Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 142 november-december 2009

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Deadline

Mensen krijgen soms het slechte nieuws dat ze niet lang meer te leven hebben. Men vraagt hen dan wat ze nog graag hadden willen doen. Meestal antwoorden ze dat ze willen verder doen zoals ze bezig zijn. De tentoonstelling Deadline in het Musée d’art moderne de la Ville de Paris onderzoekt hoe kunstenaars daarmee omgaan. Ze toont het late werk van twaalf kunstenaars die ons de laatste twintig jaar verlaten hebben en elk op hun manier, zich bewust van hun nakende dood (door ziekte of ouderdom), de urgentie van het voleindigen van hun oeuvre in hun werk hebben ingebouwd of een laatste poging hebben gedaan om zichzelf te overstijgen. De bewustwording van de nabijheid van de dood verandert de relatie met hun bestaan. Hierdoor krijgt hun werk een nieuwe intensiteit.

Sommige kunstenaars ontwikkelen nieuwe thema’s, meestal in verband met het lichaam, zoals dood en vergankelijkheid, bij anderen overheerst onbegrip, woede en revolte of de belangstelling voor de eeuwigheidswaarde van de (klassieke) kunst. Nog anderen zien zich verplicht om nieuwe technieken uit te vinden om hun werkwijze aan hun veranderende conditie aan te passen. Ze vertragen of versnellen hun werkritme of gaan de vorm uitzuiveren of de geste meer beheersen.

Tot voor kort werd er vaak meewarig gedaan over het late werk van moderne kunstenaars. Men vond het per definitie minder interessant dan het vroege werk dat, gekenmerkt door vernieuwing en innovatie, de kunstgeschiedenis in een stroomversnelling bracht. Zo werd het late werk van Picasso tijdens zijn leven door haast iedereen misprezen. De Nymphéas werden toegeschreven aan Monets verminderde gezichtsvermogen en de laatste zelfportretten van Bonnard gingen door als een curiosum in zijn oeuvre. Ook hier doet de tentoonstelling een poging om de hiërarchie in vraag te stellen of te corrigeren. Meestal getuigt het late werk van een kunstenaar die niets meer hoeft te bewijzen, van een grotere durf en vooral van het plezier van de creatie.

Het meest frappante voorbeeld is uiteraard dat van de in 1989 op 32-jarige leeftijd overleden fotograaf Robert Mapplethorpe, die na een periode van provocerende (homo)esthetiek op het einde van zijn leven een reeks indringende zelfportretten maakte waarin de aangekondigde dood reeds duidelijk aanwezig is. Ook het werk van de aan aids vroeggestorven Amerikaans-Cubaanse kunstenaar Felix Gonzalez-Torres (1957-1996) over de breekbaarheid van het leven, kreeg na zijn dood een ware cultstatus. Zijn laatste reeks foto’s van opvliegende vogels doen onvermijdelijk denken aan het laatste schilderij met kraaien boven een korenveld van Van Gogh. Zich bewust van zijn ziekte en de snelheid waarmee aids zijn lichaam verwoestte, accelereert Absalon (1964-1993) zijn werkritme, waardoor de noodzaak en de hoogdringendheid van zijn artistieke prestaties op een gebalde manier naar voren komen. In zijn gefilmde performances Bataille en Bruits vecht hij met zichzelf en schreeuwt hij het uit van woede. Na zijn dood krijgen zijn Cellules, architecturale prototypes voor een enkele persoon, met hun maagdelijk witte muren iets afstandelijks, klinisch en aseptisch.

De Zwitserse fotografe Hannah Villiger (1951-1997) observeert de aftakeling van haar door tuberculose verzwakte lichaam doorheen de lens van een polaroidcamera, die ze beschouwt als een introspectieve spiegel waarmee ze zichzelf op de huid zit. Een huid waarachter de vernietigende ziekte zich schuilhoudt. Oorspronkelijk werkte de Chinese kunstenaar Chen Zhen (1955-2000), die naar Parijs gekomen was om een kunstopleiding te volgen, rond thema’s zoals migratie en verplaatsing, maar nadat hij getroffen werd door een ongeneeslijke ziekte, transformeerde hij zijn kunstenaarschap tot een bron van vitale energie. In zijn laatste beelden en installaties, waarvoor hij gebruik maakt van de meest verscheiden materialen, sluipt deze mysterieuze ziekte binnen, om zowel het individuele als het sociale en culturele lichaam aan te tasten. Zo maakt hij een maquette van een zen-tuin die bevolkt wordt door plastic organen. In het aanschijn van de dood krijgt het gebruik van windels en kaarsen een symbolische betekenis.

Maar het meest tot de verbeelding sprekende werk is dat van James Lee Byars. Het volledige oeuvre van deze Amerikaanse kunstenaar, die zich begin jaren 70 in Europa vestigde, is doordrongen van zijn obsessie voor de perfectie en de idee van de dood. Wanneer hij verneemt dat hij aan kanker lijdt, gebruikt hij dat gegeven in een aantal werken en performances. In 1994 toont hij in de Brusselse galerie van Marie-Puck Broodthaers The Death of James Lee Byars. Gekleed in een gouden kostuum en met een zwarte hoed ligt hij in een met bladgoud beklede ruimte. Na de performance werd zijn lichaam vervangen door vijf artificiële diamanten, een verwijzing naar de Mens van Vitruvius van Leonardo da Vinci. Centraal in de tentoonstelling staat een reconstructie van deze sacrale ruimte. Als schrijn vormt ze de centrale as tussen het verleden en de toekomst, het leven en de dood, het materiële en het immateriële, het leven en de kunst.

Met werk van Willem de Kooning, Hans Hartung, Martin Kippenberger, Joan Mitchell, Gilles Aillaud en Jörg Immendorff, is Deadline echter ook een tentoonstelling over schilderkunst geworden. Niet zozeer haar helende kracht staat centraal, maar de relatie tot de materie, de geschiedenis en de idee dat kunst in staat is om de vergankelijkheid te overstijgen.

Willem de Kooning overleed in 1997 op 93-jarige leeftijd. De laatste tien jaar van zijn leven leed hij aan toenemend geheugenverlies, maar als hij schilderde was hij nog steeds alert en bij zijn werk betrokken. Zijn laatste schilderijen op groot formaat, waarvan op de tentoonstelling een mooi ensemble te zien is, zijn allerminst het werk van een dementerende kunstenaar, zoals toentertijd door bepaalde critici geschreven werd, maar sluiten een oeuvre af waarin gezocht werd naar de perfecte integratie van de tekening in de schilderkunst.

In tegenstelling tot Willem de Kooning keert Martin Kippenberger (1953-1997) zich in zijn laatste werk tot de klassieke schilderkunst. Met ironie en cynisme kijkt hij in een hommage aan Géricault naar de romantische dramatiek van de Radeau de la Méduse, die in het licht van zijn door kanker aangetaste lever een autobiografisch karakter krijgt. Als studiemateriaal gebruikt hij foto’s van zijn eigen lichaam in de positie van de schipbreukelingen. Het resultaat is een indringende reeks schilderijen waarbij de kunstenaar, zelfbewust en ironisch, voor de allerlaatste keer naar zichzelf kijkt.

Op de vlucht voor de opkomst van het nazisme kwam de Duitse kunstenaar Hans Hartung (1904-1989) in 1935 naar Parijs. Hier ontwikkelde hij zich tot een pionier van de gestuele schilderkunst en de lyrische abstractie. De laatste drie jaar van zijn leven, toen hij reeds ernstig ziek was, maakte hij in zijn atelier in Antibes nog 650 schilderijen, waarvan sommige op groot formaat. Hiervoor ontwikkelde hij een eigen techniek om de verf met behulp van een sproeier, die oorspronkelijk gebruikt werd in de wijnbouw, vanuit zijn rolstoel op zijn doeken te verstuiven. Zijn laatste schilderijen getuigen van een grote vrijheid, niet alleen wat de techniek betreft, maar ook in de originele vormentaal en het kleurrijke palet van giftig roze, gele en groene tonen.

Een revelatie is de Franse schilder Gilles Aillaud (1928-2005). Zijn oeuvre bestaat bijna uitsluitend uit landschappen en dieren in kooien of dierentuinen. In de jaren 70 behoort hij even tot de Nouvelle Figuration. Na een hersenbloeding in 1977 kan hij enkel nog zijn linkerhand bewegen. Op het einde van zijn leven wordt zijn mobiliteit steeds beperkter, maar het formaat van zijn schilderijen groter. In dominanten van blauw en beige maakt hij een indrukwekkende reeks van vliegende vogels. In de tentoonstelling vormen ze een mooie echo van de veertien zwart-witfoto’s met hetzelfde onderwerp van Felix Gonzalez-Torres.

Minder gekend buiten Frankrijk is het werk van de Amerikaanse Joan Mitchell (1925-1992), die zich in 1955 definitief in Frankrijk vestigde. In de traditie van het abstract expressionisme beschildert ze in een kleurrijk palet grote doeken met ruime borstelstreken. Door pijn in de heupen wordt ze de laatste jaren sterk beperkt in haar bewegingsvrijheid, maar toch blijft de energie en de vervoering van de schilderkunstige geste onveranderd. Wel worden de composities eenvoudiger en concentreert ze zich op de zones van het doek die met het penseel nog net bereikbaar zijn. Progressief verlamd door een sclerose, schildert Jörg Immendorff (1945-2007) vanaf het einde van de jaren 90 ontwrichte lichamen, skeletten en visioenen uit de hel, hierbij geholpen door een computer en zijn assistenten, die fungeren als levende penselen. Het was zijn eigen manier om zich te verzetten tegen de dood van de schilderkunst en de dood in het algemeen.

De cinema, de literatuur en ook de kunst zijn doordrongen van het einde, maar het einde in de kunsten is een collectief einde, zoals we dat kennen uit de geschiedenis van oorlogen, volkerenmoorden en epidemieën. Het is gemakkelijker om zich dat gemeenschappelijke einde voor te stellen dan de eigen dood. En dat is nu net wat de kunstenaars in deze tentoonstelling onderscheidt van anderen: dat ze de dood zonder verpinken in de ogen hebben gezien.

 

Deadline tot 10 januari in het Musée d’art moderne de la Ville de Paris, 11 avenue du président Wilson, 75116 Paris (01/53.67.40.00; www.mam.paris.fr).