Paul De Vylder

DE WITTE RAAF

Editie 138 maart-april 2009

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Hocus Pocus. De semantiek van de begoocheling in tijden van artisitieke onrust

De intrigant is de meester van de betekenissen.

Walter Benjamin

 

Het Engelse woord hoax ziet er eerder vreemd uit. Het heeft de allure van een antieke constructie op ‘-ax’, gelijk het Latijnse vorax (‘vraatzuchtig’) of het Griekse hapax (‘eenmaal’). Dit is boerenbedrog: fonetisch gespeld – /hōks/ – verdwijnt de suggestie van de suffix ‘-ax’; in het Engels wordt de klank /ō/ immers gespeld als ‘oa’ (vergelijk met: /ōk/, oak). Dergelijke botsingen tussen morfologie en uitspraak kunnen ons verbazen, maar in het geval van hoax is de collisie eerder ironisch dan verbazingwekkend. Niet in het minst voor ernstige etymologen die zichzelf veroordeeld zien dit ongewone woord af te leiden van ‘hocus pocus’. Een riskante operatie waarbij ‘hocus pocus’ op zijn beurt een geschifte variant of derivaat blijkt te zijn van het nog meer geschifte ‘hax pax max Deus adamax’. We zijn nog maar begonnen met de ‘fopperij’ en we zitten al middenin het potjeslatijn van de 16de eeuw en de toverformules van de beunhazen.

Semantisch bekeken is ‘hoax’ nog merkwaardiger dan zijn geschiedenis al laat vermoeden. ‘Hoax’ is een bipolaire term, sterker nog, het is dé bipolaire term bij uitstek. Het semantisch veld van ‘hoax’ plooit open gelijk een elektrisch circuit: de ene pool komisch, de andere pool sinister. ‘Pulling a leg’ en ‘playing a joke’ tegenover ‘fraud’, ‘fraudulence’ en ‘dupery’. De grap en de leugen gevat in één enkele symbolische schijnbeweging. Wie nog maar zijn mond opent om te spreken, begint al te liegen en wie probeert om niet te liegen moet wel een grapje maken. De fatale onbetrouwbaarheid van de taal samengevat in één krankzinnige pirouette: hoaxing. Sinistere grap en hilarisch bedrog, ziehier het opperste kunstje van de taal; ziehier de logica al bij voorbaat in zijn hemd gezet; ziehier de retorica bevestigd in zijn rol van retoriek: opslagplaats én tentoonstellingsruimte van decoratieve tautologieën. Ziehier de triomf van de recursiviteit: het woordenboek als handleiding van de begoocheling. De patroonheilige van dit onstuitbare gegoochel moet wel een god zijn. Dit is wel het minste wat wij hierover plechtig kunnen verklaren. Daarbij komt nog dat in het semantisch universum van de begoocheling er maar één meester kan zijn: de hoax. Om het energetisch vermogen van dit bipolaire universum in één formule samen te vatten: the mother of all hoaxes is God. God is de Mofah.

Zinnen waarin ‘God’ en ‘universum’ samen figureren, rieken altijd naar metafysica; in dit geval echter, in het geval van de Mofah, zouden we zelfs kunnen spreken van glossolalie: de delirerende variant van metafysica. Toch is de Mofah geen metafysische freak. De Mofah is een hyperbool op louter linguïstische gronden. Als we, bijvoorbeeld, ‘coincidentia oppositorum’ (‘het samenvallen van de tegengestelden’) kunnen hanteren als een mystiek raadseltje, waarom zouden we vanuit een linguïstisch oogpunt of blikpunt dan niet ‘Mofah’ kunnen stellen?

Misschien kunnen we ‘mother of all hoaxes’ toch maar beter bekijken vanuit zijn zijkanten, vanuit een paar sterke staaltjes van collateral hoaxing. Collateral bij wijze van spreken, uiteraard.


Deus Inversus 

Vermits gelijk welke retorische vorm altijd een specifiek iconische format is, kunnen we zonder overdrijving stellen dat een hyperbool een woordelijke close-up is binnen een panoramische voorstelling. Daarom is de Mofah niet zozeer de karikatuur van enige transcendentale hoax, dan wel de uitbeelding van een enorm hoax-producerend moederlijf. De Mofah is een gigantisch reproductieapparaat dat onverpoosd en in alle denkbare richtingen kopieën verspreidt van zijn eigen onovertrefbare bipolariteit. Hij is zozeer reproductieapparaat dat zelfs het taboe op zijn (unspeakable) naam dient uitgesproken in een duizendvoudige inversie. Denk hierbij aan de tienduizend namen van de kleine, dagelijkse, banale, ordinaire demonen. De Mofah is niet alleen God, bovenal is hij reproductie door inversie.

Aamoa, Abaddon, Abalam, Abraxas, Agates, Agiel, Agramon, Alastor, Alloces, Amaymon, Amdusias, Amon, Andras, Andrealphus, Andromaltus, Apollyon, Armaros, Asb’el, Asmodai/Asmodeus, Astaroth, Azazel, Baal, Balam, Balberith, Baphomet, Barbas, Barbatos, Bathin, Beelzebub, Behemoth, Belial, Beleth, Belphegor, Berith, Botis, Buer, Bune, Caacrinolaas, Caim, Chalkatura, Charuth, Cimejes, Coalprin, Corson, Crocell, Crone, Dantalion, Danjal, Decarabia, Demogorgon, Dmitryus, Dumah, Duth, Eligos, Ettin, Eleksha, Fleuretty, Focalor, Foras, Forneus, Furcas, Furfur, Gader’el, Glasya-Labolas, Graphathas, Gremory, Grigori, Gusion, Haagenti, Halphas, Hanan’el, Haures, Hoethra, Ipos, Ithea, Jalourous, Kasdaye, Kobal, Kokb'ael, Kulak, Labal, Lamia, Legion, Leraje, Leviathan, Lilu, Lix Tetrax, Lucifer, Lucifuge Rofocale, Malphas, Mammon, Marax, Marbas, Marchosias, Mastema, Masselir, Mathim, Melchiresa, Melioth, Mephistopheles, Merihem, Mermeoth, Moloch, Murmur, Naamah, Naberius, Naberus, Naphula, Nephonos, Obizoth, Onomatath, Oray, Orcus, Oriax, Orniax, Orobas, Ose, Paimon, Penemue, Phenex, Pithius, Procell, Pruflas, Purson, Rahab, Raum, Ronove, Rosier, Rumjal, Sabnock, Saiko, Sallos, Salpsan, Samael, Satan, Satanachia, Scox, Seere, Semyazza, Shanda, Shax, Sidragasum, Sitri, Stolas, Surgat, Tannin, Tartaruchi, Temeluchus, Thammuz, Ukobach, Valefar, Vapula, Vassago, Vepar, Verrine, Vine, Volac, Vual, Xitragupten, Xaphan, Yeqon, Yeter'el, Zaebos, Zagan, Zelusrous, Zepar, Ziminar, Ziz.

 

Deus Subversus

Wie in de demonologen en de inquisiteurs alleen de gruwel van een vastgelopen verbeelding of de stank van ‘carcerale’ folteringen zou herkennen, heeft een punt gemist. De werkzaamheden en de gedachtegangen van deze lieden zijn immers juist zo sinister omdat ze tijdens het werk en bij het denken zeer pompeuze hoeden dragen en in een vrijwel onbegrijpelijk jargon peroreren. Enkel op die onvoorwaardelijk bipolaire manier kunnen heksen en heksenmeesters worden geïnstalleerd als de lijfelijke organen des duivels.

Persoonlijk denk ik dat demonologen, inquisitoren en exorcisten van plan waren om de goddelijke inversie nogmaals te inverteren, deze keer more geometrico. Deze paradox kan niet nadrukkelijk genoeg worden vermeld. Het scheelde immers niet veel of Baruch de Spinoza, de meest serene onder de geometrische denkers, werd op de rol gezet van het geheime leger van Satan.

En wat moeten we dan denken van heksen die op die manier bijwijlen mannelijke organen verzamelen in groten getale, tot twintig of dertig roedes opgeteld, en die in een vogelnest leggen, of opsluiten in een koffer, waar ze bewegen gelijk levende organen, en waar ze haver en graan eten, zoals dat reeds door velen gezien is en gemeenzaam gerapporteerd? Het dient gezegd dat dit alles het werk is van de duivel en van illusie; de zintuigen van hen die dit gezien hebben zijn immers misleid op een manier die we reeds hebben vermeld. Want een zeker iemand vertelt dat wanneer hij zijn lid kwijt was, hij een alom gekende heks benaderde om haar te vragen het weer bij hem aan te brengen. Ze beval de geteisterde man in een bepaalde boom te klimmen om zo het lid dat hem beviel uit een nest met meerdere organen te kunnen nemen. En wanneer hij een groot exemplaar probeerde te grijpen, zei de heks: ge moogt dat niet nemen, eraan toevoegend: omdat het aan een pastoor heeft toebehoord. Deze dingen worden allemaal, zoals we reeds stelden, veroorzaakt door duivels via illusie of betovering, door het gezichtsorgaan in de war te brengen door transmutatie van de mentale beelden in het voorstellingsvermogen. En er mag niet beweerd worden dat de mannelijke organen die hier tevoorschijn komen duivels zijn in een aangenomen gedaante, juist zoals die soms verschijnen aan heksen en gewone mensen in geveinsde etherische lichamen, en zoals die zich met hen onderhouden. En de reden hiervoor is dat ze dit bewerkstelligen door een eenvoudiger methode, namelijk door een inwendig mentaal beeld te putten uit de opslagplaats van het geheugen, en het in te prenten in de verbeelding. […]

Aan wat er in het eerste deel van dit werk gezegd is omtrent de kwestie ‘of heksen het mannelijk lid kunnen wegnemen’ kan toegevoegd worden dat, wanneer het de duivel zelf is die een lid wegneemt, hij het werkelijk wegneemt, en dat hij het werkelijk terug aanbrengt wanneer het dient aangebracht. Ten tweede, aangezien het niet kan weggenomen worden zonder letsel, gebeurt dat ook niet zonder pijn. Ten derde, dat hij dat nooit doet tenzij gedwongen door een goede Engel, want door dit te doen ontzegt hij zich een grote bron van profijt; hij weet immers dat hij meer hekserij kan uitrichten op dit soort handelingen dan op ander menselijk handelen. Want God laat hem hierop meer onheil aanrichten dan op ander menselijk gedrag, zoals reeds gezegd. Maar geen enkele van die bovengenoemde punten is van toepassing als hij werkt via tussenkomst van een heks met Gods permissie.’ Malleus Maleficarum, II, Quaestio I, caput 7

 

Deus Incarnatus

De Koning is een dubbelfiguur, een dubbelnatuur (‘una persona duae naturae’). Een tweeling-persoon: persona duplex. Koningen zijn dus zeker nooit enkel maar grootmoedig of verwaand, bijvoorbeeld. Integendeel, dergelijke karakteristieken zijn niet meer dan accidenten. Koningen zijn niet door geboorte, maar meer nog per definitie tweewaardig. Hun persoon of hun personage belichaamt de vrede en de voorspoed der volkeren, de glorie van de natie en de vruchtbaarheid van de koeien. Een Koning is de incarnatie van het Heil.

De ‘incarnatie van het Heil’— onmogelijk om hier naast de subtiele aanraking van de Mofah te kijken. Indien een sinistere grap, dan wel deze: het Heil dient voor zichzelf een lichamelijke gestalte te simuleren om zichzelf als immer onvervulde belofte te kunnen manifesteren. Rex non moritur: de Koning sterft niet, hij wordt steeds weer geboren, al was het maar om ons enthousiasme voor de geneugten van de begoocheling hoger en hoger te doen oplaaien. Sinistere ceremonieën én hilarische apotheosen – hoe kunnen we zo’n vorstelijk project ensceneren?

Voor de troon van de keizer stond een metalen boom, helemaal verguld en met takken vol vogels van allerlei soort, ook van metaal gemaakt en verguld; allemaal samen, maar elke vogel op zijn eigensoortige wijze, lieten ze het gezang van verschillende vogels weerklinken. De troon van de keizer was bovendien zo kunstig gebouwd dat hij het ene moment klein, het volgende moment groter, en dan weer opnieuw hoog verheven voorkwam. Leeuwen van enorme grootte, of ze van metaal of van hout gemaakt waren weet ik niet, ze waren in elk geval met goud bekleed, stonden opgesteld als wachters van de troon, ze sloegen ondertussen met hun staarten op de grond en, met opengesperde muil en bewegende tong, lieten ze een gebrul weerklinken. In deze zaal werd ik, onderstut door twee eunuchen, voor het aanschijn van de keizer gevoerd. Als ik binnenkwam, brulden de leeuwen en de vogels kwetterden ieder naar hun eigen aard, en toch werd ik niet bevangen door vrees of door verbazing, omdat ik mij hieromtrent goed had laten informeren door lieden die met dit alles zeer vertrouwd waren.  Als ik mij dan ten derde male had laten neervallen en mijn hoofd weer oprichtte, daar aanschouwde ik hem, die ik zopas nog op een vrij kleine hoogte had zien zitten, nu bijna tot aan het plafond van de zaal verheven, en, met andere klederen bekleed dan ik daarjuist gezien had. Hoe dat in zijn werk ging, kan ik niet begrijpen, misschien werd hij wel met een soort wijnpers naar boven geduwd. Bij deze gelegenheid sprak de keizer geen woord met zijn eigen mond, zelfs indien hij dat zou gewild hebben dan zou dit, gezien de grote afstand, niet betamelijk geweest zijn. Via zijn logotheet, of was het zijn kanselier, informeerde hij naar leven en welbevinden van mijn Heer. Nadat ik op gepaste wijze hierop had geantwoord, trad ik op een wenk van de tolk terug en werd ik naar het mij toegewezen logement geleid.

Liudprand van Cremona, Relatio de legatione Constantinopolitana, 968

 

Deus Imaginarius

Juist gelijk de koning is de kunstenaar een ambivalente figuur. Artistieke ambivalentie is echter geen statuut, geen attribuut de jure; artistieke ambivalentie is een opdracht en een vervloeking. De kunstenaar is slechts een gast aan de tafel van de Mofah voor zover zijn leugens applaus oogsten bij de machtigen en bij de minderbegaafden; een gast ook, voor zover hij bereid is de wellust van de fopperij toe te schrijven aan zijn eigen waanzin.

Toch schijnt de kunstenaar deze ondankbare taak met enthousiasme te omarmen en bovendien de vloek van de waan manhaftig te trotseren. In de volksmond wordt hij daarom hovaardig genoemd en zelfs in betere kringen wordt hij omwille van zijn gekte gemeden. Hoe gemakkelijk het was om de collateral hoaxing van duivel, heks en koning te typeren, zo verdomd lastig is het om het illusionisme van de kunstenaar binnen het bipolaire veld van de hoax te trianguleren. Het is zelfs zo erg dat wij zijn imaginaire codes aan juridische en psychiatrische analyses onderwerpen, en dat we het verzet dat hij pleegt tegen de taal van de begoocheling toeschrijven aan dwangmatigheid en aan wrede vormen van perversie.

W-a-a-a-r-r-u-m-sch-ei-ei-ei-ss-e-e-e-n Sie

d-e-e-e-n-n-n-ni-i-i-i-i-cht?

 ‘Op 5 oktober 1900 gaf de kapper mij, bij het scheren, een klein sneetje; dit is trouwens meermaals gebeurd in het verleden. Tijdens de daaropvolgende wandeling in de tuin ontmoette ik Regeringsbeambte M.; nadat ik hem had begroet, merkte hij onmiddellijk de minieme snede die gecamoufleerd was met een klein stukje spons, ongeveer zo groot als dit: ¡, en waarvan op zijn minst dient gezegd dat het niet bepaald de aandacht trok; hij begon mij vragen te stellen omtrent het gebeurde, waarop ik, waarheidsgetrouw, antwoordde dat het de kapper was die mij had gesneden.

Dit kleine incident is voor mij hogelijk interessant en leerrijk; ik ken er immers de diepere verwikkelingen van. Voor mij lijdt het niet de minste twijfel – gezien het aantal dergelijke voorvallen – dat de snede het resultaat was van een goddelijk mirakel en dat dit specifieke mirakel van de opperste God kwam. Aangezien deze godheid zich genoodzaakt voelde om een ‘tussenkomst’ te veroorzaken in de reeds hoger vermelde betekenis, greep hij in op de spieren van de handen van de kapper, waarbij de bruuske handbeweging de snede voortbracht.

Dat de Regeringsbeambte M. ertoe kwam mij onmiddellijk aan te spreken over dit kleine sneetje, berust op het feit dat (binnen het kader van de betrekkingen die God met mij onderhield, tégen de orde van het universum in) Hij ervan houdt dat de mirakels die Hij op mij bewerkstelligt, het voorwerp kunnen worden van een conversatie. Dit streelt de futiele eigendunk van de stralingen, een wel heel speciale eigendunk. (Een verschijnsel dat ten zeerste gelijkt op wat zich voordoet bij menselijke wezens. Ook de mens voelt zich altijd gestreeld als een of ander product van zijn werk, zijn ijver, enz. erkenning krijgt in de opmerkzaamheid van anderen.) Het mirakel beroerde de Regeringsbeambte M. blijkbaar op tweevoudige wijze: vooreerst de oogspieren, zodanig dat hij ertoe kwam met zijn ogen het letsel en het kleine stukje spons aan mijn lip op te merken; vervolgens zijn zenuwen (zijn wil), zodanig dat hij de vraag opwierp omtrent de oorzaken van de verwonding. De vraag zelf was geformuleerd als volgt: ‘Wat heeft u daar aan uw mond?’

Gelijkaardige vaststellingen heb ik talloze keren kunnen maken; omtrent viezig spul dat de mirakels, tijdens het eten, opzettelijk op mijn mond smeerden of op mijn handen, of nog op het tafellaken of op mijn servet. Bovendien gebeurt dit, vreemd genoeg, voornamelijk tijdens het bezoek van mijn vrouw of mijn zuster; bijvoorbeeld bij het drinken van chocola. Door toedoen van de mirakels kleven er stukjes chocolade aan mijn mond, mijn handen, het tafellaken, mijn servet; en zonder mankeren maakt mijn vrouw of mijn zuster dan, op een zachte afkeurende toon, opmerkingen over die vlekken.

Dergelijke ervaringen heb ik dikwijls gehad aan de tafel van de directeur van het asiel, maar ook elders. Het gebeurde aanvankelijk meermaals aan diens tafel dat de borden gewoon in tweeën braken zonder dat dit aan enige bruuske beweging te wijten was; of dat de voorwerpen die door de bedienden of ander hulppersoneel, of zelfs door mij werden gehanteerd (een van mijn schaakstukken, bijvoorbeeld, of mijn vulpen, of mijn sigarenpijpje enz.) plots op de grond vielen, zodanig dat de breekbare exemplaren helemaal stuk waren. In elk van die gevallen is een mirakel de oorzaak; dit is ook de reden waarom die incidentele schade, kort daarop, het stellige onderwerp wordt van conversatie in mijn omgeving.

Daniel Paul Schreber, Denkwürdigkeiten eines Nervenkranken, Leipzig, 1903

 

Locus Horridus

De vier opgesomde paradigma’s, ‘duivel’, ‘heks’, ‘koning’ en ‘kunstenaar’, lijken wel een willekeurig zootje. Toch vallen bij nader toezien verschillende verbanden en tegenstellingen op. Ten eerste is de relatie ‘duivel’/’heks’ bijna een historische tandem. Ten tweede kunnen we van ‘koning’, incarnatie van het Heil, een scherpe semiotische as trekken naar ‘duivel’, verpersoonlijking van alle onheil. ‘Koning’ en ‘duivel’ zijn inderdaad de archetypische gedaanten van de contrairen-as: ‘goed’ ó ‘kwaad’. Ten slotte lijkt de relatie ‘koning’/’heks’ al veel minder evident, ook al staan de kronieken en de processen-verbaal van het ancien régime bol van de betoveringen en de hekserijen waarmee prinsen en vorsten belaagd werden. Via de figuren ‘blasfemie’/’majesteitsschennis’ loopt er wel degelijk een semantische draad tussen ‘koning’ en ‘heks’, al dient toegegeven dat die wel erg dunnetjes uitvalt.

Maar wat met de figuur ‘kunstenaar’? Wat komt die nieuwlichter hier doen tussen alle drie deze archaïsche figuren? Wat is zijn specifieke plaats of bijdrage binnen deze selecte club? (Een club genaamd: The Ancient Congregation of the Semioticians of the Hoax.) Is het omwille van zijn eigenwaan als soeverein subject dat hij de Koning naar de kroon steekt? Of is hij, wellicht tijdens de linguïstische roerselen van de postmoderne folklore, uitgegroeid tot onbegrepen tovenaar en tot witte heks? Heeft hij een pact met de duivel gesloten of hebben de vorsten en de prinsen hem ingehuurd als onbetrouwbare maar jolige hofleverancier?

Het zou voor iedereen duidelijk moeten zijn dat dit geen semantische kwesties zijn, maar conjuncturele speculaties. Deze patstelling tussen de diachronie van de cultuur en de synchronie van het taalsysteem kan slechts opgeheven worden mits een theoretische amputatie. Laten we de historische personages wegsnijden uit onze vergelijking en, zodoende, de anatomie van het kadaver zorgvuldig in kaart brengen. De Mofah is geen super- of hyperhoax, dat is hier al eerder betoogd; het is een moederlichaam, een reusachtige generator van particuliere vormvarianten van hoaxing. Van zodra we die varianten in een symmetrisch assenstelsel proberen te dwingen, komen hun anachronismen en hun formele incongruenties genadeloos tevoorschijn. Maar binnen de asymmetrie van een louter linguïstisch schema vertonen ze plots een samenhang die door de capriolen van de geschiedenis zorgvuldig gecamoufleerd was. Ontdaan van hun historische manifestaties zijn ‘koning’ en ‘duivel’ de extreme paradigma’s op een ethische as: ‘heil’ ó ‘onheil’. Op dezelfde wijze uitgekleed, zijn ‘kunstenaar’ en ‘heks’ de extremen op een epistemologische as: ‘kunst, kunde’ ó ‘toer, truc’, of nog duidelijker: ‘technè’ ó ‘poespas’. Al wie deze twee assen, de ethische en de epistemologische as, in een semiotisch vierkant kan wringen, krijgt van mij de Grote Prijs van Babel.

Onvermijdelijk dus, een asymmetrisch schema. Of liever, gezien de topologie van het asymmetrische, twee gespiegelde schema’s:

of

(A)                  (B)

te lezen als:

/

\

Heks

heks

\

/

duivel

koning

duivel

koning

kunstenaar

kunstenaar

In het (A) schema zijn ‘heks’ en ‘kunstenaar’ de afsplitsingen van de koninklijke hoax. Ze vormen de positieve en negatieve pool van de parafernalia van de macht: de witte en de zwarte magie. Het (B) schema is echter formeel complexer: het is even accuraat als het eerste, maar het past bovendien beter binnen de bipolaire logica van de begoocheling. De ‘heks’ is hier, zoals publiekelijk geweten, de acoliet van de duivel (vandaar de ‘technè’ van de heks: witch-craft). De ‘kunstenaar’ daartegenover blijkt in hetzelfde schema zijn ziel verkocht te hebben aan Mefistofeles volgens een faustisch scenario; en Mefistofeles, dat wisten we al, is een van de talloze inversies van de Mofah. Toch vertellen deze diagrammen geen zielsverheffende verhalen over koortsige ambitie en reddende inkeer; het zijn koudbloedige protocollen van een semiotische dissectie. Het topologisch diagram wijst geen diabolische hoogmoed aan, het toont slechts de plaats van de publieke acclamatie van het waanweten.

Inderdaad, in de wereld van de Mofah is de kunstenaar ofwel een getalenteerde fantast, ofwel zijn spiegelbeeld: een populaire waanzinnige. Deze plek bezet houden in het nest van de mother of all hoaxes is het geheim van de kunst en, bij uitbreiding, van alle menselijke wezens die de platheid van het bijgeloof proberen te peilen of, nog riskanter, de horror van de leugen. Toch dient onmiddellijk toegegeven dat de ‘liegende Kretenzer’ – als paradox – slechts met formele logica kan worden ontkracht; terwijl het liegen in het Rijk van de Leugenaar zowel een sociale deugd is als een mentale afwijking. Deze botsing tussen epistemologie en ethiek is onvermijdelijk én catastrofaal: alleen de kunstenaar kan de ijzeren wetten van de hoax bespelen als speelde hij op een geleend fluitje. Dit spel is niet enkel gevaarlijk (gedenk Marsyas!), het is een onmogelijke taak. Vandaar dat, in toenemende mate, de kunst wordt overgenomen door kleinhandel en grootbanditisme. Via de ernst van het rekenen en de onverdroten ijver van het ondernemen probeert men de Mofah te overtroeven. Een treurige schijnbeweging desalniettemin: slechts door schaamteloze hoaxingtechnieken verkrijgt het kunstwerk enige ruilwaarde; de samenzweringstheorieën, ten andere, over de dwang en de almacht van enig ‘artistiek systeem’ of ‘circuit’ zijn niets meer dan de enigszins zwakzinnige neefjes van de oermoeder van de begoocheling. Ondanks de gênante pogingen tot cynisme om de kunstenaar te herscholen tot handelaar en de criticus tot marketeer, blijft het waanzinnige nest van de Mofah de enige plaats waar ‘hoaxing the hoax’ geen wanhoopskreet is, maar een onherleidbare geste van verzet.

Op het moment dat ik de hedendaagse praktijken van sham art, nepkunst, Ersatzkunst – hoe men het ook wil noemen – in semiotische termen wou proberen te lezen, kon ik nog niet vermoeden dat de lokalisatie van de onmogelijke plek van de kunstenaar voor mij een intro zou zijn in de semantiek van de goddelijke hocus pocus. Hax pax max Deus adamax.