Alied Ottevanger

DE WITTE RAAF

Editie 138 maart-april 2009

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Verzamelaars verzamelen voor het museum

In Nederland zijn directies van diverse musea begonnen de betrekkingen met privéverzamelaars flink aan te halen. Nieuw is dat ze aan die relaties prioriteit willen geven boven bijvoorbeeld eigen aankopen voor het museum. De verandering is merkbaar bij zulke uiteenlopende musea als het Rijksmuseum in Amsterdam, Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam en het Schunck-Glaspaleis in Heerlen. Illustratief is een uitspraak van Wim Pijbes. Net overgestapt van de Rotterdamse Kunsthal naar Amsterdam, meldde de nieuwe directeur dat zijn Rijksmuseum niet langer in objecten moest investeren, maar in relaties (Voor de eeuwigheid? Over collectiebeleid in Nederland, Rotterdam, 2008, p. 260). Bij het Rijksmuseum is het charmeoffensief richting de particuliere verzamelaar sindsdien weer in stelling gebracht. Dat blijkt bij meer musea het geval.

Directeur Sjarel Ex van Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam houdt zich al wat langer bezig met het intensiveren van de betrekkingen met ‘zijn’ verzamelaars. Daarbij hecht hij er voorlopig aan het imago te blijven uitdragen van de klassieke, hechte relatie tussen directie en collectioneurs, lees vooral: schenkers. Dat beeld onderstreepte hij onlangs met het symposium Dag van de verzamelaar, op 17 januari 2009. Een vijftal collectioneurs waren daarbij uitgenodigd om over hun verzameling te komen vertellen. Drie van de vijf waren specifiek geïnteresseerd in oude kunst en hadden al banden met het museum. Naast museumconservator oude kunst Jeroen Giltay, die over Van Beuningen vertelde, spraken zonen van de verzamelaars Th. H. Lunsingh Scheurleer (ornament- en architectuurtekeningen) en Franz W. Koenigs (de vermaarde Koenigscollectie van oude kunst) over het ontstaan en de schenking van de collecties van hun vaders, zoals zij dat in familieverband ervaren hadden. Dat leverde onderhoudende verhalen op, waarbij het aardig was de gezichten te zien die bij die familie hoorden en bij de belangen van die verzamelingen.

Naast het bestendigen van de band met zijn oude verzamelaars/schenkers (of nabestaanden van hen) is Ex ook druk in de weer met het aanknopen van relaties met ‘jonge’ collectioneurs, verzamelaars van hedendaagse kunst. Daarbij gaat hij voortvarend en innoverend te werk. Hij hanteert een strategie die hij nog niet zo duidelijk naar buiten brengt, vermoedelijk omdat hij er binnenshuis nog mee aan het experimenteren is. Iets van die nieuwe benadering schemerde echter door in de lezingen die de andere twee sprekers op het symposium gaven: fotoverzamelaar-handelaar Wilfried Lentz en verzamelaar-adviseur-kunstenaar Jan Grosfeld. Beide jonge (hoewel reeds mid career) collectioneurs hebben indrukwekkende internationale verzamelingen aangelegd van foto’s en kunstwerken. Ze weten wat er wereldwijd te koop is, ze zijn gepassioneerd, ze hebben een goed oog en ook de durf om te kopen. Dat zijn belangrijke eigenschappen, die in elke cursus voor collectioneurs als voorbeeldig worden aangehaald. (Cursussen die opeens bijna overal gegeven blijken te worden, bij veilinghuizen en kunstbladen evengoed als bij musea en non-profitinstellingen als W139 in Amsterdam.)

Wat bij de lezingen van Lentz en Grosfeld minder naar voren kwam, was wat het museum van hen verwachten kan. In tegenstelling tot de spreekbeurten van de ‘oude’ verzamelaars kwamen in hun verhalen schenkingen of bruiklenen niet aan de orde. Dat Ex van hen een veel ruimere vorm van participatie verwacht in het tentoonstellings- en aankoopbeleid, kan worden afgeleid uit de andersoortige betrekkingen die Ex eerder al met hen was aangegaan. Lentz en Grosfeld waren door Ex al eens uitgenodigd om als gastconservator een tentoonstelling in zijn museum te maken. Grosfeld bedacht daarvoor de expositie Dark (18 februari – 17 april 2006), over de door hem gesignaleerde actuele neiging tot het innemen van sombere standpunten en het uitdrukken van duistere visies in de kunst. Een jaar later kwam Ex met Lentz een uitwisseling overeen tussen enkele van hun kunstwerken. Het museum liet op de tentoonstelling Private Public (24 maart – 6 mei 2007) een selectie uit Lentz’ particuliere verzameling zien en Lentz mocht op zijn beurt tijdelijk enkele museumwerken in zijn appartement ophangen. Hoewel het niet helemaal duidelijk is wat deze ondernemingen het museum hebben opgeleverd, heeft Ex zijn innoverende tactiek om collectioneurs op deze veel ruimere basis aan zijn museum te binden vervolgd en uitgebreid.

Het jongste initiatief van Ex is zijn voornemen om naast zijn museum een Collectiegebouw neer te zetten. Dat gebouw moet dienstdoen als depot, waarbij ook plaats (30% van de totale oppervlakte) is gereserveerd voor het stallen van kunst van particulieren. Tegenover deze dienst wordt gesuggereerd dat Boijmans van Beuningen uit de daar opgeslagen particuliere kunstverzamelingen kan putten voor presentaties in het museum. Dit lijkt te wijzen op een bestendiging van Ex’ plan om jonge collectioneurs te betrekken bij vrijwel zijn gehele museumbeleid. Daarbij rijst de interessante vraag naar de positie die de particuliere verzamelaar bij Boijmans van Beuningen gaat innemen, welke voordelen dat voor het museum met zich meebrengt en welke gevaren daaraan kleven.

Ex heeft de bedoelingen van zijn aanpak nog niet helder naar buiten gebracht. Ook op andere plekken waar deze trend zich voordoet is dit nog niet gebeurd – bijvoorbeeld in Heerlen, waar het aanbieden van onderdak en expositiegelegenheid al in de praktijk wordt gebracht. Daar organiseerde directeur Stijn Huijts in het Schunck-Glaspaleis (de voormalige Stadsgalerij) recentelijk een eerste tentoonstelling in samenwerking met het Schunck Collectors House. Laatstgenoemde instelling is eveneens als een soort collectiehuis bedoeld, al is dit Heerlense depotgebouw geen initiatief van Huijts, maar van particulier verzamelaar Albert Groot. Hun samenwerking is onlangs van start gegaan met de tentoonstelling The take-off (29 november 2008 tot 15 februari 2009). Daarin waren ook werken uit andere Limburgse verzamelingen betrokken, uit de DSM-collectie, uit het Hedge House van Jo en Marlies Eyck en uit de collectie Defauwes. Dat leverde een aardig gevarieerde tentoonstelling op, maar die had natuurlijk ook wel zonder deze constructie georganiseerd kunnen worden. Ook hier is het vooralsnog onduidelijk wat de liaison tussen beide instellingen, tussen de directeur en de verzamelaars, gaat opleveren en hoe die zich verhoudt tot het eigen collectie- en tentoonstellingsbeleid van het Schunck-Glaspaleis.

Behalve dat de trend vragen oproept over de al dan niet gewenste inmenging van de verzamelaar in het museumbeleid, maakt hij ook nieuwsgierig naar de precieze relatie tussen de directeur en de verzamelaar. Wanneer het museum in betrekkingen met de collectioneurs gaat investeren, zoals Pijbes aangaf, zal het rendement hiervan toch ook het museum ten goede moeten komen. Maar als de directeur zich vooral persoonlijk verbindt met ‘zijn’ collectioneurs, loopt het museum de kans die verzamelaars te verliezen wanneer zijn directeur overstapt naar een volgend museum. Dat is een ontwikkeling die in de museale praktijk natuurlijk al geconstateerd kan worden. Zo nam Ex met zijn wissel van het Centraal Museum in Utrecht naar Rotterdam onder andere ‘zijn’ verzamelaar Han Nefkens mee. Uiteraard liggen die betrekkingen gecompliceerder dan in het korte bestek van dit verslag kan worden uitgelegd en dat geldt eveneens voor de bemoeienis van de verzamelaar met het museumbeleid. Maar van de directeur, die toch in de eerste plaats verantwoordelijk is voor het aanhalen van de banden met verzamelaars, mag verwacht worden dat hij duidelijkheid biedt over zijn bedoelingen. En datzelfde geldt ook voor de oogst die hij voor zijn museum verwacht binnen te halen, als resultaat van zijn bemoeienissen met verzamelaars. Hij moet aangeven hoe en in hoeverre het verzamelen van verzamelaars goed is voor het museum.