Merel Van Tilburg

DE WITTE RAAF

Editie 138 maart-april 2009

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Marlene Dumas. Measuring Your Own Grave

Een lijvige catalogus vergezelt de eerste grote overzichtstentoonstelling van Marlene Dumas in Noord-Amerika. De tentoonstelling was in de herfst van 2008 te zien in het Museum of Contemporary Art in Los Angeles; daarna in het Museum of Modern Art in New York; en ten slotte loopt ze van maart tot en met juni dit jaar in de Menil Collection in Houston. De organisatrice van de tentoonstelling en samenstelster van de catalogus is conservator Cornelia Butler, die vorig jaar overstapte van het MoCA naar het MoMA. Het lijkt erop dat ze zich heel wat gelegen laat liggen om de introductie van het oeuvre van Dumas bij het grote Amerikaanse publiek tot een succes te maken. De tentoonstelling presenteert een omvangrijk corpus, de reproducties in de catalogus zijn van hoge kwaliteit, en de vier begeleidende essays zijn de moeite van het lezen meer dan waard. Twee ervan behoren wat mij betreft zelfs tot de top van hun genre, en doen dit boek uitstijgen boven andere tentoonstellingscatalogi.

Het eerste essay, Painter as Witness, is geschreven door Cornelia Butler zelf. Dumas’ werk wordt hierin, bij wijze van introductie voor de Amerikanen, in een socioculturele, politieke en kunsthistorische context geplaatst. Het essay schetst een beeld van Dumas’ artistieke ontwikkeling en legt veel uit over de politieke en culturele achtergrond van de foto’s, vaak uit de media, die Dumas gebruikt als basis voor haar schilderijen. Een tweede essay, van de hand van museummedewerkster Lisa Gabrielle Mark, bespreekt feministische en postfeministische aspecten in Dumas’ schilderijen. De auteur richt zich wederom in de eerste plaats op de iconografie, maar de degelijke kunsthistorische aanpak van zowel Mark als Butler zorgt ervoor dat alle aspecten van de besproken schilderijen aan bod komen: naast iconografie ook de werkwijze, het materiaalgebruik, de biografie en visie van de kunstenaar, en de artistieke en historische context waarin de lezer het werk kan plaatsen.

Het vakmanschap in deze twee teksten wordt in een derde essay op meesterlijke wijze overtroffen door de Amerikaanse hoogleraar kunstgeschiedenis Richard Shiff. Het is een briljante zet geweest om Shiff, een van de beste kunsthistorici van dit moment en een groot kenner van de moderne schilderkunst, op het oeuvre van Dumas los te laten. Shiff toetst algemene vragen over schilderkunst en figuratie aan de schilderijen van Dumas, en maakt een opvallende vergelijking met het werk van De Kooning. De titel van zijn essay, Less Dead, heeft betrekking op het verschil tussen fotografie en schilderkunst. Dit is een toepasselijk thema voor het werk van Dumas, die put uit een enorm fotografisch beeldarchief van zowel persoonlijke foto’s (polaroids) als persknipsels.

Roland Barthes benadrukte dat fotografie altijd tot het verleden behoort. Het leven van het fotografisch gevangen moment is op het moment van kijken al ‘dood’: ‘ça a été’. De aanwezigheid van een ding op een foto is nooit metaforisch, nooit iets anders dan zichzelf. Bij schilderkunst is dat niet het geval. Dumas zelf verwoordt het verschil als volgt: ‘you can’t TAKE a painting – you MAKE a painting’. Het gegevene wordt in een schilderij getransformeerd, geconfigureerd; een figuratief schilderij is niet het beeld dat het presenteert, niet een fotografische boodschap, niet een bevroren moment. De directe verschijningsvorm van het schilderij wordt bij Dumas vaak verward met het gepresenteerde beeld, zoals wanneer men vraagt naar de leeftijd van een van de vele kinderen op haar schilderijen. Maar het doet er niet toe of de figuren op de schilderijen nu slapen, levend of dood zijn – vandaar haar fascinatie voor sneeuwwitje. Een schilderij leidt in zekere zin een zelfstandig leven. En ook het toeschrijven van leven aan een object of aan een geschilderde lijn – volgens Dumas’ partner Jan Andriesse zeggen haar lijnen een bewustzijn te hebben – wordt door Shiff uitgebreid besproken, en wordt in verband gebracht met theorieën over animatie in taal en materie bij Henri Bergson, Charles Sanders Peirce en Gilles Deleuze.

Shiff interpreteert het maken van het schilderij als een morele handeling, een transformatie van de werkelijkheid – met onzekere uitkomst, maar wel degelijk gebaseerd op concrete beslissingen van de schilder. De morele onzekerheid van de schilder die Shiff aanstipt is door Dumas vaak benadrukt. Een recente uitspraak van Dumas, geciteerd door Shiff, luidt dat nu we weten dat beelden alles kunnen betekenen wat eenieder erin wil lezen, we niemand meer vertrouwen, en zeker onszelf niet. Toch kan schilderkunst een uitweg bieden uit dit morele dilemma, volgens Shiff. Schilderkunst is in de eerste plaats een minder restrictief medium dan het veel sterker cultureel gecodeerde medium fotografie: een schilderij produceert minder snel een ‘cliché’. Het lijkt alsof Shiff hier gevaarlijk dicht in de buurt komt van een modernistisch vrijheidsideaal van de schilderkunst, maar een nuance wordt aangebracht door het aanvoeren van twijfel als kritische kwalificatie. Niet lang geleden publiceerde Shiff een pleidooi voor twijfel als methodologisch uitgangspunt voor de hedendaagse kunsthistoricus. Ook voor de schilder kan twijfel een zeer productief uitgangspunt zijn. Nu de schilderkunst en andere media ‘dood’ zijn verklaard, is het ook onmogelijk geworden om met een schilderij inzicht te bieden in het intellectuele en emotionele leven van het individu. Het tragikomische ‘whatever’ in het citaat van Dumas (‘images can mean whatever’) laat de moraliteit van een kunstwerk open. Voor Dumas is het erkennen van ambiguïteit en het omhelzen van twijfel niet genoeg om de verdenking op te heffen – maar schilderen kan de mogelijkheden van morele keuzes helpen uitbreiden.

Een laatste belangrijk aspect van Dumas’ schilderkunst is natuurlijk de tastzin, de erotiek. Schilderkunst, in de woorden van Dumas, is de minnaar; fotografie de objectiverende fetisjist. Shiff voegt hier nog een prachtige vergelijking aan toe met Proust, die de nabijheid eigen aan de kus afzette tegen de noodzakelijke lichamelijke afstand voor de observatie en uiteindelijke visuele of tekstuele weergave van diezelfde kus.

De vervaging van lichamelijke grenzen in de nabijheid van de kus zou het motto kunnen zijn voor de laatste tekst, geschreven door kunstenaar Matthew Monahan. In een los vlechtwerk van citaten, herinneringen, indrukken, beelden, teksten, titels en beschrijvingen presenteert Monahan een tekstuele parallel aan Dumas’ tekeningen en schilderijen. Monahan lijkt vanuit Dumas’ werk te schrijven. In zijn tekst vloeien op een dronken avond met Dumas in een Amsterdams café, schilderijen samen met haar lippenstift, stem en lichaam; met de muziek, de drank, herinneringen, flarden van gesprekken; en uiteindelijk met de regenachtige stad, de grachten, en de modderpoelen in het Vondelpark. Monahan vernieuwt het ideaal van Ut pictura poesis: schilderkunst wordt woord. Je zou willen dat dit vaker gebeurt, zo mooi is deze tekst.

Marlene Dumas. Measuring Your Own Grave werd in 2008 uitgegeven door The Museum of Contemporary Art, Los Angeles (www.moca-la.org). ISBN 978-1-933751-08-5