Pieter T'Jonck

DE WITTE RAAF

Editie 138 maart-april 2009

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Pacing through architecture. Robbrecht & Daem

Bozar waagt zich – onder andere met lezingen – al enige tijd op het terrein van de architectuur. De tentoonstelling Pacing through architecture, gewijd aan het werk van het Gentse architectenbureau Robbrecht & Daem, toont dat dit geen voorbijgaande flirt is. Ze is namelijk de eerste van een reeks gewijd aan belangrijke Belgische architecten. Dat de keuze voor het startschot viel op Robbrecht & Daem is evident. Dit bureau stond immers in voor een belangrijk luik van de restauratie en renovatie van het Paleis voor Schone Kunsten: het tekende voor het ontwerp van ‘Cinematek’, de erfgenaam van het vroegere Filmmuseum.

De titel van de tentoonstelling geeft aan dat het niet om een exhaustief overzicht van het werk van Robbrecht & Daem gaat. Het is bijvoorbeeld opmerkelijk dat van de periode voor 1986 – het bureau werd in 1975 opgericht – niets te zien is, en dat er ook een gat gaapt tussen 1992, het jaar van de Auepaviljoenen voor Documenta IX in Kassel, en 1996, het jaar waarin het (nog te realiseren) ontwerp voor het Emile Braunplein in Gent zijn eerste aanzet kent. De titel geeft ook aan dat de tentoonstelling focust op één aspect van het werk, namelijk op de manier waarop je het ervaart als je erin rondwandelt. De onverholen agenda van deze operatie bestaat erin de disparate realisaties te construeren als een oeuvre: ongeacht de grote diversiteit van de opdrachten, keren bepaalde thema’s en een bepaalde aanpak steeds terug. De tentoonstelling evoceert zo een verhaal van een groeiend, zichzelf versterkend inzicht in wat er in het bouwen op het spel staat.

Adolf Loos, die liever dan plannen te tekenen met zijn lichaam als meetinstrument op de werf zelf de positie van muren en ramen aangaf, merkte op dat architectuur niet te fotograferen valt. De ervaring en de appreciatie van architectuur kon voor hem maar tot stand komen middels die architectuur zelf. Hij had overschot van gelijk. De blik van bovenaf en buitenuit, eigen aan de architectuurtekening of de maquette, kan bijvoorbeeld een strikte orde en systematiek suggereren, waar in werkelijkheid visuele chaos blijkt te heersen (de ziekte van veel kantoren). Maar omgekeerd kan een schijnbaar verward plan door de intelligentie en vooral de sensibiliteit in de keuze van kleuren, materialen, zichten en inplanting, een sterk richtsnoer bieden in de beleving en het gebruik van een gebouw. Dan gaat het erom dat de ontwerper zich voorstelt hoe de beweging door een gebouw verloopt, welke kadans en ritmiek een constructie suggereert of oplegt.

Robbrecht & Daem onderschrijven deze zienswijze zonder meer. Meer nog: voor hen wordt de ultieme betekenis van een ontwerp pas zichtbaar in de complexe tango tussen de stenen structuur en de gebruiker. Daarom vroegen ze fotograaf en filmmaker Maarten Vanden Abeele om 5 ontwerpen in een film, dus niet in foto’s, te evoceren. Die films, zowat 10 minuten lang, worden op grote schermen geprojecteerd. De keuze voor Vanden Abeele is op zichzelf al een statement, want hij is vooral bekend om zijn samenwerking met choreografen, mensen die met ruimte en beweging bezig zijn. Dit is zijn eerste ‘architectuuropdracht’. De vijf gefilmde projecten zijn overigens extreem divers: het Concertgebouw in Brugge staat naast een piepkleine boshut, de renovatie van een oude houtloods tot de eigen kantoren van het bureau, de renovatie van een oude Melkerij in Gaasbeek tot een bibliotheek en concertzaal, en ten slotte de aanleg van de Rubenssquare in Knokke.

De strategie heeft vooral voordelen. De camera, als wandelend oog, toont hoe een gebouw ‘handelt’, hoe kleur en materiaal ingezet worden in de ritmering van de tocht. Het concertgebouw in Brugge wordt hier bijvoorbeeld quasi als een personage gevolgd van in de vroege ochtend, als de voorbereidingen voor een avondconcert beginnen, tot op het einde van het concert ’s avonds laat. Niet alleen de activiteit binnen het gebouw, maar ook de manier waarop het gebouw zijn plaats heeft in de stedelijke drukte eromheen, wordt met een suggestieve, directe cameravoering overgebracht – het lijkt alsof er vooral met een handcamera gewerkt werd. Er is echter ook een nadeel. De films leggen een dwingende blik op. Als reële bezoeker kan je op je stappen terugkeren, van binnen naar buiten gaan, de dimensies reëel ervaren. Hier ben je afhankelijk van het beeld, en raak je soms het spoor bijster. Als er dan, zoals bij de boshut, al te veel sfeerbeelden doorheen de film geweven worden, blijf je bovendien wat op je honger.

Naast die films staan echter 11 tafels in multiplex, met een vernuftige opklapbare poot in hetzelfde materiaal. Boven de tafels hangen lampen die een gedempt licht werpen op tekeningen en hier en daar een foto, ook van maquettes, van 30 projecten. Dat is een theatraal effect van belang: het studieuze, intieme karakter van de architecturale creatie wordt erdoor onderstreept. Maar ook hier gaat het niet om een uitvoerige documentatie, die zou toelaten de structuur van de gebouwen, technisch of ruimtelijk, volledig te begrijpen. Het tegendeel is zelfs waar: de documentatie is meestal uiterst summier. Naast een teksttoelichting moet je het per project met enkele tekeningen stellen. Soms is dat ronduit storend. De Whitechapel Art Gallery in Londen wordt onder meer geïllustreerd met plannen, gevels en sneden, maar een van die plannen ligt omgekeerd, en elke aanduiding van wat bestaat en wat nieuw is ontbreekt. Dat maakt het de bezoeker zeer lastig om inzicht te krijgen in de ‘clou’ van de ingreep.

De tentoonstelling speelt echter bewust niet op dat soort inzicht of overzicht. Vooral de ijle schetsen en waterverftekeningen, of ook wel eens een enkele complexe technische tekening, verhelderen immers andere dingen uit deze architectuurpraktijk. Ten eerste dat de ontwerpen van het bureau gedragen worden door een beeld of idee van aanpak dat al van bij de aanzet van het ontwerp aanwezig is en consequent uitgewerkt wordt. Er is vaak een verbluffende overeenkomst tussen de eerste schetsen en het uiteindelijke ontwerp. Dat blijkt bij uitstek bij de kleinere objecten als de mooie duiventoren in Dorst of de Woodland Cabin. Ten tweede zie je hoe een beperkte reeks architecturale archetypes, primitieve structuren als hut of schuur, steeds weer opduiken, zelfs in grote projecten als het Concertgebouw. Toch blijkt dat geen formule: bijzondere kenmerken van de plek en de opdracht worden daarbinnen op een vernuftige, quasi voor de hand liggende manier opgenomen. Een klein ontwerp als de High Views bij Boston, uitkijktorens in Lincoln en Boston (USA), is daar een voorbeeld van.

Merkwaardig is dat één thema in het oeuvre van Robbrecht & Daem weinig uitgelicht wordt. Het is bijna een gemeenplaats geworden in het discours over deze ontwerpers dat kunst een belangrijke plaats inneemt in hun denken. De interviews in de persbrochure gaan hier ook uitvoerig op in. Nochtans komt dat aspect zowel in de documenten als in de films slechts zijdelings aan bod. Als je dan ziet hoe nadrukkelijk de documenten en films de eigen thematische en vormelijke consistentie van het oeuvre belichten – hoe open het ook staat voor het leven dat er zijn plaats vindt – dan moet je haast concluderen dat de architecten hier, maar nu enigszins tersluiks, aandacht opeisen voor de eigen ‘kunstigheid’ van de architectuur.

Robbrecht & Daem. Pacing through Architecture tot 19 april in de Ter Arkenzaal van Bozar, Ravensteinstraat 23, 1000 Brussel (02/507.84.44; www.bozar.be).