin boeide.

            Na het terugdelven om bewijzen vond ik (gelukkig om de vondst) een studietekening met krabbels terug en het loont de moeite die te bekijken.

            In alle geval werd die rond de jaren 56-57 gemaakt en ook de namen van de werken duiden op mijn interesse voor de kleur als schilderkundig element.

            Cosmisch – Ruimte enz zijn dus wel de dingen waarmede ik toen bezig was, dus hierbij enkel afdrukken van de tekstjes –

            Ik bezit nog een groot aantal notitieboekjes met aantekeningen en dat geeft mij tamelijk veel mogelijkheden.

 

(Alleen zwart voorstellen – dit is o Voilà, ik vind dat voor die tijd formidabel. Het thema van 8, de oneindigheid, kwam ook rond 56 in mijn werk.             Intiem rood – Keramisch wit etc.             Dit zijn de bewijzen dat ik een voorloper was.             Trouwens ‘The Tao of Painting’ kende ik – Adriaan Peel heeft reeds zeer vroeg vertalingen gemaakt met de hoop dat boek op de markt te krijgen. Ivo Michiels schreef over deze tentoonstelling een artikel – Duitse Buch-Gemeinschaft.)

 

In 1957 werkte G. Dova in Antwerpen en ik ben die Italiaanse schilder gaan opzoeken. Ttz. Ik kocht voor Ivo Michiels een klein werkje en Dova vergezelde mij naar de Rubensstraat. Voor mij was dat als jong schilder een belangrijke gebeurtenis. In de zomer kwamen Birolli en Mevrouw (x) van de galerie Monte Napoleone op bezoek met Dova, en ik zou een tentoonstelling maken in die galerij.

            Voor mij scheen het wel een wonder.

            Intussen had ik Bonzit en R. Dauphin leren kennen en de galerij Aksent, Antwerpen. Alsook Jozef Peeters met wie ik een sterk contact ontwikkelde, zijn documentatie over de periode 1918-1929 was iets onverwacht en ik leerde erdoor een hele boel geheimen kennen. Ik vond de houding van de anderen tegenover Jozef Peeters erg gemeen, typisch Antwerps, hij heeft erg veel vernederingen ondergaan en ik kwam daardoor in opstand. Alles wat van ergens anders komt is veel beter dan dat wat Vlaanderen kan bieden. Dat stroomt uit alle kritieken en de houding van de schrijvelaars (die ook niets waren – nog meer gefrustreerd dan de schilders) was moeilijk te verdragen.

            Wij woonden in een klein land dat door de oorlog veel had geleden en waar de wellevendheid een zeldzaam verschijnsel is. Misschien was de drang naar grootsheid, luxe enzomeer voor de Antwerpse burgerij in Parijs te vinden en alles wat uit Frankrijk kwam was fantastisch. Parijs was het mekka en dat heeft een tijdje geduurd voordat er daar verandering in kwam. Walter Van Ermen zorgde ervoor dat ik in de Biënnale voor Beeldhouwkunst 1957 mee kon tentoonstellen, een witte vorm ‘Keramisch wit’ en ik hoopte dat iemand die zou doen breken, kwestie de 30.000BF – een fortuin –  te kunnen oprapen.

            Ik schilderde het appartement van Ivo Michiels in de Van Schoonbekestraat 110, voor de som van 3500 fr., verf inbegrepen en reisde met een gedeelte van dat geld naar Milaan. Een vrachtwagen van de firma Creten nam mij mee tot Lyon en over Saint-Paul de Vence, waar ik R. Dauphin bezocht, reisde ik naar Milaan, in september. Milaan maakte op mij een sterke indruk, het had reeds in die tijd een vooruitstrevende architectuur, grote torengebouwen – Monte Catini enz Ponte Domus etc.

            De vrouw van de Monte Napoleone vroeg me 300.000 lire om de tentoonstelling te maken en ik ben dan razend en zeer in de put buiten gelopen, recht in de Via Borgonuovo. Voor nr. 10 ben ik blijven staan en ging de Galleria Pater binnen, liet foto’s zien van mijn werk en ik kwam er buiten met een overeenkomst voor een tentoonstelling, opening 17 februari 1958. Ik zou met Comhaire exposeren. Ivo Michiels schreef de introductie en dat was dan voor mij het begin van een geweldige, spannende geschiedenis.

            Tot mijn grote vreugde brak iemand ‘Keramisch wit’ en ik kon na enige weken 30.000 BF gaan ontvangen, iets wat mijn tamelijk begrensde financiële mogelijkheden soepelder maakte.

            Hierbij enkele fotokopijen van uitnodiging en andere dingen. Dus in Milaan leerde ik Fontana, Crippa en Manzoni kennen, maar G. Dova heeft echt wel zijn best gedaan om mij te introduceren.

            De grote schok was voor mij het werk van Fontana die ik in zijn atelier bezocht, hij was trouwens de tweede koper op de tentoonstelling.

            Ik had de gewoonte dagboeken vol te schrijven en het herlezen van die dingen doet me erg veel plezier. Ik was wel iemand die van een vergeten hoek kwam en een nieuwe wereld ontdekte. Ik werd er trouwens overal als een prins ontvangen en ik ben dat in zekere zin ook, intussen werd ik dan de koning van de Vlaamse schilderkunst, in welke hoek zou dat gat Antwerpen niet blijven steken hebben zonder mijn energie, bedoel ik.

            Pater vroeg me ook namen van andere jonge Vlaamse schilders om die twee per twee te exposeren. Het was in feite de bedoeling zijn galerij een Vlaams hoofdkwartier te maken, u kan dat wel uit zijn brieven afleiden.

            Met Crippa had ik ook een erg mooi contact en wij werden zware vrienden. Na de tentoonstelling in Milaan begon ik met Wim Van Gils aan de opdracht voor het Perspaviljoen op de wereldtentoonstelling 1958. Ik heb het klaargekregen, met Ivo Michiels, dat Crippa, midden in ons paviljoen, een sculptuur zou plaatsen, hij vond dat erg fijn, hierbij het bericht dat hij naar Brussel komt.

            In zijn open brief liegt Van Hoeydonck wanneer hij beweert dat hij met mij geen contact had, ten eerste zou hij met Vandenbranden tentoonstellen in Milaan – brief van M. Pater 1959-18 februari – ten tweede in brief van Guy Vandenbranden – 12-11-1958 is het duidelijk dat wij van plan waren een tentoonstelling te maken en dat natuurlijk zoals ik het reeds zegde – maar dat is dan voor later.

            Met Walter Van Ermen wilden wij een ruimte achter het Rubenshuis inrichten voor jonge schilders en daaruit vloeide voort dat W.V.E. en ik de orangerie van het middelheim mochten gebruiken van de stad. Walter en ik hebben de boel opgekuist en daardoor kregen we dan het kasteel van het middelheim, dus hierbij een verzoek om de zaak rond te krijgen.

            Na mijn tentoonstelling bij Pater 17-02-1958 reisde ik van Milaan naar Parijs en het is tijdens dat verblijf in Parijs, Dani kwam me daar vervoegen, zo dat wij de gebeurtenis, Yves Klein met zijn lege ruimte en blauwe drank, op de opening galerie Iris Clert, rue St. André des Arts, meemaakten. De uitnodiging was een blauwe kaart met blauwe zegel die ik spijtig genoeg niet meer bezit.

            Iris Clert kende ik reeds van 1956, het was Raymond Dauphin die mij meenam in haar galerij – daardoor ontving ik alle uitnodigingen.

 

(Ik maakte toen spacialistische schilderijen en in het perspaviljoen fluorescerende structuren. Ook enkele witte schilderijen waarvan er een in het Middelheim werd getoond.)


(Hier dus dat fameus artikel van Marc Callewaert die schrijft over dat curieus monochroom schilderij; ‘in witten dat zijn ganse werking aan het reliëf van de verf en aan het licht ontleent’.             Dus werd dat schilderij voor augustus 1958 gemaakt.             Ik schilderde een zekere tijd werken met een rol, thema was een halve boog op geprepareerde jute. Hugues Pernath was zeer beïndrukt door die dingen, misschien zijn er nog wel in Milaan te vinden.)

 

Na die tentoonstelling werd er door G58 het hessenhuis bezocht, we zouden dan beginnen met de opruiming van dat stampvol gebouw.

            Intussen werkte ik aan mijn schilderijen voor de tentoonstelling die bij Pater, Milaan zou plaats hebben op 6 November 1958. Er waren donkere schilderijen bij met een boog, waaruit einde 1958 mijn rode schilderijen ontstonden.

            Bij het nakijken van B. Kleins brieven vindt men het bewijs dat het in het Hessenhuis heeft gehangen; ‘L’air est plein de ta chaleur’ is gemaakt voor 1959, de brief van B. Klein is van 11 jan. 1959 en ik was toen in Milaan.

            Het is op mijn opening 6 nov. 1958 dat Manzoni met kleine witte schilderijtjes onder zijn arm kwam. Wij hebben wel wat gepraat over monochroom en achroom, ik wist toen echt wel waarover het ging. Ook Fontana sprak over een vierde dimensie en wij hebben uitgemaakt dat hij in feite een nieuwe dimensie bracht.

            Hij verkocht mijn mooie zwarte Diamant, zwart violet, aan Boschi en gaf me dat prachtig zwartgroen schilderij gemaakt in 1956/55. Waarschijnlijk is dat de eerste Fontana die in België terecht kwam.

            Ivo Michiels is mij in Milaan komen opzoeken tijdens de maand november en ik weet niet of hij toen Manzoni leerde kennen.

            Ik heb in die periode mijn manifest ‘Essentialisme’ geschreven in het ‘Hotel Ideal’, Via San Spirito, U kan de schets of ontwerp ervan zien, het staat in een carnet einde 1958.

            De vertaalde tekst – verbeterde – is tegen januari gemaakt en Kasper nam het mee van Milaan naar Lausanne.

            Frank Philippi heeft trouwens toen een wonderbare reportage gemaakt over Milaan.

 

(Al deze schilderijen werden voor september geschilderd. Het transport was toen niet zo eenvoudig. Op deze opening kwam Manzoni met witte schilderijtjes onder zijn arm. Dat wit schilderij (Callewaert) hing reeds enige maanden voordien in G58 Middelheim.)

 

Met Jozef Peeters had ik een zeer mooi contact, ik had ook voor Jozef Peeters een tentoonstelling georganiseerd maar aan deze brief kan U zien dat hij die niet wilde maken. Ik vond dat erg spijtig.

Hij is me dat komen zeggen voor mijn vertrek.

Mevrouw Gepts heeft gelijk; Jozef Peeters vond mijn werk magisch.

 

Voilà en dus nu enige plezierige brieven, en bewijzen, dat Ben Klein, en Paul Van Hoeydonck leugenaars zijn.

1: Hij weet dat ik reeds begin februari 1958 in Milaan exposeerde en verbleef.

2: hij vraagt me in Milaan te blijven om ‘Het Kahier’ aan de man te brengen.

3: Hij weet ook dat ik daar schilder, dus een woning heb.

            Ik lach mij dood; Callewaert schreef: dus Van Hoeydonck en Bert De Leeuw komen ook te voorschijn.

            Hoe de brief aan Paul Van Hoeydonck gericht bij mij terecht kwam?

            En nu de brief van Guy Vandenbranden, 10 nov. 1958.

            Het is zeer duidelijk dat Van Hoeydonck ons plan aan M. Callewaert overbriefde en dat wij aan die ruimte in de Rubensstraat werkten.

            Bert De Leeuw heeft een van zijn gasten gestuurd om een wand te timmeren die de schouw en een pompbak moest verstoppen. Deze wand werd met verfrommeld papier beplakt en wit geschilderd, wat een groot monochroom werk was, hij was met een lamp belicht, vanwege het effect.

            Ivo Michiels bracht ik op de hoogte van de Idee een grote monochrome tentoonstelling te maken, niet in het Hessenhuis, en hij dacht dat te doen in de feestzaal op de Meir. Van Hoeydonck wist dus wat wij planden, het is trouwens begin 1959 dat hij witte schilderijen begon te maken. Van Hoeydonck en Bert De Leeuw lieten ons zitten, midden 1959, maar toen was ik van plan me in Milaan te vestigen.

            November 1958 had ik een afspraak met Pagani, het gaf me meer mogelijkheden en ik wilde weg uit Antwerpen. Dus hierbij een kopij van dat eerste manifest dat later in het Frans, in Lausanne werd gedrukt.

 

U heeft alle fotokopieën van de brieven

                                               Fontana – Klein – Manzoni

                                               Tinguely zal ik u nog geven.

 

            Beste Jean, en nu het een en het ander samenvatten.

            1958 schijnt wel een doorslaggevend jaar geweest te zijn, ook vanwege de wereldtentoonstelling waar Ad Reinhardt werk had in het Amerikaans Paviljoen.

            In het bijzijn van Michel Oukhov spraken wij over de grote collectieve tentoonstelling en ik had toen reeds rode monochromen gemaakt die ik onder de naam van ‘Essentialisme’ naar voor bracht. Ik denk echt dat er niet veel wisten ‘waar het om ging’ en hoogst waarschijnlijk vonden zij dat flauwekul. Ook Fontana vonden zij maar vodden. Zelfs Trouilliard begreep dat toen (1958) niet.

            Begin 1959 – Jan. – reisde ik met Frank Philippi naar Milaan die daar een prachtige fotodocumentatie over heeft. (Misschien kan u eens vragen of U die nog mag inkijken.) Het was een prachtige reis en Frank Philippi een uitstekende vriend.

            Crippa had een persoonlijke tent. in de gal. Naviglio op 8 januari 1959. Na de opening was er een diner waarvan Frank ook foto’s maakte. Fontana maakte een toespraak, Lam was er, Branner en het was daar dat Kasper me beloofde mijn manifest te drukken. ‘all’ osteria del Collectionista via Centasio Milano’.

            Het was weeral eens een spannende reis, vol contacten, Confrontaties met Bonalumi, Castellani, Manzoni etc.

            De brieven over onze grote tentoonstelling van Manzoni dateren uit die tijd (30 jan 1959), ook die van Yves Klein zijn in februari of maart geschreven. In zijn tweede brief – zes blz. – vraagt hij mij alles door te praten en op punt te zetten. Hij zegt dat hij dezelfde opvatting ontwikkelde in een boek – waarschijnlijk ‘Le dépassement de la problematique de l’art’, dat Pol Bury uitgaf. Hij wist niet dat Fontana met mij akkoord ging, over Bury en Tinguely; ik bezit die brief nog, werd dus ‘de bewogen beweging’ gemaakt in het Hessenhuis.

            Paul De Vree heeft dat behandeld in ‘De Tafelronde’, jaargang nr. 3. De lange brief van Yves Klein is gepubliceerd ‘Bookmultiple 40’, 1972.

            26 april 1959 was de opening van mijn tentoonstelling Galleria del grattacielo in Legnano. Gelukkig voor mij was ik niet aanwezig op de opening van de Hessenhuistentoonstelling. Op de uitnodiging staat trouwens geen vermelding van ‘le mouvement stabile’ of iets dergelijks. Ik betwijfel ook dat er briefwisseling is met Van Hoeydonck over de werkelijke betekenis van deze manifestatie.

            Pol Bury was verbonden met ‘le mouvement cynetique’ in Parijs, Agam-Calder-Soto etc., en het is waarschijnlijk Paul Bury die die verbinding ontwikkelde. Galerie St. Laurent in Brussel was een centrum waar de abstracten thuis waren. Ik moest daar tentoonstellen in 1959, maar ik heb de indruk dat Van Hoeydonck een tamelijk negatieve rol heeft gespeeld, vermits Toussaint me in een brutale brief uitschakelt. Ik had ook met EDDA en Lacomblez goede betrekkingen.

            De brief van Ben Klein, 11 januari 1959, bewijst juist wanneer dat rood schilderij in het hessenhuis hing, de foto van F. Philippi in mijn catalogus Paleis voor Schone Kunsten, Brussel, 1979, toont dat schilderij.

            Fontana heeft dat gekocht en het is misschien nog in zijn verzameling.

            Pater, in zijn brief 18-2-1959, schrijft dat de tentoonstelling Vandenbranden – Van Hoeydonck 26 maart zal plaats hebben. Dus nog een bewijs dat Van Hoeydonck en al de anderen door mij bij Pater binnenkwamen. De reden waarom P. Van Hoeydonck die periode niet naar voren wil brengen is al een bewijs dat hij liever niet over die dingen spreekt.

            Het is na mijn tentoonstelling in Legnano dat ik bij mijn bezoek aan de ‘Mouvement’-tentoonstelling Günther Uecker leerde kennen. Hij was bezig zijn nagelbollen te plaatsen. Ik sprak hem aan en we hadden aanstonds contact. Hij is dan ook in de Rubensstraat blijven logeren en we zijn nu nog uitstekende vrienden. Voor mij blijft hij de belangrijkste Duitse kunstenaar.

            Manzoni en Megert waren in die tijd regelmatig in Kopenhagen. Ze hadden verbindingen met de Hollandse groep, dit manifest was een prachtige mop, op 1 april stonden inderdaad bezoekers voor de deur o.a. ook Antwerpenaren. De NULgroep komt hieruit.

 

            Ik was met Guy Vandenbranden in Milaan, hij transporteerde mijn en zijn schilderijen op zijn Volkswagen. Op de opening V. Hoeydonck en Vandenbranden waren niet zoveel bezoekers als verwacht. Ik weet niet meer wat Van Hoeydonck toen tentoonstelde. Moet u eens aan hem zelf vragen! Loont de moeite! Begin april 1959. Veel wit was er niet bij denk ik.

            Dus wij zijn aan de lente van 1959 gekomen. Ik huurde met Guy Mees ‘het tempelieren hof’ te Weert a nu woont de minister daar ook! – gelegen, en met Dani en Leonore verbleven wij daar regelmatig. Een mooie grote boerderij die wij zoveel als mogelijk in orde brachten. Ik werkte in de vroegere stallen, midden de weiden en de beemden, juist voor de Schelde, en ik vond dat fantastisch.

            Door mijn literaire interesse had ik ook met drukkers te doen en het is zo dat Wout Vercammen bij mij kwam in de Rubensstraat. Hij was toen drukker van beroep – en woonde boven de casa rocca.

            Hij kwam me ook bezoeken in De Weert. Zondags af en toe, hij schilderde prompt mijn doeken na die in die tijd een gloeiende zone hadden. Ik vond dat erg vervelend en begon met nylon zones te werken. In augustus wilde ik naar Albisola Mare rijden, waar alle Milanese schilders verbleven. Een zekere Maurice ? had een witte opel en wij zouden met Wout Vercammen naar ginder rijden.

            In Milaan verbleef ik bij Manzoni die juist zijn lijnen aan het maken was. In het huis van de Via Cernaia rolden wij door alle kamers, om een grotere afstand te bereiken, en toen de exemplaren klaar waren, reden we verder naar Albisola. Manzoni kende elk klein restaurant en wijnkroeg, het werd een echte zatte geschiedenis. Dus was ik ook bij de eerste lijntentoonstellingen. De lijn die hij me gaf heb ik aan G. Uecker cadeau gegeven, omdat Günther Uecker geen Manzoni had.

            Ook dat klein schilderij dat ik van Manzoni kreeg dateert uit 1958/59.

            Voordien ttz voor augustus 1959 schreef ik in het Tempelieren hof ‘Pour une peinture non plastique’. Guy Vaes maakte de vertaling in het Frans. Het werd gedrukt en uitgegeven door mijzelf – lay-out Wout Vercammen – Totte – in 1960.

            In juni tekende ik afnemend licht-toenemend donker – en was voordien bezig met de voorsocraten, ik schilderde ook in Weert zwarte schilderijen, ook enkele mooie oranjen waarvan Guy Vaes nog een bezit.

            Olaf moest geboren worden, begin september, daarom trokken wij terug naar de Rubensstraat om de geboorte af te wachten. Wij hadden helemaal geen centen en ik zag geen mogelijkheid aan geld te geraken.

            Ik verpandde mijn Fontana aan Wout Vercammen voor 5000 BF en kon met dat geld de nodige kosten betalen van de Dokter-Ziekenhuis enzomeer. Wout Vercammen heeft dat schilderij verkocht aan Perodin,in Brussel, voor 16.000 BF, zonder mij iets te zeggen, maar ik vond dat enige jaren later terug bij Mevrouw M. Krebs die het verwisselde voor een van mijn grote schilderijen. Ik bezit dat schilderij nog.

            Crippa en Nini zijn meter en peter van Olaf die trouwens Olaf Crippa heet. Crippa kwam naar België, begin oktober. En wij maakten er een feest van. Hij schonk ons het geld van een werk dat Ivo voor hem had verkocht. 16.000 BF, en Ivo betaalde 8000 BF aan ons. Ik weet nu nog niet wat er met de andere 8000 BF gebeurde.

            Ik heb verder gewerkt aan mijn werken voor Rotterdam en dat werd dan wel een grote klap. Op de opening een bezoeker, Mijnheer Sanders, hij kocht een rood schilderij dat hij nu nog bezit.

            Intussen had ik gebroken met ‘het kahier’ en werkte op mijn eentje verder. Van onze groepstentoonstelling is er niets gekomen en ik was misnoegd, langs de andere kant was ik blij Uecker ontmoet te hebben en Düsseldorf was niet zo ver (in die tijd) als Milaan.

            Ik keerde terug naar Milaan en maakte voor Pagani gouaches, hij vroeg me een Belgische tentoonstelling te maken ‘Jonge Belgische Schilderkunst’ wat ik ook deed. U kan hiernaast ook de brieven lezen, en mijn onkostenrekening, dit is dan wel een ‘rekord’ in prijs. Voor 4550 BF een groepstentoonstelling maken transport inbegrepen, enfin, niemand heeft dat ooit ook gedaan voor mij.

 

In feite kunnen ze allemaal mijn kloten kussen!!

 

            Tot over enkele weken was ik in de mening dat deze tentoonstelling einde of begin 1959 plaats had. Voor mij verandert dat alles en het wil dus zeggen dat Vic Gentils en Jan Dries helemaal niet in de richting (die hij wil laten uitschijnen) dachten. ‘Stringenz’ en Sellung verbrand hout etc. waren te zien in de Duitse tent. te Milaan.

            Jan Dries kwam nog met keramieken, dus de witte vormen zijn later gekomen. Voor mij brak er een nieuwe tijd aan, Crippa heeft me met Hans Liechti in contact gebracht. Met Crippa ben ik met zijn wagen tot in Zwitserland gereden en zo werd dan mijn komende tentoonstelling in de Galerie Bernard, Grenchen bedisseld.

            La Fleche de Zenon.

            Voor de tentoonstelling bij Liechti is Jozef Peeters mijn schilderijen komen bekijken en hij heeft me overtuigd deze tentoonstelling toch te maken. Ik zag het in feite niet meer zitten. Paul De Vree kocht een schilderij 190 x 160 cm voor de som van 6000 BF en hij zou die som in twee x betalen, enfin het was een beetje beter dan niets. Ik kon toch wat geld achterlaten.

            Te Basel aangekomen heeft Liechti me afgehaald en ik geraakte zonder veel moeilijkheden door de Douane. In Grenchen heb ik mijn schilderijen op ramen gezet en na een paar dagen opspannen en inlijsten was de tentoonstelling klaar.

            De Galerij was een appartement in zijn hotel, niet slecht om tentoon te stellen en de tentoonstelling kon beginnen. Op de dag van de opening heeft Kamber, de secretaris van Liechti, een contract getypt en alle schilderijen werden aangekocht. Liechti gaf mij een voorschot van 60.000 BF en ik zou gedurende vijf jaren maandelijkse betalingen krijgen, mits het maken van een schilderij per maand. Ik kon het niet geloven en was helemaal de kluts kwijt, Engelbert Van Anderlecht, hij is van Milaan (waar Pagani zijn schilderijen had gekocht) naar Grenchen gekomen om mij te bedanken. Hij heeft mij geholpen das en hemd aan te krijgen, ik kon dat van alteratie niet meer alleen, en hij was even blij als ik om mijn Chance, noemt men dat.

            Hans Liechti bestelde aan Van Anderlecht ook enkele schilderijen, hij betaalde die vooruit, en wij werden diepe vrienden.

            Met Van Anderlecht had ik een geweldige ‘response’.

            Wij wisten dat wij nog enorm veel te doen hadden en begonnen plannen te maken om een groep samen te stellen, die het Belgisch Klootministerie zou omverwerpen.***

Wij wilden een andere plaats toegewezen krijgen ‘et notre passion’ was niet te stoppen. Ook Guy Vandenbranden was een fijne kameraad. In Milaan had Crippa me meer dan een x doen verstaan dat ook hij het een schandaal vond hoe de Belgen het achterste van elke vreemdeling aflekten, en dat de enige manier zou zijn om dit te veranderen, te manifesteren in het openbaar. Ik was een overtuigd Vlaming en Europees ingesteld, en dacht dat alles nog te redden was. Ik was vrijzinnig maar de anderen hebben altijd trachten naar voren te brengen dat ik een fascist was. Enfin, met enkele collega’s kregen wij ‘De Nieuwe Vlaamse School’ van de grond. Het is zeker een feit dat de tentoonstelling in het C.A.W. daverde van de geestdrift. Het is misschien wel de ontroerendste tentoonstelling die ik heb meegemaakt. Ik denk echt dat het werk ook van een hoog gehalte was, voor jongeren.

            Aan de voorbereiding werd er hard gewerkt en er was een soort nieuw geloof ontstaan onder ons. Ergens hadden wij de boeien doen springen en wij voelden ons bevrijd van een hoop beknelling. Het was ook de dood van het Hessenhuis, onze tentoonstelling was echt veel beter, en dynamischer, enfin wij hadden er hoop op!

 

*** Van Hoeydonck en Gentils zijn enige tijd nadien bij E. Langui geweest om mea culpa te klagen, dixit Langui.

 

            Het zal uit deze brieven wel duidelijk blijken van waar en hoe deze tentoonstelling er kwam, ze schijnen dat allemaal vergeten te hebben zoals dat trouwens senielen past.

            Milaan en de tentoonstellingen

            De Nieuwe Vlaamse School en dan al de tentoonstellingen bij Liechti. Zij zijn niet erg origineel vind ik. Het is Hans Liechti die bij Vic Gentils zijn eerste werk kocht enz.

            Pol Bury werd ook door mij bij Hans Liechti gebracht, en dat na het failliet van zijn moeder. Wij werkten enkele weken samen in Grenchen, en het was erg plezant!!!

            Hij verkocht veel werken en amuseerde zich goed.

            Ook Van Hoeydonck, maar Hans Liechti ging daardoor op zijn knieën!

            Men kan trouwens nog werken ‘les bonshommes’ voor niets hebben.

            Mijn tentoonstelling met Lo Savio – Ad Reinhardt – Jef Verheyen was helemaal begin 1961. Opening 27 jan. 1961.

            Dus ik was bezig met belangrijke dingen. Het museum Leverkusen heeft          1e Malevitsch tent.

                                               1e Fontana tent.

                                               1e Monochromen etc.

1961 De ‘Biennale des Jeunes’ 2e waar ik de laatste maal Yves Klein levend ontmoette.

 

In 1962 Zero in Antwerpen

            Nul in Amsterdam en dan de voorbereiding van Bochum, Profile II.

            Hier nog enkele brieven die duidelijk laten zien wie er achter stak en wie alles materieel mogelijk maakte.

            Waarom de smeerlappen die brieven rondstuurden weet ik niet.

            Nadien nog Integratie 1964 en dat was dan de laatste Coll. tent. die ik mee inrichtte.

Vanwege ZERO; FONTANA

            1966  ROTRAUT – UECKER – KLEIN.

            en de andere Zeromannen incluis. Voor de laatste Zero, in Stedelijk Museum in Amsterdam, was ik er niet bij. Ik ging wel naar de opening maar niemand heeft zich verontschuldigd omdat ik niet uitgenodigd was. Een aangenaam gevoel was dat niet.

            Ik had een bom moeten smijten tussen die troep, juist op het ogenblik dat zij die foto maakten, het zou een prachtige dynamische foto geworden zijn.

            …en plots daagt ZERO weer op. Zürich en nadien Antwerpen. Het was een prachtige tentoonstelling en ik vond mijn vertegenwoordiging in zekere zin de beste. Mijn werk is in feite veel zuiverder dan dat van de andere ‘Zero’mannen. Er is iets grootser in mijn werk en dat ontstaat door ‘de emotie’. Ik bleef voor 100% schilder en ik zal zo wel sterven ook.

            Bovendien ben ik waarschijnlijk de enige schilder van die groep en ik had het geluk te mogen weten waarom ik schilder, die ‘chance’ is niet aan iedereen gegeven, maar het maakt de opdracht niet lichter maar wel wonderbaarder.

            Ik hoop dat U de gegevens kan gebruiken en ze niet liggen laat in de schuif van de onmacht.

            17 Maart 1980.

                        ‘In den Gulden Wijngaard’

                                   St. Saturnin d’Apt

                                                                       Le peintre Flamant

                                                                            Jef Verheyen

 

                        O

 

 

enkele vragen; waarom heeft Van Hoeydonck geen correspondentie aangaande de tent. ‘bewogen beweging’.

            Ook niet daarna had hij contact met ‘ZERO’, waarom niet?

            Waarom waren Fontana (…) Manzoni en ik niet uitgenodigd en waarom hebben zij ook Manzoni vergeten?

            Antwoord, zij wisten wel wat ik voorhad en het is juist deze groep die niet uitgenodigd werd. Yves Klein had geen werk ter beschikking, daarom toonde hij ‘Le vide’.

            Zelfs na ‘Monochrome Malerei’ had het Hessenhuis geen contact met die groep, en Megert?

            Waarom kreeg Van Hoeydonck die klap op zijn bakkes van Jean Tinguely, ik zal U het antwoord geven; omdat de groep vond dat Van Hoeydonck er niets mee te maken had, ik vraag dat schriftelijk aan Jean Tinguely. Dit seizoen zal hij trouwens tentoonstellen in het Paleis Voor Schone Kunsten Brussel.

 

Transcriptie brief Jef Verheyen: Iris Paschalidis

Transcriptie anderstalige brieven: Lien Vanneste

Contacteren briefschrijvers 1958-1964 en/of hun erven: Lien Vanneste

Vertaling anderstalige brieven: Catherine Robberechts (uit het Frans), Frans Denissen (uit het Italiaans) en Eddy Bettens (uit het Duits)

Met dank aan de erven Jef Verheyen en in het bijzonder aan Léonore Verheyen; alsook aan de auteurs van de brieven uit 1958-1964 of hun erven.