Merel Van Tilburg

DE WITTE RAAF

Editie 140 juli-augustus 2009

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Tweemaal Imi Knoebel in Berlijn

Imi Knoebel gaat sinds het eind van de jaren 60 in zijn werk in dialoog met de gevestigde vocabulaires van het modernisme en het minimalisme. Zijn oeuvre omvat schilder-, beeldhouw-, installatie- en tekenkunst, fotografie en grafiek. Vaak uitgewerkt in series, verwijzen de werken in verschillende media naar elkaar, als prefiguratie of nabeeld van andere werken. Knoebel is geen postmodernist. Het gaat hem erom de bestaande mogelijkheden en vocabulaires van met name de schilderkunst verder uit te werken. Zichtbaarheid en zintuiglijke ervaring van het kunstwerk en van de essentiële elementen van het kunstobject (vorm, kleur, materiaal) staan daarbij centraal. Toch lijkt het erop dat Knoebel in de drie tentoonstellingen die hij mede zelf inrichtte in Berlijn, plots de deur op een kier zet naar het transcendente.

De tentoonstelling in de Neue Nationalgalerie is een ware tour de force. Het tentoonstellingsgebouw is een van de laatste glashallen van Mies van der Rohe, geopend in 1968. Mies ontwierp het gebouw als de ideale tentoonstellingsruimte voor de twintigste eeuw. De van licht doorvloeide glasarchitectuur lijkt echter meer op een verzamelhal dan op een tentoonstellingsruimte. Aan de vier zijden van de glazen kubus versmelt het gebouw met de stad, of lijkt omgekeerd de stad naar binnen te stromen. Sinds de eerste tentoonstelling in het gebouw – 1968, werk van Mondriaan – sluiten grijze gordijnen het licht en de stad juist weer buiten. De gordijnen verdwenen pas dit jaar, met een tentoonstelling die werd geconcipieerd als een dialoog tussen beeldhouwer Ulrich Rückriem en Mies. Bij de volgende tentoonstelling, deze herfst, wordt aan Thomas Demand dezelfde uitdaging voorgelegd: hoe een tentoonstelling te maken die nergens anders dan in deze ruimte zou kunnen plaatsvinden.

Knoebel liep volgens de curator van de tentoonstelling al lang rond met de wens om in dialoog te treden met het gebouw. Mies’ verheffing van constructie tot kunst lijkt hem te hebben aangespoord tot strengheid en reductie. Slechts vier werken presenteert hij in de immense en lege hal. Direct na de entree staat een witte wand met drie verticale openingen van verschillende grootte. Het zijn drie poorten die de bezoeker voor een keuze stellen. Het werk was eenmaal eerder te zien, op Documenta 8 in 1987, en draagt de titel Zu Hilfe, zu hilfe, sonst bin ich verloren – de openingszin van Mozarts Zauberflöte.

De volgende werken zou je bijna over het hoofd zien, zo bescheiden, of zo perfect, integreerde Knoebel ze in Mies’ architectuur. Tegen de achterwanden van twee eikenhouten garderobeconstructies van Mies arrangeerde Knoebel installaties van spaanplaat: Raum 19 III, een work in progress sinds 1968, dat nu zijn derde – uitgebreide - vorm heeft gekregen. Het werk heeft betrekking op de ruimte die Imi Knoebel en Imi Giese in 1968 kregen toegewezen van hun leermeester Joseph Beuys aan de kunstacademie in Düsseldorf. Gelegen naast Beuys’ eigen Raum 20, werd de ruimte een metafoor voor het schenken van een vrijplaats waarin de twee Imi’s hun eigen weg konden volgen. De eigenlijke ruimte werd schoon en leeg gehouden, en de installatie Raum 19 thematiseert de utopische gedachte van het geven van ruimte. De modulaire installatie bestaat uit objecten in spaanplaat: kubussen, schilderijlijsten, lijstfragmenten (een duidelijke verwijzing naar de schilderkunst), halfronde platen gebaseerd op de boogvensters in de Düsseldorfer Raum 19, trapezoïden en semiovale objecten. De platen en objecten worden voor elke tentoonstelling anders gearrangeerd, maar zijn altijd gestapeld, soms opgehangen, vaak leunend tegen een wand geplaatst. De spaanplaten van Raum 19 werden in de literatuur tot op heden besproken als steriel en geheimzinnig. Er is dan wel de met Beuys gedeelde presentatievorm van gestapelde gelijkaardige materialen, Knoebels houtstapels werden, in tegenstelling tot Beuys’ vilt- en koperstapels, nooit gezien als dragers van een transcendente of psychische energie.

In de constellatie in de Neue Nationalgalerie kan de bezoeker de installatie op een paar plekken betreden. De grafische kwaliteit van de bruine spaanplaten wordt benadrukt door de patronen in de materialen van Mies’ architectuur: het donkergrijze marmer van twee vierkante steunpilaren, het grijsgroene graniet van de vloertegels, en het donkerbruine eikenhout van de garderobeconstructies. Met het werk Potsdammer Strasse 50, gewijd aan Mies, voegde Knoebel nog een extra grafische structuur toe. Hij veranderde Mies’ glaswand met de in zwart staal omkaderde vensterdelen in een gigantische witte wandschildering. Op deze manier keert Knoebel de aandacht weer naar binnen. Anders dan de gordijnen, die Mies’ gebouw deels verhulden, maken de beschilderde glaswanden de architectuur juist zichtbaar.

Een laatste sculptuur staat opgesteld tussen de objecten van Raum 19: een grote fosforescerende kubus met de titel Batterie (2005). En hier komt Knoebel plots toch op het spoor van Beuys’ utopische gedachtegoed. Titel en materiaalgebruik van deze sculptuur haken aan bij de narratieve complexiteit van Beuys’ oeuvre. De curator spreekt van een energetische straling die de tentoonstelling een meditatief karakter geeft, en zelfs kan leiden tot een ervaring van ‘epifanie’. Ook Knoebel schuwt grote woorden niet en ziet zijn tentoonstellingsgebaar van het uitruimen en opnieuw inrichten van Mies’ gebouw als een metafoor voor een nieuwe ordening van maatschappelijke ruimtes. ‘Zu hilfe, zu hilfe’: zou Knoebel werkelijk de weg willen wijzen naar een nieuwe maatschappelijke ordening?

In het Deutsche Guggenheim zijn twee achtereenvolgende tentoonstellingen van Knoebel te zien. De tweede tentoonstelling bestaat uit 200 werken op papier uit de collectie van de Deutsche Bank, de hoofdsponsor van het Deutsche Guggenheim. De retrospectieve tentoonstelling belooft via de selectie een goed inzicht te geven in Knoebels oeuvre – de werken op papier houden immers verband met zijn totale productie. De eerste helft van de tentoonstelling toont enkel werk van na 2005, en mag gezien worden als Knoebels eigen keuze. Met de nodige bravoure wordt in dit recente werk, uiteraard met primaire kleuren en op monumentaal formaat, ingegaan op Barnett Newmans vraag Who’s Afraid of Red, Yellow, and Blue?: ‘Ich nicht!’

 

Imi Knoebel. Zu Hilfe, zu Hilfe… nog tot 9 augustus in de Neue Nationalgalerie, Potsdamer Straße 50, 10785 Berlijn (030/266.42.4510; www.neue-nationalgalerie.de).

Imi Knoebel. ICH NICHT (reeds afgelopen) en ENDUROS, nog tot 2 augustus in Deutsche Guggenheim, Unter den Linden 13/15, 10117 Berlijn (030/20.20.93-0; www.deutsche-guggenheim-berlin.de).