Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 138 maart-april 2009

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Jimmie Durham. Pierres rejetées…

Jimmie Durham is een nomade. Architectuur is aan hem niet besteed. Een steen is voor hem geen bouwsteen, maar een metafoor voor contestatie. Zijn tentoonstelling in het Musée d’art moderne de la Ville de Paris kreeg als titel Pierres rejetées…

Jimmie Durham werd in 1940 in Arizona geboren. Hij is geen Amerikaan, maar Cherokee. Zijn roots als kunstenaar liggen in de poëzie, de performance, de Indiaanse zaak en de strijd voor de Amerikaanse burgerrechten. In de late jaren 60 studeerde hij kunst in Genève, waardoor zijn werk eerder aansluit bij de Europese moderniteit dan bij de Amerikaanse kunst van zijn generatiegenoten. In de jaren 70 was hij enkele jaren vertegenwoordiger van de American Indian Movement bij de Verenigde Naties.

Begin jaren 90 kende Jimmie Durham in onze contreien een zekere bekendheid. Hij stelde onder meer tentoon in Bozar, het SMAK en het MuHKA. Hij nam in 1992 als een van de eerste ‘derdewereldkunstenaars’, door Jan Hoet uitgenodigd, deel aan de documenta. In 1994 kwam hij definitief naar Europa, om van de ene stad naar de andere te zwerven. Momenteel verblijft hij in Rome. De volgende etappe wordt waarschijnlijk Portugal. Aan terugkeren naar de VS denkt hij niet onmiddellijk, ook niet met de verandering die door Obama wordt belichaamd. Hij blijft sceptisch over de VS als een multiraciale of multiculturele democratie. Indianen zijn niet politiek vertegenwoordigd. De enige echte oplossing in zijn ogen is een onafhankelijke natie van Cherokee-indianen.

Jimmie Durham laat zich karakteriseren als een artist’s artist. Hij wordt bewonderd door vele collega-kunstenaars, maar is niet bekend bij een groot publiek. Vanuit de poëzie en het activisme evolueerde zijn werk naar een persoonlijke vorm van beeldhouwkunst, die gebaseerd is op het verzamelen en assembleren van de meest banale en de meest verscheiden voorwerpen. In zijn werk ontstaan onverwachte ontmoetingen en originele confrontaties waarmee de werkelijkheid wordt omgebogen. Dit gebeurt meestal met humor en geweld. Tot de bekendste werken behoren zijn ‘totems’, waarin hij etnische elementen verenigt met gebruiksvoorwerpen uit de moderne consumptiemaatschappij. Meestal worden ze vergezeld van enigmatische teksten zoals ‘Speech was given to men to conceal their thoughts’. Het in vraag stellen, of beter, het volledig omgooien van de esthetische orde, is een duidelijke reactie tegen de heersende normen en de politieke status quo van het westerse imperialisme. Sommige van zijn werken zijn groots in hun eenvoud. Twee knalrode olievaten dragen een houten dwarsbalk met het opschrift ‘Templum’. De relaties tussen architectuur en kapitalisme, tussen consumptie en uitbuiting worden in een oogopslag zichtbaar gemaakt.

Zijn afkeer van de architectuur is deze van een nomade die zich niet onderwerpt aan de orde en de macht van de architect. ‘Architecten creëren een artificiële waarheid’, stelt hij. ‘Zij bouwen (voor) de staat. Mijn artistieke praktijk keert zich tegen de architectuur. Dus ook tegen de staat. Deze twee hebben mekaar uitgevonden.’

Het motto van de tentoonstelling, Verworpen stenen…, verwijst naar een passage uit het Oude Testament: ‘De steen die door de bouwers werd afgekeurd, die steen is hoeksteen geworden’ [Psalm: 118-22]. Deze tekst geeft voor Durham niet alleen de positie van de kunstenaar tegenover de staat weer, maar symboliseert ook de status van de indianen: ze zijn als stenen die door de bouwers van het kapitalistische Amerika weg zijn gesmeten. Voor Durham is zijn bestaan als rolling stone daarom een daad van verzet tegen de autoriteit van de architectuur en de onderdrukking van de staat. Steen houdt in zijn ogen niet zozeer verband met monumenten, maar eerder met het werktuig: een werktuig van agressie en vernietiging. Sommige van zijn werken, zoals de gestenigde koelkast (St Frigo, 1996), verbeelden dat geweld, maar hebben anderzijds ook iets komisch, iets theatraals.

De retrospectieve tentoonstelling begint in 1994, het moment waarop Jimmie Durham zich definitief in Europa vestigde. Ze toont een eigenzinnig oeuvre van een vrij kunstenaar met een breed register, die ten onrechte wordt vastgepind op zijn etnische thematiek. Een van de vroegste werken uit de tentoonstelling is Gilgamesh (1993). De koning van de Soemerische staat Uruk en zijn tegenbeeld Enkidu staan bij Durham voor de tegenstelling tussen stad, cultuur en beschaving enerzijds, en woud, natuur en primitiviteit anderzijds. Het werk vormt een mooie introductie, want de strijd tussen ‘beschaving’ en ‘primitiviteit’ is een centraal gegeven in het werk van Durham, waarbij hij de betekenissen van beide termen voortdurend in elkaar doet kantelen. Bij uitbreiding is Durham een kunstenaar die reflecteert over de relatie tussen de politieke, historische, economische, etnische en sociale werkelijkheid en haar mythische (beeld)verhalen.

Het meest spectaculaire werk van de tentoonstelling is Encore tranquillité (2006). In de catalogus wordt dit door een enorme steen getroffen sportvliegtuigje verbonden met de vliegtuigen die zich op 11 september in het World Trade Center boorden, maar ontdaan van elke anekdotiek is het een mooi beeld van de menselijke hybris. In Elements and Objects from my Atelier in Berlin’s Grunewald Forest (2006) brengt Durham objecten samen die hij verzamelde tijdens zijn verblijf in het atelier dat Hitler in 1940 (Durhams geboortejaar) voor Arno Breker in het Grünewald liet bouwen. Het werk reveleert op tragisch-ironische wijze de grandeur en de decadentie van het 20ste-eeuwse Europa.

In het kader van het project Stadsvisioenen in Mechelen is Durham dit voorjaar uitgenodigd voor de tentoonstelling All That is Solid Melts Into Air. De onderhandelingen met het stadsbestuur verlopen echter moeizaam en een definitief akkoord is er nog niet. Zijn reputatie als tegendraadse kunstenaar is hem in Mechelen ongetwijfeld voorafgegaan.

Jimmie Durham. Pierres rejetées… tot 12 april in het Musée d’art moderne de la Ville de Paris, 11 avenue du président Wilson, 75116 Paris (01/53.67.40.00; www.mam.paris.fr).