Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 140 juli-augustus 2009

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Sophie Calle

De retrospectieve van het werk van Sophie Calle in Bozar heet Calle Sophie, alsof zij zich formeel aan het publiek voorstelt door eerst haar familienaam en dan haar voornaam te noemen. En inderdaad, er worden alleen maar werken gepresenteerd, in omgekeerd chronologische volgorde, die draaien rond duidelijk traceerbare momenten of gebeurtenissen uit het leven van de kunstenares: Calle Sophie, geboren in 1953, levend en werkend in Parijs. Nochtans heeft ze niet enkel werk rond haar eigen persoon gemaakt. In 1986 maakte ze bijvoorbeeld Les Aveugles, waarin aan een reeks blinde mensen werd gevraagd wat zij onder schoonheid verstonden. De selectie van dit overzicht kan de indruk wekken dat hier een ‘ruimtelijke autobiografie’ wordt voorgesteld: verspreid over 15 zalen komen we stap voor stap meer te weten over de historische (maar nog levende) figuur Sophie Calle. De vraag is echter of het werk van Calle echt documentair en autobiografisch is, of eerder narratief en fictief. En als het zich net door deze verwarring in het domein van de kunst probeert op te houden, functioneert het dan effectief als beeldende kunst in een museale, semipublieke context?

De tentoonstelling opent met het meest recente werk – Où et Quand uit 2006 – en loopt terug in de tijd tot aan enkele beelden uit de late jaren 70. Où et Quand is een van de vele werken die een neerslag vormen van een moment waarop Calle haar leven uit handen heeft gegeven. In dit geval vroeg ze aan een waarzegster om haar toekomst te voorspellen, en vervolgens is ze die toekomst ‘tegemoet gegaan’, om haar ‘te vlug af te zijn’. In januari 2006 bracht haar dat naar Lourdes, in mei 2005 naar Berck. Er blijken heel wat mooie toevalligheden op te treden tijdens deze reizen. Precies tegenover het hotel waar de waarzegster haar naartoe stuurt, is er bijvoorbeeld een winkel met in grote letters SOPHIE op de gevel. Dergelijke gebeurtenissen laten vermoeden dat er toch iemand het leven, en dat van Calle in het bijzonder, regelt of bestuurt.

Herhaaldelijk past de kunstenares hetzelfde systeem toe: Ze kiest een paar arbitraire gedragsregels of agendapunten en volgt ze consequent en gehoorzaam op. In dat proces toont zich de ‘loop der dingen’ en verschijnen ondoorgrondelijke toevalligheden die een esthetische waarde krijgen. Ook vroegere werken, zoals Gotham Handbook uit 1994 met voorschriften van de Amerikaanse romancier Paul Auster voor een verblijf in New York, ontstonden volgens dat principe. Soms draait Calle het mechanisme om. Ze neemt één gebeurtenis uit haar ‘werkelijke’ leven als uitgangspunt en betrekt er andermans leven op. Douleur Exquise uit 1984 is het beste voorbeeld: de kunstenares werd door haar minnaar verlaten en ervoer dat als het pijnlijkste moment uit haar leven. Ze vroeg vervolgens, ook om haar eigen verdriet te bezweren, aan een handvol andere mensen naar het pijnlijkste moment uit hún leven. Douleur exquise laat zich daarmee lezen als een vergelijkende studie in leed, in ‘exquise pijn’: de korte verhalen – een tiental zinnen met één foto per pijnlijkste moment – zijn vaak aangrijpend en soms zelfs ontstellend. Verschillende vormen van pijn tegenover elkaar afwegen en met elkaar vergelijken, alsof de toeschouwer er een top tien van zou kunnen opstellen, blijkt onmogelijk, maar het gaat wel met een aangename, zacht schrijnende Schadenfreude gepaard.

In elk geval: Calle Sophie is geen autobiografie. Calle blijft een flat character dat gedeeltes van haar leven als kunstenares inzet om verhalen te kunnen vertellen over menselijke, al te menselijke dingen: liefde, liefdesverdriet, pijn, lichamelijkheden, plannen en projecten, angsten en geluksmomenten. Dat haar geregeld exhibitionisme is verweten, is dus niet terecht: ze toont niet omwille van het tonen, maar omdat ze iets wil teweegbrengen, als esthetische ervaring in het museum. Ze mag, bijvoorbeeld in Les Seins uit 1992, dan wel haar borsten tonen en zeggen dat ze pas rond haar veertigste miraculeus tevoorschijn zijn gekomen – het gaat om een merkwaardig verhaal, dat de kijker niet choqueert, maar hem (of haar) in het beste geval doet denken: vreemd! Je hoort van alles tegenwoordig!

Kan het werk van Calle tot de beeldende kunst gerekend worden? De tentoonstelling Calle Sophie is grotendeels opgebouwd uit kaders die tegen de muren hangen, gegroepeerd in koppels: één tekstpaneel en daarnaast telkens één bijpassende foto, omtrent een episode uit een reis, een confidentie van een anoniem personage of een activiteit van Calle. De bezoeker stuit voortdurend op de weerstand van taal en tekst. Er moet zeer veel gelezen worden: Calle beschrijft helder en efficiënt, maar elk tekstblok presenteert toch telkens weer een ander verhaaltje. Is het museum de uitgelezen plaats om lang en rustig te lezen, rechtstaand, in de nabijheid van andere bezoekers? En – ander probleem – wat met de droom van de universaliteit van de beeldende kunst? Want wie het Frans niet meester is, die heeft bij Calle Sophie (ook omdat een uitgebreide bezoekersgids ontbreekt) niets te zoeken. Die kwestie – een tekst biedt een verhaal aan samen met een paar illustraties – blijft zich tijdens de hele tentoonstelling stellen.

In de derde zaal, op de overloop naar de eerste verdieping, wordt Pas pu saisir la mort (2004) getoond, een korte film over de laatste adem van Calles moeder. We zien een bejaarde vrouw in close-up: ze ligt met gesloten ogen in bed, het hoofd op een kussen boven het donsdeken uit. Ook hier kan men zich de vraag stellen of het verhaal in de vorm van tekst niet al de krachtige kern van het werk uitmaakt. Calle wist niet wanneer haar moeder zou overlijden (en wou misschien ook niet zitten wachten) en richtte daarom een camera op haar sterfbed. Het moment waarop de dood is ingetreden laat zich achteraf slechts zeer moeizaam raden. De vraag of een kleine beroering van het beeld een teken van leven is, wordt voor de toeschouwer op den duur ondraaglijk. Deze film is uiteindelijk het enige werk in Calle Sophie dat zich helemaal thuis lijkt te voelen in het museum, precies omdat de ruimtelijke en beeldende eigenschappen ervan het publiek letterlijk weten te boeien. Wat Calle wil – met verhalen emoties oproepen, narratieve structuren opleggen of deduceren, de mystieke kracht van de loop der dingen reveleren – wringt elders in de tentoonstelling, zowel vormelijk als structureel, met hoe beeldende kunst ervaren en bekeken wordt.

 

Calle Sophie tot 13 september in Bozar, Ravensteinstraat 23, 1000 Brussel (02/507.82.00; www.bozar.be).