Marc Holthof

DE WITTE RAAF

Editie 140 juli-augustus 2009

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Alfred Stevens in de Koninklijke Musea

Het KMSK in Brussel wijdt een tentoonstelling aan het oeuvre van Alfred Stevens (1823-1906). Stevens schilderde met de veel jongere Henri Gervex het Panorama van de Eeuw (1889), dat haast compleet bevolkt is met beroemde Fransmannen. Maar hij maakte nog veel meer furore met zijn portretten van burgerdames uit het Second Empire.

Er is heel wat dat tegen Alfred Stevens pleit. Wie er het dagboek van de broers Goncourt – hét societyrapport van de tweede helft van de 19de eeuw – op naleest, ontmoet een reus die graag de kunstenaarscafés opzoekt en uitpakt met flauwe grappen en anekdotes. Stevens verkeerde volop in de high society van het Second Empire (na 1870 stortte zijn carrière net als het keizerrijk in mekaar). Hij was vriend aan huis bij prinses Mathilde Bonaparte en werd de meest Parijse van alle Belgische schilders genoemd. Stevens vereeuwigde in zijn werk de luxe van de Parisiennes. Hij was een modeschilder die vooral bedreven was in het weergeven van stoffen en textiel. Hij imiteerde schaamteloos de 17de-eeuwse Hollandse schilderkunst, die toen zeer in de mode was. In 1896 schreef James Ensor in het avant-gardetijdschrift Le coq rouge: ‘Zijn schilderijen stellen niets voor, zijn coloriet is een ratjetoe. Zijn werken maken geen verheven gevoelens los en zetten je evenmin aan het denken. Ze zijn van een liederlijke middelmatigheid die tot alle toegevingen bereid is: van gebrek aan kwaliteit en valse chic tot de lage streken van een doortrapte goochemerd.’ Ensor hanteerde zelfs racistisch taalgebruik om zijn afkeer te luchten: ‘Ses produits plaisent aux boursiers congestionnés, aux Sémites purulents…’ en hij verwijt Stevens (in het Frans) om on-Vlaams te zijn: ‘Ses fades Parisiennes ne sont pas d'un Flamand.’

En toch. Ondanks zijn studies bij de neoclassicist François-Joseph Navez in Brussel was Stevens helemaal geen academisch schilder, zelfs geen historieschilder. Hij was een kennis van Charles Baudelaire. Gustave Courbet schilderde zijn portret (dat op de tentoonstelling te zien is). En het was in Stevens' studio dat kunsthandelaar Durand-Ruel voor het eerst kennismaakte met het werk van Édouard Manet. Stevens frequenteerde Delacroix, Flaubert, Dumas, de broers Goncourt, en later Degas, Manet en Berthe Morisot. Kortom, Stevens past niet simpelweg in het zwart-witplaatje dat het academisme lijnrecht tegenover de vernieuwers plaatst. Tussen die twee polen lag een groot no man’s land, bevolkt door romantici als Delacroix, realisten als Courbet, de school van Barbizon, presymbolisten als Félicien Rops… en ook groten als Manet, Degas en Cézanne, voor ze ten onrechte ingelijfd werden bij de impressionisten. De precieuze genrekunst van Alfred Stevens hoort in dit prestigieuze rijtje.

Stevens begon zijn carrière met naturalistisch aandoende doeken als Les chasseurs de Vincennes of Dat noemt men armoede (1855): een vrouw stopt een bedelares honderd frank in de hand om te verhinderen dat ze door de gendarmes met haar kind opgesloten zou worden, het lot van elke landloper zonder middelen van bestaan. Napoleon III besliste na het succes van dit doek om de bedelaars voortaan met de koets naar de gevangenis te voeren.

Zodra de economische opgang van het Second Empire begon, verdween de sociale bewogenheid van Alfred Stevens als sneeuw voor de zon. Terwijl zijn broer Joseph in zijn dierenschilderijen het thema bleef bespelen, beeldde Alfred voortaan ‘menselijke poedels’ af: de high-societydames. Of nee, hij portretteerde zelden of nooit échte societydames, hij stak zijn modellen in de jurken van de societydames: ‘Des petites femmes qui ne sont plus des Flamandes et qui ne seront jamais des Parisiennes’, zoals J.K. Huysmans snobistisch opmerkte. Echte portretten maakte Stevens overigens zelden. Die van zijn vriendin actrice Sarah Bernhardt vormen een uitzondering. Maar het zijn niet de modellen, wel de jurken en de poses die belangrijk zijn. Die jurken zijn schitterend weergegeven. Je moet teruggaan naar Van Dijck om iemand te vinden die zo mooi kleren kan schilderen. Geen wonder dat Félicien Rops opmerkte dat wie wilde leren schilderen bij Stevens moest zijn.

En er is meer dan de schitterende oppervlakte. Of misschien is er meer omdat er allèèn maar de oppervlakte is, alleen maar de uiterlijke schijn. In de periode 1863-1867 maakte Stevens een reeks erg gelijkende schilderijen waarvoor Vermeer duidelijk de inspiratie leverde. Telkens weer zien we een vrouw met een attribuut: een brief, een wereldbol, een boek, bloemen. Er zijn twee grote verschillen met de schilderijen van Vermeer. De jurken bij Stevens doen die uit de Gouden Eeuw in elk opzicht verbleken en krijgen ook veel meer nadruk. Maar vooral: bij Stevens ontbreekt het venster. Het licht valt, zoals bij Vermeer, langs links in het schilderij, maar de bron ervan blijft buiten beeld. Een boudoir heeft immers geen venster. Stevens schildert een interieur, een huis clos, een innerlijk.

Soms is het vrij platjes wat zich in dat innerlijk afspeelt en is vooral het decor interessant door zijn suggestieve kracht: dat simpele monochrome kamerscherm dat het drukke boudoir erachter verbergt, bijvoorbeeld. Het is evident dat de dame in het prachtige Emotionée liefdesverdriet heeft. Of dat de vrouw op leeftijd in Fleurs d'automne een oude vrijster of gefrustreerde weduwe is. Maar kijk er aandachtig naar en plots duik je in de psychologie van deze desperate housewives. Plots worden de levens van deze burgervrouwen met de eindeloze verveling tastbaar. Dit zijn studies in neurose, in hysterie, lang voor Freud zich aan de studie ervan zette. Of kijk naar een meesterwerk als La Dame en rose. Wordt wat hier níet getoond is – de vrouwelijke seksualiteit – niet op een haast obscene manier zichtbaar in de tierlantijntjes van de roze jurk? Je moet je best doen om niet in de meest platte freudiaanse interpretatie te vervallen als je deze vrouwen bewonderend ziet staren naar een beeldje van een Indische olifant of als je ze ziet spelen met een Japans popje.

De vrouwenportretten van Stevens zijn onbedacht, ondoordacht, en net daarin ligt hun grote kracht. De vriendelijke reus Stevens was geen genie. Hij schilderde – technisch schitterend – wat hij zag. Maar hij kende de vrouwen en zag wat de anderen niet zagen: zo niet de splendeurs et misères des courtisanes, dan toch die van de grandes bourgeoises. Wanneer Stevens méér probeert te doen, zich artistieke ambities aanmeet, slaat hij de bal mis: zijn La veuve et ses enfants (1883) is victoriaans melodrama, de symbolistische doeken zijn veelal mislukt, de latere landschapjes weinig opmerkelijk. Stevens was de modefotograaf van zijn tijd. Maar een modefotograaf die àlles vastlegde: niet alleen het uiterlijk, maar ook het innerlijk: de verveling, de frustraties, de onvervulde wensen en lusten, de waanzin. Door zijn vrouwen aan te kleden, kleedde Stevens hun onderbewustzijn uit. Er zijn weinig andere schilders die daarin geslaagd zijn.

 

 

• Alfred Stevens tot 23 augustus in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Regentschapsstraat 3, 1000 Brussel (02/508.32.11; www.fine-arts-museum.be). Vanaf 18 september is de tentoonstelling te zien in het Van Gogh museum in Amsterdam.