Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 141 september-oktober 2009

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

The Radicant

Sinds de jaren 90 komt de Franse curator en theoreticus Nicolas Bourriaud (1965) op geregelde tijdstippen tevoorschijn met hoogdringende berichten aan de kunstwereld. Hij ontwikkelt theorieën die zowel de volledige actuele wereld als de integrale hedendaagse kunst in één net proberen te vangen – en organiseert daarna, op basis van de door hem ontwikkelde visie, tentoonstellingen. Bourriaud is op die manier vooral bekend geworden dankzij zijn ‘uitvinding’ van de term ‘esthétique relationnelle’, voor het eerst gebruikt in de catalogus van de tentoonstelling Traffic in het Capc in Bordeaux (1996), en uitgewerkt in het boekje Esthétique relationnelle (1998, besproken in De Witte Raaf nr. 91). Deze ‘esthetiek van de relaties’ is de noemer waarop verschillende kunstpraktijken worden teruggebracht, die even intense als interactieve relaties met haar beschouwers tot stand proberen te brengen. Alles is tijdelijk, toegankelijk, beweeglijk; alles staat open voor interpretatie en participatie; iedereen heeft recht op duizenden identiteiten, verlangens en bestemmingen. De kunstenaars die Bourriaud in het vizier neemt, thematiseren deze eigenschappen in hun werk bijvoorbeeld door een reis te maken, een feestje te organiseren of deel te nemen aan een exotische stoet – en er vervolgens zo eenvoudig en oprecht mogelijk verslag over uit te brengen, in het museum of bij voorkeur ver daarbuiten.

In 2009 presenteert Bourriaud een nieuwe tweetandige vork die zowel in de wereld als in de kunst wordt geprikt: hij cureerde in de lente de vierde Tate Triennal in Londen met als titel Altermodern en schreef het schijnbaar onafhankelijke boek The Radicant, dat echter overduidelijk is opgeweld uit dezelfde lagen als Altermodern. Dat blijkt al meteen uit de titels van de tentoonstelling en van het boek – twee inwisselbare neologismen waarvan het ontstaan uiteindelijk tot één ding is terug te brengen: het verlangen van Bourriaud naar originaliteit, nieuwheid en overzicht. Dat verlangen is niet helemaal onbegrijpelijk of verachtelijk: aan de voet van het derde millennium ervaart Bourriaud net als vele van zijn tijdgenoten het hedendaagse leven als erg moeilijk en ingewikkeld. Het project van de moderniteit is nauwelijks nog vol te houden zonder in kapitalistische uitwassen te vervallen, en de postmoderne correcties of kritieken op die moderniteit zijn ondertussen verwaterd tot een formulaire weigering om verantwoordelijkheid op te nemen. Vandaar: de altermoderniteit – een moderniteit die ouder is (van het Duitse Alter) en toch anders of ‘gericht op anderen’; een moderniteit die weer zo toekomstgericht en positief is als in de vroege 20ste eeuw, maar die niet langer gebukt gaat onder de westerse, mannelijke, blanke dominantie. Het tweede neologisme, de radicant, is afgeleid van het Latijnse woord voor wortel, en zegt hetzelfde in andere woorden: altermoderne mensen hebben wel degelijk wortels, een afkomst, een origine, maar ze kunnen ermee werken, ze kunnen ermee aan de slag, ze kunnen er kunst mee maken die elders weer wortel schiet – natuurlijk slechts tijdelijk en voorlopig. In de woorden van Bourriaud: ‘For contemporary creators are already laying the foundations for a radicant art – radicant being a term designating an organism that grows its roots and adds new ones as it advances. To be radicant means setting one’s roots in motion, staging them in heterogeneous contexts and formats, denying them the power to completely define one’s identity, translating ideas, transcoding images, transplanting behaviors, exchanging rather than imposing.’

Tot zover het theoretische gedeelte. De tweede helft van The Radicant is gewijd aan een illustratie van deze uitgangspunten aan de hand van kunst: Bourriaud probeert te bewijzen dat onze wereld ‘altermodern’ is omdat onze kunst ‘radicant’ is – en omgekeerd. Ook hier worden echter weer andere begrippen aan het discours toegevoegd: kunst moet zich onafgebroken bezighouden met ‘vertalen’, omdat er geen dominante lingua franca meer mag bestaan; kunst legt altijd getuigenis af over een ‘precaire’ toestand, omdat ook onze levens ‘precair’ geworden zijn – men denke maar aan het gemak waarmee jobs op de helling komen te staan in crisistijden, of aan de talloze manieren waarop we snel kunnen reizen! De voorbeelden zijn ontstellend divers: een installatie van Jason Rhoades, de postrock van My Bloody Valentine, de romans van W.G. Sebald, de galerie-als-soepkeuken bij Rirkrit Tiravanija, de foto’s van Gabriel Orozco, de zandtekeningen van Jennifer Allora, de wandelingen van Francis Alÿs, de reizen van Bas Jan Ader of Pierre Huyghe. Kunst en theorie gaan hand in hand de toekomst en de ondergaande zon tegemoet – de laatste zin van het boek is dan ook een oproep: ‘Faced with the challenge reification poses to culture and art, we must therefore set things in motion again – start a counter-movement – by beginning a new exodus.’

The Radicant ontwikkelt zich zo als een overtreffende trap van Esthétique relationnelle: wat daar nog opging en gedefinieerd werd voor bepaalde levens- en kunstvormen, wordt hier op een militante manier opgeblazen tot het de hele wereld betreft – en de hele contemporaine kunst. De wanhoop is blijkbaar even groot als de vraag om het verpletterend grote gebaar. Uiteindelijk kan Bourriaud twee gevaarlijke zaken verweten worden. Ten eerste is zijn theorie een ongenuanceerd samenraapsel van allerlei tegenstrijdige en onnauwkeurig geïnterpreteerde elementen uit de 20ste-eeuwse filosofie, waarmee hij hoopt zo dicht mogelijk uit te komen bij de smaak van de 21ste eeuw. De vraag hoe die smaak tot stand komt – door de media, door rechtse politieke agenda’s, door commerciële logica’s of exotisch kunstzinnig gedoe – wordt op geen enkel moment gesteld. Het tweede verwijt is zo mogelijk nog ernstiger. Bourriaud beweert dat hij maar één ding wil: ‘to look at the world through that optical tool that is art, in order to sketch a worldly and worldwide art criticism in which works are in dialogue with the contexts in which they were produced.’ De autonomie van het kunstwerk is in The Radicant echter volledig verdwenen. Hoe zou het anders mogelijk zijn om de melancholische en vaak verstikkend lethargische romans van W.G. Sebald als exponent van ‘radicante kunst’ te lezen, als bijdrage tot een nieuwe exodus of tot een nieuw ‘altermodern’ begin? Of hoe kan anders het even vormelijke als veelzijdige werk van Mike Kelley brutaal herleid worden tot een zoveelste uiting van ‘vertaling’ of ‘het mixen van wortels’? Bourriaud is uiteindelijk slechts één ding met verve: een toonbeeld van een bepaald type curator dat met een krampachtig overzicht de kunst en het denken in de eerste plaats op ongehoorde wijze afvlakt.

 

The Radicant van Nicolas Bourriaud werd in 2009 uitgegeven bij Sternberg Press, New York en Berlijn (www.sternbergpress.com).

ISBN 978-1-933128-429