Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 138 maart-april 2009

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Asger Jorn. Dessins

De Deense kunstenaar Asger Jorn (1914 –1973) staat in de eerste plaats bekend als medeoprichter van de Cobra-beweging. Hij organiseerde hun tentoonstellingen en schreef hun theoretisch programma. Jorn was de meest getalenteerde schilder en het boegbeeld van de groep. Maar zijn activiteiten strekten zich verder uit dan dat. Hij was ook vertaler en schrijver. Zo vertaalde hij Kafka en publiceerde hij over filosofie en kunsttheorie. Hij experimenteerde met de psychoanalyse. Hij had belangstelling voor sociale theorie en zette aan tot subversieve actie. Samen met Constant en Guy Debord was hij inspirator van het situationisme, een permanente revolutie van het dagelijks leven. In dezelfde geest richtte hij later het ‘Scandinavisch Instituut voor vergelijkend vandalisme’ op. Gelijktijdig had hij contacten met de lettristen. Samen met Dubuffet nam hij experimentele atonale muziek op. Op plastisch gebied maakte hij ook etsen, sculptuur, keramiek en textielwerken.

Van een grote overzichtstentoonstelling waarin al zijn werk aan bod komt (ook de latere situationistische en lettristische periode) is voorlopig geen sprake. De tentoonstelling in het prentenkabinet van het Musée national d’art moderne in het Centre Pompidou zou echter een mooie opmaat zijn voor een meer exhaustieve monografische tentoonstelling in de reeks Classiques du XXe siècle. Ze laat een mooie keuze zien uit de meer dan vijfhonderd bladen tellende verzameling van het museum van Silkeborg, waaruit Jorns experimentele en inventieve geest spreekt.

Asger Jorn leerde tekenen in het atelier van Fernand Léger en Amédée Ozenfant, dat hij tijdens zijn eerste verblijf in Parijs op het einde van de jaren 30 regelmatig bezocht. Voor de wereldtentoonstelling van 1937 voerde hij muurschilderingen uit voor zowel Léger als Le Corbusier. In zijn vroegste tekeningen is zijn gebrekkige ervaring te zien. Ze worden vooral gekenmerkt door ijver en vlijt. Vrij snel voelde hij zich aangetrokken tot de experimentele procédés van surrealisten als Miró, Tanguy en Max Ernst. Na verloop van tijd ontstond in zijn tekeningen, die dienstdeden als laboratorium, een autonome en persoonlijke beeldtaal. Later duikt ze ook op in zijn schilderijen, sculpturen en grafisch werk.

Toch staan deze werken ver van ontwerptekeningen. Ondanks hun kleine formaten hebben ze een grote monumentaliteit. De opeenstapeling van kleine figuurtjes creëert een soort all-overeffect avant la lettre. Uit het halfautomatisch schrift ontstaat de voor hem zo typische fantastische dierenwereld, een persoonlijk ‘bestiarium’ met insecten, bacteriën, bacillen en mythische figuren.

Zijn belangstelling voor oude Scandinavische kunst concretiseerde zich in surrealistische technieken. Herinneringen aan het Parijse Musée de l’homme vloeien over in Scandinavische volkskunst. Door zijn eigen tekeningen te verscheuren en deze flarden in surrealistische collages opnieuw samen te brengen creëert hij binnen zijn oeuvre een organische dynamiek.

De kracht van de vroege tekeningen in grafiet en Oost-Indische inkt bestaat in de expressieve zwart-witcontrasten. In zijn latere aquarellen experimenteert hij ook met kleur. Hierbij waakt hij angstvallig over de onafhankelijkheid van de kleur ten opzichte van de vorm. Door het gebruik van woorden en letters is hij een van de eerste kunstenaars die de relatie legt tussen schrift en beeld, tussen schrijven en tekenen. Een mooi voorbeeld hiervan is te zien in zijn samenwerking met Christian Dotremont. Gedurende hun gemeenschappelijke opname in het sanatorium van Silkeborg – beiden leden aan tuberculose – werkten ze samen aan La Chevelure des choses (1951-52).

Maar het is niet omdat hij zijn eigen wondere wereld optimaal exploiteerde dat hij ongevoelig zou zijn geweest voor het oorlogsgeweld en de dreiging van de koude oorlog. De aanwezigheid van de dood is in L’Esprit, La Ville enflammée en Le Droit de l’Aigle, waarvan hij ook twee versies in olieverf maakte, duidelijk zichtbaar. Sombere gedachten waaraan zijn eigen ziekte uiteraard ook niet vreemd was.

Voor de twee boeken die hij eind jaren 50 samen maakte met Guy Debord, La Fin de Copenhague en Mémoires, voorzag hij een reeks tachistische tekeningen. Rond 1960 worden zijn aquarellen kleurrijker en abstracter. Ze zijn lumineus en sereen. Dit in tegenstelling tot de rest van zijn oeuvre dat vooral gekenmerkt wordt door onrust, chaos en schelle contrasten.

Asger Jorn. Dessins tot 11 mei in het Centre Pompidou, Place Georges Pompidou, 75004 Paris (01/44.78.12.33; www.centrepompidou.fr).