Steven Humblet

DE WITTE RAAF

Editie 142 november-december 2009

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

La subversion des images

Ruim 20 jaar na het laatste grote (en baanbrekende) overzicht van de surrealistische fotografie – een door Rosalind Krauss en Jane Livingston samengestelde tentoonstelling en publicatie – organiseert het Centre Pompidou een rijk gedocumenteerde tentoonstelling die de relatie tussen het surrealisme en de fotografie opnieuw onder de loep neemt. Alhoewel de tentoonstelling ook wel wat onuitgegeven materiaal presenteert, moet de kwaliteit van de expo niet daar gezocht worden – het nieuwe werk dat hier en daar opduikt is meestal van middelmatige kwaliteit en het verschilt maar weinig van het al bekende beeldmateriaal. Haar werkelijke belang ligt in de wijze waarop ze door de schikking van het materiaal, ingegeven door belangrijke verschuivingen in de hedendaagse fototheorie, nieuwe en prikkelende inzichten genereert.

Terwijl Krauss en Livingston de surrealistische fotografie eerder vanuit een kunsthistorisch perspectief bekeken – ze probeerden de fotografische productie vooral te duiden vanuit de dogma’s en conventies van de surrealistische (schilder)kunst – hanteren de huidige curatoren een descriptieve werkwijze. Ze kiezen voor het aanleggen van een inventaris die de verschillende manieren in kaart brengt waarop de surrealisten omsprongen met het fotografisch materiaal dat ze verzamelden, bewerkten en uiteindelijk ook zelf zouden produceren. Aan welke formele behandelingen werden de verzamelde beelden onderworpen? Welke specifieke technieken werden toegepast bij de productie van de eigen beelden. Hoe werden de foto’s gedistribueerd, via welke kanalen en tot welk doel? Dat zijn maar enkele van de vragen die de curatoren als leidraad hanteren voor de opbouw van de expo. Het resultaat is een verfrissende tentoonstelling die resoluut het medium fotografie centraal stelt en systematisch nagaat hoe dit medium door de surrealistische praktijk telkens weer anders werd gedefinieerd en ingezet. Het surrealisme verschijnt hier als een stroming die de fotografische praktijk onophoudelijk bevraagt en er onverdroten mee experimenteert. Oude fascinaties en vragen omtrent de betekenis van dit technische beeld krijgen hierdoor plots een nieuwe urgentie. In het surrealisme wordt de fotografie opnieuw brandend actueel.

De tentoonstelling telt negen zalen die met uitzondering van de eerste en de laatste geschikt zijn rond een centrale, ovale binnenruimte. Elke zaal behandelt telkens één formeel of inhoudelijk aspect van de surrealistische fotografie. Dat de plaatsing van sommige foto’s onder één rubriek niet altijd vanzelfsprekend is – beelden die in één sectie zijn ondergebracht, zouden evengoed kunnen functioneren in een andere – wordt opgelost door de grenzen tussen de zalen zo poreus mogelijk te maken. De thema’s zijn geen rigide categorieën die elk beeld opsluiten in een strak interpretatiekader, maar prikkelen de toeschouwer om over de zalen heen zoveel mogelijk dwarsverbanden te leggen. Het is niet toevallig dat net in de centrale ruimte een heel scala van montage-, assemblage- en collagetechnieken wordt gepresenteerd. Deze zaal demonstreert op een voorbeeldige wijze de ambivalentie van de surrealisten ten opzichte van het fotografisch medium, een dubbelzinnigheid die verder wordt uitgediept en verfijnd in de omliggende zalen. Alhoewel de surrealisten ervan uitgingen dat fotografie als dusdanig surrealistisch is – haar puur mechanisch karakter maakt het fotografisch beeld tot een exquise vertegenwoordiger van de door hen zo gekoesterde ‘écriture automatique’ – blijkt zij het toch niet zonder extra manipulaties te kunnen stellen. Slechts via deze soms subtiele, soms wat grondigere ingrepen, kon het surrealistische potentieel dat in elk beeld voorhanden is uiteindelijk bevrijd worden.

Soms volstond het voor de surrealisten beelden naast elkaar te plaatsen om deze transformaties te realiseren of beperkten ze zich tot een verbale commentaar bij het beeld – zoals in de kritisch-paranoïde lectuur van het fotografische beeld door Dalí – maar even vaak grepen ze ook actief in door het beeld aan allerlei vervreemdingseffecten te onderwerpen (solarisatie, visuele vervorming, onscherpte…). Welke operaties ze ook uitvoerden, ze hebben allemaal tot doel het fotografische beeld van zijn ingebakken realisme te ontdoen. Of liever: van zijn realistische aanschijn te beroven. Het surrealisme ziet het zogeheten realisme van de fotografie als een theoretische constructie en niet als een eigenschap die als vanzelf voortvloeide uit haar (technische) constitutie. Dat bevrijdende inzicht opende talloze nieuwe perspectieven om de relatie tussen fotografie en wereld, tussen apparaat en fotograaf, tussen beeld en kijker grondig te herijken.

De tentoonstelling maakt echter duidelijk dat de surrealistische fotografie de geijkte verhoudingen niet simpelweg omkeert, maar deze eerder via een spel van lichte verschuivingen subtiel ondergraaft. De wijze waarop ze de (sowieso al extreem problematische) relatie tussen apparaat en fotograaf herdenkt, kan dit verhelderen. In plaats van exclusief te kiezen voor één van beide, ontwikkelt ze een reeks strategieën waarbij de twee partijen elkaar voortdurend uit balans brengen. Zo zal het surrealisme de scheppende hand van de fotograaf een cruciale rol blijven toebedelen in de creatie van het fotografische beeld, maar ze zal dit auteurschap op een heel specifieke manier invullen. Waar de fotograaf zich meestal in de rol van auteur probeert te hijsen door zijn feilloze beheersing van de fotografische techniek te etaleren, kiest de surrealist ervoor om zijn controle over het beeld op het spel te laten zetten door een ontsporende fotografische techniek. Het surrealisme speelt met technische ‘fouten’ die eigen zijn aan het fotografische dispositief – ‘onscherpte’ bestaat alleen binnen fotografie – om het zo van binnenuit te ontregelen. Het fotografisch apparaat, zo stelt het surrealisme uitdagend, mag zich niet willoos schikken naar de intenties van de beeldenmaker, maar moet deze juist voortdurend dwarsbomen. Het apparaat zet de fotografische auteur steevast een pad in de korf. Pas dan ook kan het fotografische medium die spannende speeltuin worden waar telkens nieuwe, onthutsende, erotische en choquerende verhoudingen tot de wereld kunnen worden uitgetest.

 

La subversion des images. Surréalisme, photographie, film tot 11 januari in het Centre Pompidou, Place Georges Pompidou, Parijs (01/44.78.12.33; www.centrepompidou.fr).