Koen Brams, Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 140 juli-augustus 2009

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Over opus een en min een

Interview met Anouk De Clercq

Koen Brams/Dirk Pültau: Waarom heb je een metronoom gekozen als bijdrage aan Jeugdzonde. Over opus één en opus min één?

Anouk De Clercq: Ik wilde graag iets kiezen dat verwijst naar mijn muzikale achtergrond: ik studeerde van mijn 6 tot mijn 16 jaar ritmiek, piano en notenleer. De piano was mijn geliefkoosde instrument. Alles kon ik erin kwijt. Soms denk ik dat ik in zwart-wit werk omdat ik zo gewoon ben om muziek te maken met de witte en zwarte pianotoetsen. Als bijdrage had ik een piano kunnen kiezen, maar dat was praktisch onhaalbaar – nogal massief. Daarom dus een metronoom: ritme.

K.B./D.P.: Waar heb je muziek gestudeerd?

A.D.C.: Ik ging naar een gewone muziekschool in een prachtig gebouw gelegen aan het Gravensteen te Gent.

K.B./D.P.: Werd je door je ouders gestimuleerd om naar de muziekschool te gaan?

A.D.C.: Het was vooral mijn grootmoeder die mij in de muziek heeft ingewijd. Als klein meisje leerde ik op haar schoot piano spelen en op een gegeven moment stimuleerde ze me om naar de muziekschool te gaan. Op je zes jaar ben je evenwel te jong om notenleer te volgen en een instrument te bespelen. Daarom krijg je aanvankelijk ritmiek. In de lessen ritmiek moet je op een bijna lijflijke manier uitdrukken wat muziek met je doet, hoe ritmes of hoe hoge en lage tonen op je inwerken. Ik heb een haast fysieke herinnering aan die lessen. Ik denk dat mijn huidige werk nog altijd van eenzelfde soort lichamelijke empathie vertrekt.

K.B./D.P.: Maar na de eerste jaren ritmiek kwam je in een ‘gewone’ muziekopleiding terecht?

A.D.C.: Inderdaad. Na twee jaar volgde ik notenleer en zang. Als instrument koos ik piano.

K.B./D.P.: Omdat je met dat instrument vertrouwd was?

A.D.C.: Omdat ik het kende, ja. De buffetpiano van mijn grootmoeder maakte in mijn kinderjaren deel uit van mijn omgeving. Later kwam het instrument bij mij thuis te staan. Ik had er een intieme band mee. Ik vind een buffetpiano een prachtig instrument. Op het moment dat je je handen op het klavier plaatst, is het alsof je een ruimte ontsluit waar je in kan kruipen. Zo zag ik de buffetpiano die bij mijn grootmoeder stond: als een tafel waar muziek uitkwam en waar je in kon kruipen zodat je helemaal omringd was door de klank. Ik wilde volledig opgaan in de muziek. Ik had voortdurend de neiging om het deksel te openen en de buffetkast te ontmantelen, alsof ik écht in de piano wilde kruipen.

K.B./D.P.: Wat is je verder van de muziekschool bijgebleven?

A.D.C.: Dat muziek een ongelooflijke harmonie kan bewerkstelligen. Je kon net voordien gevochten hebben op de speelplaats, in de zangles versmolt je stem met al die andere kinderstemmen tot een harmonieus geheel. Om kippenvel van te krijgen! Dat soort symbiose is voor mij nog altijd belangrijk. Ik werk graag samen met mensen en ga daarbij steeds naar die samenklank op zoek.

K.B./D.P.: Heb je ook uit andere kunstvormen iets meegekregen? 

A.D.C.: Je kan gerust zeggen dat ik de perfecte culturele opvoeding heb gekregen. Mijn moeder nam mij al op erg jonge leeftijd mee naar theater. Rond mijn twaalfde zag ik Fase (1982) en Rosas danst Rosas (1983) van Anne-Teresa De Keersmaeker in het NTG in Gent. Ik herinner mij dat ik bij thuiskomst in de woonkamer stukken van de voorstelling nadanste. Mijn moeder noemde mij haar derwisjke omdat ik de draaiende en tollende bewegingen uit Fase imiteerde. Ik wilde voortdurend meedoen. Als kind ben je niet in staat om zo’n voorstelling te analyseren. Net als bij de eerste muzieklessen heb ik een haast lichamelijke herinnering aan de dansvoorstellingen die ik zag in mijn jeugd.

K.B./D.P.: Speelde beeldende kunst een rol in jouw jeugd?

A.D.C.: Niet echt. Mijn moeder had nochtans een tijdlang een relatie met een beeldhouwer. Soms hielp ik hem een beetje. Het boetseren in was vond ik best intrigerend, maar voor het overige sprak beeldhouwkunst mij niet zo aan. De man was verzot op de jazzmuziek van mensen als Chick Corea en Keith Jarrett. Een leuke bijkomstigheid was dat hij ook lesgaf op de Gentse Academie voor Schone Kunsten waar hij Johan Grimonprez onder zijn leerlingen telde. Johan kwam vaak bij ons op bezoek. Hij speelde mee in Les Ballets Contemporaines de la Belgique en we gingen vaak kijken.

K.B./D.P.: Heb je je muziekopleiding uiteindelijk volledig afgemaakt?

A.D.C.: Nee. Op mijn zestiende ben ik ermee opgehouden. Ik voelde mij niet meer thuis op de muziekschool.

K.B./D.P.: Hoe kwam dat?

A.D.C.: Ik heb acht jaar dezelfde leerkracht gehad, een schat van een dame die mij geleerd heeft om keuzes te maken… maar mijn keuzes vielen steeds minder samen met de hare. Eerst kwam ik met Bartók aanzetten. Rond mijn vijftiende greep ik echter naar steeds minimalere muziek. Aanvankelijk stelde mijn leerkracht zich open op, maar ik werd met de dag rebelser. Om begrijpelijke redenen vond zij het ook niet zinvol om mij die muziek te leren spelen. In klassiek muziekonderwijs loopt je traject van vrij eenvoudig naar steeds complexer. Ik bewandelde de omgekeerde weg: ik evolueerde naar steeds abstractere muziek; ik wilde de muziek reduceren tot pure klank.

K.B./D.P.: In welke muziek was je precies geïnteresseerd?

A.D.C.: Ik hield van componisten als Philip Glass, Steve Reich en Terry Riley. Wat ik bijvoorbeeld geweldig vond, is Riley’s In C. In dat werk voor een ensemble met variabele bezetting is de enige regel dat alle muzikanten de c spelen – de noot do. Elke muzikant mag zelf het moment bepalen waarop hij inzet en de rustpauzes worden ten dele door de aard van het instrument bepaald: een strijkinstrument kan blijven spelen, een trompettist moet adempauzes nemen. Die muziek fascineerde mij enorm.

K.B./D.P.: Met het muziekonderwijs was het afgelopen… Wat deed je toen?

A.D.C.: Mijn humaniora afmaken. Ik liep school in het Atheneum aan de Voskenslaan in Gent. Dat was geen goede ervaring; enkel een leraar Nederlands is mij bijgebleven. Ik bracht vanaf mijn zestiende overigens veel tijd door in de bioscoop. Van de ene dag op de andere ben ik gestopt met muziek en heb ik me met evenveel overgave op (de taal van) het beeld gegooid.

K.B./D.P.: Waar kwam die liefde voor film plots vandaan?

A.D.C.: Ik wilde weten of het mogelijk was om een verhaal te vertellen dat louter en alleen uit beelden bestaat – zonder woorden of muziek dus. Waarom? Ik weet het eigenlijk niet. Ik vermoed dat ook dat in het verlengde lag van mijn rebellie op de muziekschool.

K.B./D.P.: Zocht je naar een bepaald soort films? Stomme films bijvoorbeeld?

A.D.C.: Nee, ik was vooral gek op de Japanse cinema en de films van Theo Angelopoulos. Die Griekse cineast maakt heel uitgepuurde portretten van de mens in zijn omgeving, opgebouwd in lange plans-séquences, met kale landschappen, veel monologues intérieurs en meditatieve, melancholische muziek. In 1988 zag ik Landschap in de mist. De titel zegt al genoeg!

K.B./D.P.: En maakte je zelf kunst?

A.D.C.: Ik schreef theaterstukken die ik samen met mijn vrienden opvoerde – uiteraard trad ik zelf op als regisseur. Daarnaast schreef ik ook teksten.

K.B./D.P.: Wat voor teksten? 

A.D.C.: Ik beschreef allerlei situaties waarbij ik de nadruk legde op mijn subjectieve beleving van de situatie. Je zou mijn teksten uit die tijd gepoëtiseerde of getransformeerde beschrijvingen kunnen noemen. Ikzelf zie ze evenwel hooguit als een veredeld dagboek. Ik had iets nodig om het gat te vullen dat na het verlaten van de muziekschool was gevallen. Aanvankelijk wilde ik namelijk schrijver worden.

K.B./D.P.: Hoe kwam je op dat idee?

A.D.C.: Omdat ik boeken verslond. Als ik niet aan de piano zat, las ik boeken. Verder ging dat evenwel niet.

K.B./D.P.: Wat heb je uiteindelijk na je humaniora gedaan?

A.D.C.: Rond mijn zeventiende raakte ik bevriend met een groep acteurs – ik ging nog steeds vaak naar theater – en een van hen, een vrouw met wie ik nog steeds bevriend ben, raadde mij aan een filmopleiding te volgen. Zij heeft mij van mijn twijfel verlost. Ik zocht immers een richting waarin ik al mijn fascinaties kwijt kon: tekst, beeld en muziek. Uiteindelijk heb ik mij ingeschreven in de afdeling fictiefilm van Sint-Lukas Brussel.

K.B./D.P.: Waarom koos je niet voor het RITS?

A.D.C.: Omdat die opleiding mij te technisch leek en te zeer gericht op televisie. In Sint-Lukas stond de auteur centraal en werd film als een volwaardige kunstvorm bekeken. Bovendien wist ik dat Marc Didden in Sint-Lukas Brussel lesgaf. Ik had lovende commentaren opgevangen over de manier waarop Didden zijn eerste langspeelfilm Brussels by Night (1983) had aangepakt. Ik vond het ook knap hoe hij erin geslaagd was om die film met een heel beperkt budget te realiseren.

K.B./D.P.: Je had in Sint-Lukas ook voor de afdeling experimentele film kunnen opteren. Dat zou in jouw geval niet onlogisch zijn geweest.

A.D.C.: Dat klopt, maar over die richting werd gezegd dat alles er mogelijk was en dat de leraars zich heel inschikkelijk en tolerant opstelden. Het klonk mij niet bepaald uitdagend in de oren. Ik had behoefte aan sterke leermeesters met wie ik de confrontatie kon aangaan.

K.B./D.P.: Wat waren de eerste dingen die je gemaakt hebt in Sint-Lukas?

A.D.C.: Werkjes in opdracht rond typische thema’s. Onze allereerste opdracht had als thema ‘man en vrouw’. Ik heb toen een drie minuten durend filmpje gemaakt over Adam en Eva en de Val uit het Paradijs, bekeken door de ogen van een kind, een klein meisje. Voor een kind is dat hele verhaal over Eva die uit een rib van Adam wordt geboren nogal absurd en onbegrijpelijk. Een kind ziet alles ook vanuit een heel laag perspectief. Ik heb dus de absurditeit van het gebeuren in de verf gezet en alles vanuit kikkerperspectief gefilmd. Op het einde kijkt het meisje met een rare blik naar de appel, alsof ze het allemaal niet te best begrijpt. Ze legt de appel terzijde. Het filmpje was heel sec, maar best grappig, vond ik. Later moesten we nog filmpjes maken rond thema’s als ‘het zelfportret’ of ‘het dorp’.

K.B./D.P.: Vond je je gading in de opleiding fictiefilm?

A.D.C.: Ik kon mij best vinden in de werkwijze die je aangeleerd kreeg: de combinatie van schrijven, regisseren en monteren, en het teamwork dat gepaard gaat met het maken van een film. Ik hield van het montagewerk omdat ik er een muzikaal aspect in ontdekte en daarnaast vond ik het prettig om zelf muziek te kiezen. Het was precies zoals ik het mij voorgesteld had: in de filmopleiding kwamen al mijn interesses samen.

K.B./D.P.: Je hebt je dus tijdens je schooltijd tot een professionele cineaste ontwikkeld?

A.D.C.: Dat ook weer niet. Want in de loop van mijn tweede jaar begon ik kritischer te staan tegenover mijn opleiding.

K.B./D.P.: Hoe kwam dat?

A.D.C.: Vooral de lessen van Chris Dercon, Herman Asselberghs en Willem De Greef zaten daar voor iets tussen. Zij lieten ons kennismaken met experimentele film en video. De Greef gaf bovendien filmanalyse en semiotiek. Ik begon het lineaire en narratieve stramien van klassieke fictiefilms saai te vinden. Ik kreeg ook het gevoel dat er iets ontbrak.

K.B./D.P.: Wat precies?

A.D.C.: Het lichamelijke contact met het materiaal. Dat was precies wat ik zo sterk had ervaren in de tijd dat ik nog piano speelde. In experimentele films is dat contact soms letterlijk af te lezen aan de krassen die in de filmrol zijn aangebracht. Het maken van een fictiefilm is daarentegen een erg afstandelijke bedoening. Het is vooral een kwestie van delegeren en aanwijzingen geven.

K.B./D.P.: Welke cineasten waren toen je voorbeelden?

A.D.C.: Ik was vooral gebeten door de experimentele cinema van de jaren 20 en 30: mensen als Walter Rutmann, Oskar Fischinger… Mijn grootste voorbeeld was Len Lye (1901-1980). Toen ik zijn films leerde kennen, dacht ik: dát soort films wil ik maken. Lye maakte muziek met beelden en dat was precies wat mij voor ogen stond.

K.B./D.P.: Welke invloed hadden zijn films op jouw werk? Wat voor films maakte je in die tijd in Sint-Lukas?

A.D.C.: Een voor mij cruciaal werk was ongetwijfeld Born Blind uit 1993.

K.B./D.P.: In 1993 was je 22 jaar. Born Blind was dus je afstudeerwerk?

A.D.C.: Nee, het was het eindejaarswerk van mijn derde jaar. Ik heb mijn derde jaar namelijk overgedaan, samen met de meesten van mijn medestudenten.

K.B./D.P.: Omdat men ontevreden over jullie was?

A.D.C.: Ik zat in een fantastisch jaar met onder anderen Erik Lamens en Vincent Bal. Het was een heel hechte groep waarin iedereen elkaar geweldig stimuleerde. Maar na een tijdje werden de onderlinge banden te sterk. Het persoonlijke en het artistieke begonnen door elkaar te lopen. Wat aanvankelijk stimulerend werkte, pakte plots destructief uit. Op dat moment hebben de leraars beslist om ons ‘uit elkaar te trekken’ door een aantal studenten het jaar te laten overdoen. Zodoende is Born Blind het eindejaarswerk van mijn derde bisjaar.

K.B./D.P.: En wat had je precies gemaakt?

A.D.C.: Ik heb louter en alleen wolken gefilmd. Ik had mijn buik vol van al die films die rond man-vrouwverhoudingen en relatieproblemen draaiden. Gebabbel vond ik het.

K.B./D.P.: Born Blind was een statement?

A.D.C.: Het was een duidelijk signaal dat ik mijn eigen weg wou zoeken. Hoe onschuldig en zachtaardig hij ook lijkt.

K.B./D.P.: Hoe reageerden de docenten op de film?

A.D.C.: Zeer slecht. Op het einde van het jaar werden alle eindejaarswerken getoond. Ik werd als enige ter verantwoording geroepen. Ik zie het nog altijd voor mij: die lange tafel met de heren juryleden! Dat was op zich best een grappig tafereel. Ik kreeg evenwel te horen dat de school mij niets meer te bieden had. Die conclusie kon ik op zich best begrijpen.

K.B./D.P.: Wellicht had je in de afdeling experimentele film wel gescoord met deze film…

A.D.C.: Misschien. Ik moet er overigens aan toevoegen dat ik erg veel zorg heb besteed aan de film, ook al was het een statement. Ik heb met grote zorgvuldigheid wolken geselecteerd en een montage gemaakt waarin wolken in realtime afwisselen met wolken die aan een versneld tempo – in timelapse – bewegen. De muziek is van Steven Brown en Blaine Reininger van Tuxedomoon, een Brusselse groep uit de jaren 80. Dat levert een lichte, vrolijke stroom van klanken op die fungeert als een soort draad om de beelden aan op te hangen.

K.B./D.P.: Wat wilde je met de titel uitdrukken: Born Blind?

A.D.C.: Als je geboren wordt, ben je blind… en ervaar je de wereld op een zuiver lichamelijke manier. Dat was precies wat ik wilde: weg van de woorden en weg van het verhaal. Ik wilde een puur lichamelijke ervaring overbrengen. Ik beschouw de wolkenfilm als mijn auteursmanifest. Om die reden heb ik hem als eerste film op mijn site gezet.

K.B./D.P.: Eigenlijk had je Born Blind als bijdrage kunnen voorstellen voor Jeugdzonde. Over opus één en opus min één. 

A.D.C.: Dat was een optie geweest, inderdaad. Het zou evenwel erg duur zijn uitgevallen – het gaat immers om een 16 mm-film, je moet hem in loop afspelen op een aangepaste projector óf hem overzetten op een andere drager. Maar ik weet niet of ik deze film nog wil laten zien. Het is een film die toen voor mij belangrijk was, maar gedateerd is.

 

Transcriptie: Tom De Moor

Redactie: Dirk Pültau

 

Bovenstaand interview werd afgenomen in opdracht van LLS387 (Antwerpen) in het kader van de tentoonstelling Jeugdzonde. Over opus één en opus min één (19 maart – 30 mei 2009). Zie ook http://users.telenet.be/lls387/interv_anouck_de_clercq..html