Merel Van Tilburg

DE WITTE RAAF

Editie 141 september-oktober 2009

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Modell Bauhaus

2009 is in Berlijn een belangrijk jubileumjaar, dat uitgebreid wordt gevierd: twintig jaar geleden viel de Muur. Met de ‘jubileumgeest’ in het hoofd besloten de drie Duitse instanties die het erfgoed van het Bauhaus beheren om het negentigste geboortejaar van het Bauhaus aan te grijpen voor de grootste naoorlogse Bauhaustentoonstelling op Duitse bodem tot nu toe. Het MoMA werkt eveneens mee, maar organiseert vanaf november een grote tentoonstelling met een andere insteek en titel: Bauhaus 1919-1933: Workshops for Modernity. ‘Wij vieren niet, wij analyseren’, zo meldde Barry Bergdoll, curator van het MoMA, in de Duitse pers. Bergdolls commentaar klinkt een weinig bits, vooral omdat de tentoonstelling Modell Bauhaus verschrikkelijk goed in elkaar zit, en eerder met te veel dan te weinig visie is ingericht.

In achttien verschillende secties/zalen schetst de tentoonstelling een breed beeld van de productie in en om het Bauhaus. Een van de wensen is daarbij de ‘mythe’ Bauhaus te ontkrachten, door een zo precies mogelijk beeld te geven van wat het Bauhaus wel en niet was in de veertien jaar dat het bestond. Diezelfde ‘mythe’ staat ook centraal in een negentiende ruimte. In de hal van de Martin Gropius Bau, in het hart van de tentoonstelling, bevindt zich de installatie DIY Bauhaus van Christine Hill, speciaal gemaakt voor deze tentoonstelling. Uitspraken van Bauhausmeesters zijn opgehangen naast reclameslogans en teksten uit de IKEA-catalogus – het onderscheid is subtiel, maar onmiskenbaar. Er is Bauhaus-merchandise, een IKEA-showroom, een wand waarop je zelf een ontwerp voor een interieur kunt achterlaten en een van Hills Volksboutiques: een openklapbare kast met een uitrusting voor een specifiek beroep, in dit geval dat van Bauhausstudent. Het lijkt erop dat de tentoonstellingsmakers met Hills bijdrage willen laten zien hoe de commercie aan de haal is gegaan met het Bauhausidee dat (goed!) design de levenskwaliteit verhoogt.

De titel Modell Bauhaus (in het Engels: Bauhaus, a conceptual model) verwijst echter niet alleen naar de ‘modelfunctie’ die het Bauhaus in de 20ste eeuw heeft gehad, zowel voor de kunstopleiding als voor moderne architectuur en design. In deze betekenis is model bedoeld als ideaal, prototype, voorbeeld, maat, standaard, richtlijn en referentieobject. Daarnaast is er de betekenis van model als een middel om een relatie, structuur of idee te concretiseren en begrijpelijk te maken. En dat sluit natuurlijk precies aan bij de didactische vernieuwingen waar het Bauhaus voor stond. Een chronologische en thematische opbouw maakt het mogelijk het veelvoud aan stijlen binnen het Bauhaus te tonen, verbonden aan de opeenvolgende leraren en directeuren: expressionisme, futurisme, dadaïsme, nieuwe zakelijkheid, constructivisme en zelfs surrealisme. ‘Bauhaus’ werd weliswaar al in de loop van de jaren 20 een kwaliteitszegel en synoniem met ‘modern’, van een eenduidige Bauhausstijl is echter nooit sprake geweest. De nieuwe eenheid van kunst, leven en techniek die Walter Gropius voorstond was eerder een idee: de vorm moest samenhangen met de functie van een object en met hedendaagse productieprocessen. Onder Gropius’ directoraat van 1919 tot 1928 was het didactische programma van het Bauhaus gericht op het opleiden van individuen. In Weimar werkten beeldend kunstenaars in de werkplaatsen samen met handwerkslieden. Volgens het Bauhausmanifest zou de verbinding tussen kunst en handwerk sociale tegenstellingen opheffen (‘levensreform’) en zouden kunstenaars door het aanleren van handvaardigheden in de werkplaats nieuwe vormtalen ontwikkelen, waarvan alle kunsten zouden meeprofiteren. Kunsthandwerk moest de kunst bevrijden van de industrie en haar een nieuwe geest geven. Het uiteindelijke doel van alle kunsten was volgens Gropius samen te vloeien in bouw.

Het eerste deel van de tentoonstelling toont een aantal fasen en thema’s uit de Weimartijd van het Bauhaus. Kunstwerken van de Bauhausmeesters worden afgewisseld met lesmateriaal en studies uit de verschillende werkplaatsen. Modellen, tekeningen, vorm- en kleurstudies en prototypes, aangevuld met foto’s en grafisch materiaal, geven een goed beeld van de verschillende lesprogramma’s. Moeilijk is het daarbij niet om de leermeester in het werk van de leerling te herkennen: klaarblijkelijk stelden de kunstenaars die werkzaam waren aan het Bauhaus het eigen artistieke onderzoek centraal in hun onderwijs. Sommige objecten zijn reconstructies. Modellen zowel als kunstwerken zijn verloren gegaan. Desalniettemin is de selectie indrukwekkend. De eerste officiële Bauhaustentoonstelling in 1923 is ten dele gereconstrueerd in een aparte zaal en een volgend deel is gewijd aan de ‘professionalisering’ van het Bauhaus in Dessau – vanaf 1925 – onder het directoraat van Gropius en later Hannes Meyer (1928-1930). Hier is een zaal gewijd aan dynamiek en beweging, van Schlemmers Bauhaustänze tot Moholy-Nagy’s licht-ruimtemodulator. Meyer stelde functie voorop, en volgde vooral sociale eisen in zijn woningbouw: ‘Volksbedarf statt Luxusbedarf.’ Behalve bouwontwerpen van Meyers hand, wordt in dit deel werk getoond uit de typografiewerkplaats van Joost Schmidt, naast meubels van onder anderen Breuer, stoffen, behangontwerpen enzovoorts. Duidelijk wordt dat de Bauhausproductie in Dessau werd gestroomlijnd. Na een ‘losse’ zaal gewijd aan fotografie en een aan de vrije schilderkunst, onder directeur Meyer weer deel van het Bauhauscurriculum, zijn de laatste twee zalen gewijd aan Mies van der Rohe, directeur van 1930 tot 1933.

De vormgeving van de tentoonstelling is dikwijls bijzonder. Op basis van Johannes Ittens kleurenspectrum ontwikkelde het duo chezweitz & roseapple uit Berlijn een kleurenprogramma voor de tentoonstellingszalen dat de chronologisch opeenvolgende fasen onderscheidt. Magnifiek in hun scenografie is een wandmeubel in het Dessaugedeelte van de tentoonstelling, dat zich uitstrekt over meerdere zalen. De donkere houten kast is gemodelleerd naar Gropius’ glazen vliesgevel van het Bauhaus in Dessau en fungeert als ‘toonkast’ voor meubels, modellen, kleding en gebruiksvoorwerpen – prototypen ontwikkeld in Dessau. Het meubel en de strakke glazen tentoonstellingskasten onderstrepen de veranderende sfeer in het Bauhaus. In het aan Mies van der Rohe gewijde deel wordt de scenografie iets te nadrukkelijk: een claustrofobische, afgesloten ruimte van spiegels en gefineerd hout moet de materiaalesthetiek van Mies weerspiegelen. Maar de gekozen materialen steken pover af bij Mies’ eigen werk, te zien op foto’s, in ontwerpen en maquettes.

De politieke geschiedenis van het Bauhaus blijft in deze verder magnifieke tentoonstelling onderbelicht. De tentoonstellingsmakers hebben braaf Gropius’ wens gevolgd het Bauhaus te vrijwaren van politiek. Een gemiste kans in het in Duitsland historisch beladen ‘jubileumjaar’.

 

Modell Bauhaus tot 4 oktober in de Martin Gropius Bau, Niederkirchnerstraße 7, Ecke Stresemannstraße 110, 10963 Berlijn (01805/999.623.770; www.modell-bauhaus.de).