Maurizio Lazzarato

DE WITTE RAAF

Editie 143 januari-februari 2010

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Immateriële arbeid

Naar de nieuwe vormen van het organiseren van werk is al heel wat empirisch onderzoek verricht. Samen met een al even brede waaier aan theoretische reflectie stelt dit onderzoek ons in staat om tot een nieuwe voorstelling te komen van wat werk vandaag de dag precies inhoudt en welke nieuwe machtsrelaties werk impliceert.

Een eerste synthese van deze resultaten – gekaderd in een poging om de technische en subjectief-politieke samenstelling van de actieve bevolking te definiëren – kan men opstellen aan de hand van het concept immateriële arbeid, waarmee arbeid wordt bedoeld die de informatiewaarde en de culturele inhoud van het geproduceerde creëert. Het concept verwijst dus naar twee verschillende aspecten van arbeid. Wat betreft de ‘informatiewaarde’ van het product verwijst het enerzijds naar de veranderingen die plaatsvinden in de arbeidsprocessen van werknemers in grote bedrijven uit de industriële en de tertiaire sector, waar de vaardigheden die voor directe arbeid nodig zijn in toenemende mate met cybernetica en het bedienen van computers te maken hebben (en met horizontale en verticale communicatie). Wat betreft de activiteit die de ‘culturele inhoud’ van het product creëert, houdt immateriële arbeid anderzijds ook een reeks activiteiten in die normaal gesproken niet als ‘werk’ worden beschouwd. Het gaat met andere woorden om het soort activiteiten die te maken hebben met het definiëren en bepalen van culturele en artistieke standaarden, modes, smaken, consumentennormen en – meer op strategisch vlak – de publieke opinie. Deze activiteiten, ooit het bevoorrechte terrein van de bourgeoisie en haar nazaten, zijn sinds het einde van de jaren 70 het domein geworden van wat we ‘het intellect van de massa’ zijn gaan noemen. De ingrijpende veranderingen in deze strategische sectoren hebben niet alleen een transformatie teweeggebracht in de samenstelling, het beheer en de regulering van de arbeidskrachten (het organiseren van de productie), maar ook, en fundamenteler, in de rol en de functie van de intellectuelen en hun activiteiten in de samenleving.

De ‘grote transformatie’ die begin jaren 70 een aanvang nam, heeft zelfs de manier waarop de vraag wordt gesteld veranderd. In toenemende mate houdt manuele arbeid ook procedures in die men als ‘intellectueel’ kan beschouwen en voor de nieuwe communicatietechnologieën zijn steeds vaker subjectiviteiten met hoge kennis nodig. Dit betekent niet alleen dat intellectuele arbeid aan de kapitalistische productienormen onderworpen is geraakt: uit de combinatie van de noden van de kapitalistische productie enerzijds en de vormen van ‘zelfvalorisatie’ die de ‘strijd tegen werk’ heeft gecreëerd anderzijds is een nieuw ‘intellect van de massa’ ontstaan. De oude dichotomie tussen ‘intellectuele en manuele arbeid’ of tussen ‘materiële en immateriële arbeid’ dreigt het nieuwe karakter van de productieve activiteit (dat deze tweedeling overneemt en vervolgens transformeert) niet meer te kunnen vatten. De scheiding tussen ontwerp en uitvoering, tussen arbeid en creativiteit, tussen auteur en publiek, wordt binnen het ‘arbeidsproces’ zelf getranscendeerd en opnieuw ingevoerd als politieke controle binnen het ‘valorisatieproces’.

 

De geherstructureerde werker

De herstructureringen van grote fabrieken gedurende de laatste twintig jaar hebben tot een merkwaardige paradox geleid. De verschillende postfordistische modellen zijn stuk voor stuk gebaseerd op de mislukking van de fordistische arbeider, maar ook op de erkenning van de centrale plaats die levende arbeid (die steeds meer geïntellectualiseerd is) binnen het productieproces inneemt. In een groot geherstructureerd bedrijf houdt het werk van een arbeider vandaag de dag steeds vaker, en op verschillende niveaus, het vermogen in om tussen verschillende keuzemogelijkheden te kiezen, wat betekent dat hij of zij een bepaalde graad van verantwoordelijkheid bij het nemen van beslissingen heeft. Het door communicatiesociologen gebruikte concept ‘interface’ biedt een goede definitie van de activiteiten van een dergelijke arbeider, die een interface vormen tussen verschillende functies, tussen verschillende teams, tussen verschillende hiërarchische niveaus enzovoort. Moderne managementtechnieken streven ernaar dat ‘de ziel van de arbeider een deel van de fabriek wordt’. De persoonlijkheid en subjectiviteit van de arbeider moeten vatbaar worden gemaakt voor organisatie en controle. Het is de immaterialiteit waarrond de kwaliteit en kwantiteit van arbeid worden georganiseerd. Deze transformatie van de arbeid uitgevoerd door de arbeidersklasse in ‘controlerende’ arbeid, in het omgaan met informatie, in het vermogen om beslissingen te nemen (wat een investering van de eigen subjectiviteit vereist), beïnvloedt arbeiders afhankelijk van hun plaats in de rangorde binnen de fabriek weliswaar op verschillende manieren, maar kan desalniettemin een onomkeerbaar proces worden genoemd. Werk kan daarom worden gedefinieerd als het vermogen om productieve samenwerking te activeren en te beheren. In deze fase wordt er van arbeiders verwacht dat zij een actieve rol spelen in de coördinatie van de verschillende functies in de productie, in plaats van eenvoudigweg onder het bevel ervan te staan. We hebben een punt bereikt waarop de kern van de productiviteit een collectief leerproces is geworden: het is niet langer zaak om andere manieren te vinden om reeds bestaande jobfuncties samen te stellen en te organiseren, maar om uit te kijken naar nieuwe functies.

Het probleem van subjectiviteit en haar collectieve vorm, van haar grondslagen en ontwikkeling, heeft zich echter binnen de organisatie van werk onmiddellijk als een botsing tussen sociale klassen gemanifesteerd. Laat mij duidelijk stellen dat wat ik hier beschrijf niet een of andere utopische kijk op reorganisatie is, maar het al te reële terrein en de werkelijke context van het conflict tussen de sociale klassen. De kapitalist moet een directe manier vinden om gezag uit te oefenen over subjectiviteit an sich; het bepalen en definiëren van taken verschuift naar het bepalen van subjectiviteiten. De nieuwe leuze van westerse samenlevingen is dat we allemaal ‘subjecten moeten worden’. Participatief management is een machtsinstrument, een technologie om ‘subjectieve processen’ te creëren en te controleren. Aangezien het niet langer mogelijk is om subjectiviteit uitsluitend tot uitvoerende taken te beperken, wordt het nodig om de competentie van het subject in domeinen zoals management, communicatie en creativiteit met de condities van ‘productie om de productie’ in overeenstemming te brengen. Daarom maakt de leuze ‘word een subject’ de tegenstelling tussen hiërarchie en samenwerking, tussen autonomie en gezag helemaal niet ongedaan, maar verplaatst zij die in feite naar een hoger niveau, aangezien zij de persoonlijkheid van de individuele arbeider weliswaar mobiliseert, maar er tegelijkertijd ook mee botst. Dit discours is in de eerste plaats autoritair: men moet zich uitdrukken, men moet spreken, communiceren, samenwerken enzovoort. De ‘toon’ is dezelfde als die van de gezagdragers ten tijde van de taylorisatie; het enige wat er is veranderd, is de inhoud. Ten tweede, als het niet langer mogelijk is om jobs en verantwoordelijkheden strikt vast te leggen en te specificeren (zoals dat in het verleden werd gedaan aan de hand van ‘wetenschappelijke’ studies over arbeid), maar als jobs daarentegen vandaag de dag samenwerking en collectieve coördinatie vereisen, dan moeten de in die productie ingeschakelde subjecten goed kunnen communiceren – dan moeten zij actief participerende teamspelers worden. De communicatieve verhouding (zowel verticaal als horizontaal) is daarom volledig vooraf vastgelegd, zowel qua vorm als qua inhoud; ze is ondergeschikt aan het ‘verkeer van informatie’ en wordt verondersteld niets meer te zijn dan dat. Het subject wordt een eenvoudig doorgeefluik van codificering en decodificering, de boodschappen die het verstuurt moeten ‘duidelijk en ondubbelzinnig’ zijn, en dat alles in een door het management volledig genormaliseerde communicatiecontext. De noodzaak om gezag uit te oefenen en het geweld dat daarmee gepaard gaat, krijgen hier een normatieve communicatieve invulling.

De dwingende vraag vanwege het management dat werknemers ‘communicatieve subjecten’ moeten worden, vertoont zelfs een meer totalitaire tendens dan de vroegere strikte scheiding tussen intellectuele en manuele arbeid (ideeën en uitvoering), omdat het kapitalisme zelfs probeert de persoonlijkheid en de subjectiviteit van de arbeider in de waardeproductie in te schakelen. Het kapitaal verlangt een situatie waarin het gezag in het communicatieve proces en bij het subject zelf komt te liggen, en waarin de arbeider zelf de verantwoordelijkheid draagt om zich te controleren en te motiveren binnen het team, zonder de tussenkomst van een ploegbaas, wiens rol wordt geherdefinieerd tot die van facilitator. Eigenlijk maken werkgevers zich erg grote zorgen over het dubbele probleem dat deze situatie met zich meebrengt: zij worden gedwongen om de autonomie en de vrijheid van arbeid als de enige mogelijke vorm van samenwerking in het productieproces te erkennen, maar tegelijk moeten zij ervoor zorgen (en dit is voor een kapitalist van vitaal belang) dat de macht die met de nieuwe kwaliteit van arbeid en de organisatie ervan gepaard gaat niet wordt ‘herverdeeld’. Vandaag de dag houdt het managementdenken enkel rekening met de subjectiviteit van de arbeiders om die te kunnen vastleggen volgens de productievereisten. En opnieuw slaagt deze transformatiefase erin te verdoezelen dat de individuele en collectieve belangen van de arbeiders en het bedrijf in feite niet dezelfde zijn.

Ik heb arbeid die door de arbeidersklasse wordt uitgevoerd als een abstracte activiteit gedefinieerd, waarbij vandaag de inzet van subjectiviteit een rol speelt. Om misverstanden te vermijden zou ik hieraan echter willen toevoegen dat dit soort productieve activiteit niet beperkt blijft tot hoogopgeleide arbeiders – de term verwijst naar de huidige gebruikswaarde van arbeidskracht en, algemener beschouwd, naar het type activiteit van ieder subject dat in de postindustriële maatschappij productief is. Men zou kunnen stellen dat bij hoogopgeleide en gediplomeerde arbeiders het ‘communicatiemodel’ al voorhanden en gevestigd is, en dat het bij hen een duidelijke ontwikkelingscapaciteit heeft. Bij jonge en ‘precaire’ werkers en bij werkloze jongeren hebben we echter te maken met een puur virtueel vermogen dat nog steeds onbestemd is, maar dat wel al alle kenmerken van een postindustriële productieve subjectiviteit vertoont. Het virtuele karakter van dit vermogen is noch betekenisloos noch ahistorisch: het is een opening en een capaciteit waarvan de historische wortels en antecedenten in de ‘strijd tegen werk’ van de fordistische arbeiders moeten worden gezocht, en meer recentelijk in de socialiseringsprocessen, de vorming via het onderwijs en de culturele zelfvalorisatie.

Deze transformatie van arbeid wordt nog duidelijker zichtbaar als men de sociale productiecyclus onder de loep neemt, namelijk enerzijds de ‘diffuse fabriek’ en de decentralisatie van de productie en anderzijds de verschillende vormen van tertiarisering. Zo kan men immers nagaan in hoeverre de cyclus van immateriële arbeid in de globale organisatie van de productie een strategische rol heeft weten te verwerven. Net als alle tertiaire activiteiten worden ook de verschillende activiteiten die vallen onder onderzoek, conceptualisering, het beheer van human resources enzovoort, georganiseerd binnen gecomputeriseerde multimedianetwerken. Het is in deze termen dat wij de productiecyclus en de organisatie van arbeid moeten begrijpen. De integratie van wetenschappelijke arbeid in industriële en tertiaire arbeid is een van de belangrijkste bronnen van productiviteit geworden en wint binnen de productiecycli die deze productiviteit organiseren nog aan belang.

 

De klassieke definitie van immateriële arbeid

Alle kenmerken van de postindustriële economie (in de industrie, maar ook in de maatschappij in haar geheel) zijn in hoge mate aanwezig in de klassieke vormen van ‘immateriële’ productie: audiovisuele productie, reclame, mode, het maken van software, fotografie, culturele activiteiten enzovoort. De activiteiten van deze soort immateriële arbeid dwingen ons om de klassieke definities van werk en arbeidspotentieel in vraag te stellen, omdat daarin de resultaten van verschillende types vaardigheden worden verenigd: intellectuele vaardigheden voor de cultureel-informationele inhoud; manuele vaardigheden om creativiteit en verbeelding te kunnen combineren met technische arbeid en handenarbeid; en ondernemersvaardigheden voor het managen van sociale relaties en het structureren van de sociale samenwerking waar zij deel van uitmaken. Deze immateriële arbeid is thuis in ongemedieerde collectieve vormen, en we kunnen stellen dat zij enkel bestaat in de vorm van netwerken en stromen. Hoe de productiecyclus van immateriële arbeid wordt georganiseerd (want een productiecyclus is precies wat het is, als we tenminste onze door ‘fabrieksdenken’ ingegeven vooroordelen even opzijzetten) is niet in een oogopslag duidelijk, want de cyclus wordt niet gedefinieerd door de vier muren van een fabriek. Deze cyclus vindt buiten plaats, in de ruimere maatschappij, op een territoriaal niveau dat we ‘het reservoir van immateriële arbeid’ kunnen noemen. Kleine, soms bijzonder kleine ‘productieve units’ (die vaak uit slechts één persoon bestaan) worden georganiseerd voor specifieke ad-hocprojecten en zijn vaak geen langer leven beschoren dan de duur van die specifieke opdrachten. De productiecyclus treedt enkel in werking wanneer de kapitalist er behoefte aan heeft; zit het werk erop, dan gaat de cyclus weer op in de netwerken en stromen die de reproductie en verrijking van de productiecapaciteit ervan mogelijk maken. Onbestendigheid, hyperexploitatie, mobiliteit en hiërarchie zijn de meest voor de hand liggende kenmerken van immateriële arbeid in de grote steden. Wat men ‘zelfstandige’ arbeid noemt, wordt in feite uitgevoerd door een intellectueel proletariaat waarvan de eigenlijke aard echter alleen wordt herkend door de werkgevers die deze klasse uitbuiten. Het is belangrijk te vermelden dat wie dergelijk werk verricht het doorgaans steeds moeilijker krijgt vrije tijd van werk te onderscheiden. In zekere zin raakt het leven onlosmakelijk verbonden met het werk. Deze vorm van arbeid wordt ook gekenmerkt door een echte bestuurscomponent die bestaat uit (1) een zeker vermogen om de sociale relatie van die arbeidsvorm te beheren en (2) het kunnen aanknopen van sociale samenwerkingsverbanden binnen de structuren van het reservoir van immateriële arbeid.

De kwaliteit van deze soort arbeidskrachten moet dus niet alleen worden gedefinieerd door hun professionele capaciteiten (die de creatie van de cultureel-informationele inhoud van het geproduceerde mogelijk maken), maar ook door hun vermogen om hun eigen activiteiten te ‘managen’ en de immateriële arbeid van anderen te coördineren (het voortbrengen en het beheren van de cyclus). Deze immateriële arbeid lijkt een echte mutatie van ‘levende arbeid’ en dit alles staat behoorlijk veraf van het tayloristische organisatiemodel.

Immateriële arbeid bevindt zich op het kruispunt van een nieuwe relatie tussen productie en consumptie, of meer nog: het is er de interface van. De activering van productieve samenwerking en de sociale relatie met de consument komt tot stand in en door het communicatieproces. De rol van immateriële arbeid bestaat erin om de voortdurende innovatie van de vormen en voorwaarden van communicatie (en dus ook van werk en consumptie) te bevorderen. Zij geeft een concrete vorm aan behoeften, dromen, de smaak van de consument enzovoort – met als resultaat producten die op hun beurt machtige producenten van behoeften, beelden en smaken worden. Wat het product van immateriële arbeid zo speciaal maakt (en ik herinner eraan dat de essentiële gebruikswaarde ervan wordt bepaald door zijn waarde als informationele en culturele inhoud) is het feit dat consumptie het niet vernietigt: veeleer verruimt en transformeert, en creëert het zelfs de ‘ideologische’ en culturele omgeving van de consument. Wat dit product tot stand brengt, is niet de fysieke capaciteit van de arbeidskracht: veeleer verandert het de persoon die er gebruik van maakt. Immateriële arbeid brengt in de eerste plaats een ‘sociale relatie’ tot stand (een relatie van innovatie, productie en consumptie). Alleen als zij hierin slaagt, heeft haar activiteit economische waarde. Deze activiteit maakt onmiddellijk een fenomeen duidelijk dat bij materiële productie ‘verborgen’ bleef, namelijk dat arbeid niet enkel ‘goederen’ produceert, maar vóór alles de kapitaalverhouding.

 

De autonomie van de productieve synergieën van immateriële arbeid

Mijn werkhypothese luidt daarom dat het startpunt van de cyclus van immateriële arbeid een onafhankelijke sociale arbeidskracht is die bij machte is zowel haar eigen werk als haar relaties tot bedrijfsentiteiten te organiseren. De industrie vormt noch creëert deze nieuwe arbeidskracht, maar neemt haar gewoon aan boord en past ze aan waar nodig. Het feit dat de industrie controle over deze nieuwe arbeidskracht kan uitoefenen impliceert dat deze laatste onafhankelijk georganiseerd is en dat ‘vrije ondernemersactiviteit’ een van haar kenmerken is. Dit thema voert ons naar het debat over het wezen van werk in de postfordistische fase van de organisatie van arbeid. De onder economen gangbare opvatting over deze problematiek kan kernachtig worden samengevat: immateriële arbeid opereert binnen die organisatievormen die binnen de industriële centralisatie toelaatbaar zijn. Er zijn twee verschillende scholen die deze basis als uitgangspunt nemen: de ene ligt in het verlengde van de neoklassieke analyse, de andere bouwt voort op de systeemtheorie. De eerste school benadert het probleem via een herdefiniëring van de marktproblematiek. Zij suggereert dat men om de communicatiefenomenen en de nieuwe organisatorische dimensies te verklaren niet alleen samenwerking en de intensiteit van arbeid, maar ook andere analytische variabelen (antropologische? immateriële?) moet verdisconteren, en dat men op basis daarvan nog andere optimalisatiedoelstellingen ter tafel kan brengen. Het neoklassieke model heeft het trouwens behoorlijk moeilijk om zich van de door de algemene evenwichtstheorie opgelegde coherentiebeperkingen te bevrijden. De nieuwe fenomenologieën van arbeid, de nieuwe organisatorische dimensies, de communicatie, het potentiële vermogen van spontane synergieën, de autonomie van de betrokken subjecten en de onafhankelijkheid van de netwerken werden niet voorzien, noch waren ze te voorzien door een algemene theorie die ervan uitging dat materiële arbeid en een industriële economie essentieel waren.

Nu er nieuwe gegevens beschikbaar zijn, zien we dat de micro-economie tegen de macro-economie in opstand komt en dat het klassieke model aangetast wordt in het licht van de onherleidbare complexiteit van een nieuwe antropologische werkelijkheid.

Door de beperking van de markt uit te schakelen en organisatie op de eerste plaats te stellen, staat de systeemtheorie meer open voor de nieuwe fenomenologie van arbeid en vooral voor de opkomst van immateriële arbeid. De meer geavanceerde systeemtheorieën beschouwen organisatie als een samenspel van factoren, zowel materiële als immateriële en zowel individuele als collectieve, die het voor een bepaalde groep mogelijk maken om bepaalde doelstellingen te behalen. Het succes van dit organisatorische proces hangt onder meer af van instrumenten voor het opstellen van regels, zij het voluntaire, zij het automatische. Zo wordt het mogelijk om de zaken vanuit het perspectief van sociale synergieën te bekijken en kan immateriële arbeid worden geaccepteerd op grond van haar globale doeltreffendheid. Deze gezichtspunten gaan echter nog steeds uit van een beeld van de organisatie van werk en zijn sociale domein waarin vanuit economisch oogpunt de effectieve activiteit (m.a.w. de activiteit conform de doelstelling) onvermijdelijk als een surplus met betrekking tot collectieve cognitieve mechanismen wordt beschouwd. De sociologie en de economische studie van arbeid zijn als systemische disciplines beide niet in staat om van dit gezichtspunt af te wijken.

Ik ben ervan overtuigd dat wij via een analyse van immateriële arbeid en een precieze beschrijving van haar organisatie de vooronderstellingen van de theorieën over bedrijfsvoering van zowel de neoklassieke als de systeemtheoretische school zullen kunnen overstijgen en dat wij op een territoriaal niveau een ruimte voor een radicale autonomie van de productieve synergieën van immateriële arbeid zullen kunnen definiëren, waardoor wij tegen de oude opvattingen zullen kunnen ingaan, om aldus zelfverzekerd het denkspoor van een ‘antroposociologie’ uit te werken, die richtinggevend zal zijn.

Op het moment dat dit binnen de sociale productie het dominante standpunt is geworden, zal blijken dat de continuïteit van de productiemodellen is doorbroken. Daarmee bedoel ik dat ik, in tegenstelling tot veel postfordistische theoretici, niet geloof dat deze nieuwe arbeidskracht enkel in dienst staat van een nieuwe historische fase van het kapitalisme en zijn accumulatie- en reproductieprocessen. Zij is veelmeer het product van een ‘stille revolutie’ die plaatsvindt in de antropologische realiteiten van werk en in de herconfiguratie van zijn betekenissen. Loonarbeid en directe onderwerping (aan organisatie) zijn niet langer de belangrijkste vorm van de contractuele relatie tussen kapitalist en werker. Een polymorf, zelfstandig type van werk heeft die dominante positie ingenomen, werk dat wordt uitgevoerd door een soort ‘intellectuele werker’ die zelf een ondernemer is, in een markt die constant beweegt, en in netwerken die mettertijd (onder meer wat hun locatie betreft) kunnen veranderen.

 

De cyclus van immateriële productie

Tot dusver heb ik het concept immateriële arbeid geanalyseerd en geconstrueerd vanuit een bij wijze van spreken ‘micro-economische’ optiek. Beschouwen we echter immateriële arbeid binnen de productiecyclus in zijn geheel, de cyclus waarvan zij het strategische stadium is, dan wordt een reeks kenmerken van het posttayloristische productieproces zichtbaar waarmee wij totnogtoe geen rekening hebben gehouden.

Ik wil voornamelijk tonen hoe het valorisatieproces vaak wordt vereenzelvigd met het productieproces van sociale communicatie en hoe de twee stadia (valorisatie en communicatie) een directe sociale en territoriale dimensie hebben. Het concept immateriële arbeid gaat uit van en resulteert in een uitbreiding van productieve samenwerking die zelfs de productie en reproductie van communicatie inhoudt, en op die manier ook van de belangrijkste inhoud van deze communicatie, namelijk subjectiviteit.

Integreerde het fordisme consumptie in de cyclus van kapitaalreproductie, het postfordisme integreert communicatie. Vanuit een strikt economisch perspectief ontregelt de cyclus van de reproductie van immateriële arbeid de relatie tussen productie en consumptie, omdat hij in dezelfde mate door ‘de heilzame cirkel van Keynes’ als door de marxistische reproductieschema’s uit het tweede deel van Het kapitaal wordt gedefinieerd. Eerder dan te spreken van een omwenteling in het systeem van ‘vraag en aanbod’, moeten we het hebben over een herdefiniëring van de verhouding tussen productie en consumptie. Zoals we eerder al aangaven is de consument in de fabricage van het product al van bij de ontwerpfase meegedacht. De rol van de consument is niet langer beperkt tot het consumeren (en zo het vernietigen) van goederen, wel integendeel: zijn of haar consumptie moet productief zijn, in overeenstemming met de noodzakelijke voorwaarden en de nieuwe producten. Consumptie betekent dan in de eerste plaats het consumeren van informatie, en is niet langer enkel het ‘realiseren’ van een product, maar een echt, zelfstandig sociaal proces dat momenteel communicatie wordt genoemd.

 

De grootschalige industrie en de dienstensector

Om de nieuwe kenmerken van de productiecyclus van immateriële arbeid goed te kunnen onderscheiden, moeten we hem vergelijken met de productieprocessen van de grootschalige industrie en de dienstensector. Als het geheim van de posttayloristische productie (namelijk dat sociale communicatie en de sociale relatie die eraan ten grondslag ligt productief worden) rechtstreeks af te leiden is uit de cyclus van immateriële productie, dan is het interessant om te onderzoeken hoe deze nieuwe sociale relaties ook de industrie en de dienstensector stimuleren, en hoe zij ons zelfs dwingen om de klassieke vormen van ‘productie’ te herformuleren en te reorganiseren.

 

De grootschalige industrie

De postindustriële onderneming en economie zijn gebaseerd op het manipuleren van informatie. Eerder dan (zoals 19de-eeuwse ondernemingen) de interne mechanismen van het productieproces te bewaken en de grondstoffenmarkten (inclusief die van arbeid) te superviseren, focust het huidige bedrijfsleven op het domein buiten het productieproces, namelijk op de verkoop en de relatie met de consument. De klemtoon ligt altijd meer op vercommercialisering en financiering dan op productie. Voordat een product wordt gefabriceerd moet het worden verkocht, zelfs in ‘zware’ industrieën zoals de automobielsector: een auto wordt pas in productie genomen als het salesnetwerk groen licht geeft. Deze strategie is gebaseerd op de productie en consumptie van informatie, en mobiliseert belangrijke communicatie- en marketingstrategieën om informatie te verzamelen (het opsporen van markttendensen) en te verspreiden (het creëren van een markt). In de tayloristische en fordistische productiesystemen kon Ford, door de introductie van massaconsumptie van gestandaardiseerde producten, nog altijd zeggen dat de consument de keuze had tussen de ene zwarte T5 en een andere zwarte T5, maar ‘vandaag de dag is het standaardproduct niet langer een garantie op succes, en de automobielsector, die vroeger de grootste verdediger van het aanbieden van goedkope modellenreeksen was, werpt zich nu op als een lichtend voorbeeld van een neo-industrie gericht op individualisering’ – en op kwaliteit. [1] Voor het leeuwendeel van de bedrijven betekent overleven een constante zoektocht naar nieuwe commerciële mogelijkheden, die leiden naar het identificeren van steeds meer uiteenlopende productlijnen. Innovatie is niet langer onderworpen aan de rationalisering van arbeid, maar ook aan commerciële imperatieven. Daaruit kunnen we opmaken dat het postindustriële product het resultaat is van een creatief proces waarin zowel producent als de consument betrokken zijn.

 

De dienstensector

In de ‘dienstensector’ (grote bancaire diensten, verzekeringen…) tekenen de karakteristieken van het hierboven beschreven proces zich nog duidelijker af dan in de industrie in de strikte zin van het woord. Vandaag zijn wij getuige van een ontwikkeling van de ‘relaties’ binnen de dienstensector, eerder dan van een groei van die sector. De evolutie weg van het tayloristische model voor de organisatie van diensten wordt gekenmerkt door de integratie van de verhouding tussen productie en consumptie, waarbij de consument in feite actief tussenkomt in de samenstelling van een product. De ‘dienst’ als product wordt een sociale constructie en een sociaal proces van ‘ontwerp’ en innovatie. In de dienstensector is er een afname van het aantal ‘backoffice’-taken (de klassieke dienstverlening) ten gunste van het aantal ‘frontoffice’-taken (de relaties met de klant). Er heeft dus een verschuiving plaatsgevonden van human resources naar de voor de buitenstaander meer zichtbare kant van het zakendoen. Uit recente sociologische analyses blijkt dat hoe meer een product dat door de dienstensector wordt verhandeld de kenmerken van een immaterieel product heeft, hoe verder het afstaat van het model van de industriële organisatie van de relatie tussen productie en consumptie. De verandering in deze relatie heeft een directe impact op de organisatie van de tayloristische arbeid die de diensten produceert, aangezien zij zowel de inhoud van die arbeid als de arbeidsverdeling in vraag stelt (en daarmee verliest ook de relatie tussen ontwerp en uitvoering haar unilaterale karakter). Als het product door de interventie van de klant wordt gedefinieerd en dus permanent evolueert, wordt het steeds moeilijker om de productienormen van diensten te definiëren en een ‘objectieve’ maatstaf van productiviteit te bepalen.

 

Immateriële arbeid

Al deze kenmerken van de postindustriële economie (die men zowel in de grootschalige industrie als in de tertiaire sector aantreft) worden verder toegespitst in zuiver ‘immateriële’ productievormen. Audiovisuele productie, reclame, mode, software, territoriumbeheer enzovoort, worden alle gekenmerkt door een specifieke relatie tussen productie en de markt of de consumenten. Dit staat het verst af van het tayloristische model. Immateriële arbeid creëert en verandert voortdurend de vormen en voorwaarden van de communicatie, die op haar beurt als interface fungeert die de relatie tussen productie en consumptie vormgeeft. Zoals ik eerder al opmerkte, produceert immateriële arbeid in de eerste plaats een sociale relatie – wat zij produceert zijn niet enkel goederen, maar ook de kapitaalverhouding.

Als productie vandaag meteen ook de productie van een sociale relatie inhoudt, dan is subjectiviteit de ‘grondstof’ van immateriële arbeid, net als de ‘ideologische’ omgeving waarin deze subjectiviteit thuis is en zich reproduceert. De productie van subjectiviteit houdt op louter een instrument van sociale controle te zijn (voor de reproductie van mercantiele relaties) en wordt op een directe manier productief, omdat onze postindustriële maatschappij als doel heeft de consument/communicator te construeren, en wel als een ‘actieve’ instantie. Immateriële werkers (zij die in de reclamesector werkzaam zijn, in de modewereld, in marketing, televisie, cybernetica enzovoort) komen tegemoet aan een behoefte van de consument, een behoefte die zij echter tegelijk ook zelf creëren. Het feit dat immateriële arbeid subjectiviteit en economische waarde produceert, toont terzelfder tijd aan hoe kapitalistische productie ons leven is binnengedrongen en alle tegenstellingen tussen economie, macht en kennis heeft opgeheven. Het proces van sociale communicatie (en de belangrijkste inhoud ervan, namelijk de productie van subjectiviteit) wordt hier rechtstreeks productief, omdat het op een bepaalde manier productie ‘produceert’. Het proces waardoor het ‘sociale’ (alsook hetgeen nog socialer is, namelijk taal, communicatie enzovoort) ‘economisch’ wordt, is nog niet voldoende bestudeerd. In feite zijn we langs de ene kant vertrouwd met een analyse van de productie van subjectiviteit die wordt gedefinieerd als het constitutieve ‘proces’ dat specifiek is voor een ‘relatie tot het ik met betrekking tot de productievormen eigen aan kennis en macht’ (zoals een bepaalde strekking binnen de poststructuralistische Franse filosofie het omschrijft), maar het raakvlak tussen deze analyse en de vormen van kapitalistische valorisatie is eerder klein. Aan de andere kant heeft een netwerk van economen en sociologen (en voor hen reeds de Italiaanse postoperaïstische traditie) een uitgebreide analyse gemaakt van de ‘sociale vormen van productie’, maar die analyse integreert te weinig de productie van subjectiviteit als de inhoud van valorisatie. De posttayloristische productiewijze wordt echter precies gekenmerkt door het feit dat zij subjectiviteit inzet, zowel bij het activeren van productieve samenwerkingsverbanden als bij de productie van de ‘culturele’ inhoud van het geproduceerde goed.

 

Het esthetische model

Maar hoe krijgt het productieproces van sociale communicatie vorm? Hoe wordt in dit proces subjectiviteit geproduceerd? Hoe wordt de productie van subjectiviteit de productie van de consument/communicator en diens vermogen om te consumeren en te communiceren? En welke rol speelt immateriële arbeid in dit proces? Zoals eerder gezegd is mijn hypothese de volgende: Het proces van de productie van communicatie wordt nagenoeg één met het valorisatieproces. Werd in het verleden communicatie fundamenteel georganiseerd door de taal en de instellingen voor ideologische en literaire/artistieke productie, dan wordt communicatie vandaag de dag, omdat zij in direct verband staat met de industriële productie, gereproduceerd via specifieke technologische schemata (reproductietechnologieën voor kennis, ideeën, beeld, geluid en taal) en via vormen van organisatie en ‘management’ die een nieuwe productiewijze ondersteunen.

Als je wil proberen te begrijpen hoe sociale communicatie tot stand komt en hoe zij onder een ‘economische’ noemer wordt gebracht, is het nuttiger om een ‘esthetisch’ model te gebruiken waarin de auteur, reproductie en receptie een rol spelen, dan om terug te grijpen naar het ‘materiële’ productiemodel. Het ‘esthetische’ model maakt enkele aspecten zichtbaar die binnen de traditionele economische categorieën vaak verborgen blijven, maar die, zo zal ik aantonen, de specifieke kenmerken van de posttayloristische productiemiddelen uitmaken. [2] Dit ‘esthetische/ideologische’ productiemodel zal vervolgens omgevormd worden tot een kleinschalig sociologisch model, met alle beperkingen en moeilijkheden die met een dergelijke sociologische transformatie gepaard gaan. Het model van auteur, reproductie en receptie heeft een tweevoudige transformatie nodig: ten eerste moeten de drie stadia van dit creatieproces rechtstreeks door hun sociale vorm worden gekarakteriseerd, en ten tweede moet elk van deze drie stadia worden geduid als de uitdrukking van een reële productiecyclus. [3]

De ‘auteur’ moet van zijn individuele dimensie worden ontdaan en in een industrieel georganiseerd productieproces worden omgezet (met arbeidsverdeling, investeringen, bestellingen enzovoort), ‘reproductie’ wordt een massareproductie georganiseerd volgens de wetten van de rentabiliteit, en het publiek (de ‘receptie’) valt dan min of meer samen met de consument/communicator. In dit proces van socialisatie en onderschikking binnen de economie van intellectuele activiteit krijgt het ‘ideologische product’ doorgaans alle kenmerken van een verhandelbaar product. Ik wil echter benadrukken dat de onderschikking van dit proces aan de kapitalistische logica en de commodificatie van de producten ervan geen afbreuk doet aan het specifieke karakter van de esthetische productie, namelijk de creatieve relatie tussen auteur en publiek.

 

De kenmerken van de immateriële arbeidscyclus

Laat mij kort de specifieke verschillen van de ‘stadia’ waaruit de productiecyclus van immateriële arbeid bestaat (de immateriële arbeid zelf, haar ‘ideologische/gecommodificeerde producten’ en het ‘publiek’/de ‘consument’) uitwerken ten opzichte van de klassieke vormen van ‘kapitaalreproductie’.

Wat het aspect ‘auteur’ van immateriële arbeid betreft is het nodig om de radicale autonomie van de productieve synergieën ervan te benadrukken. Zoals we hebben gezien dwingt immateriële arbeid ons om de klassieke definities van werk en arbeidspotentieel in vraag te stellen, omdat zij het resultaat is van verschillende types knowhow: intellectuele vaardigheden, manuele vaardigheden en ondernemersvaardigheden. Immateriële arbeid is thuis in van nature collectieve vormen die bestaan uit netwerken en stromen. De onderschikking van deze vorm van samenwerking en de ‘gebruikswaarde’ van deze vaardigheden aan de kapitalistische logica doet niet af aan de fundamenten en de betekenis van immateriële arbeid, wel integendeel: zij legt antagonismen en tegenstellingen bloot die, om opnieuw naar een marxistische formulering terug te grijpen, toch minstens om een nieuw soort uiteenzetting vragen.

Het ‘ideologische product’ wordt in alle opzichten gecommodificeerd. De term ideologisch kenmerkt het product niet als een ‘weergave’ van de realiteit, als een vals of werkelijk bewustzijn van de realiteit: het is eerder zo dat ideologische producten nieuwe stratificaties van de realiteit produceren; zij bevinden zich op het kruispunt waar menselijke kracht, kennis en actie samenkomen. Nieuwe modi van zien en weten vereisen nieuwe technologieën, en nieuwe technologieën vereisen nieuwe vormen van zien en weten. Deze ideologische producten zijn volledig in de formatieprocessen van sociale communicatie geïnternaliseerd, waarmee ik bedoel dat zij tegelijk het resultaat en de voorwaarden van deze processen zijn. Het geheel van ideologische producten creëert de menselijke ideologische omgeving. Ideologische producten worden weliswaar gecommodificeerd, maar verliezen in dat transformatieproces nooit hun specificiteit: zij zijn altijd gericht tot iemand, ze zijn ‘ideologisch significant’, waardoor zich ook hier het probleem van ‘betekenis’ stelt.

Het model voor de consument (het publiek/de klant) is vandaag vaak het grote publiek. Het publiek (in de zin van ‘de gebruikers’: lezers, luisteraars, kijkers) tot wie de auteur zich richt heeft een tweevoudige productieve functie. Ten eerste is het publiek als de geïntendeerde ontvanger van het ideologische product een constitutief element van het productieproces. Ten tweede is het publiek productief via de receptie, die het product een ‘plaats in het leven’ geeft (de receptie integreert het product m.a.w. in de sociale communicatie) en het toelaat te leven en te evolueren. Zo beschouwd is receptie dus een creatieve handeling en een integratief onderdeel van het product. Dit tweeledige proces van ‘creativiteit’ wordt door de commodificatie van het product niet tenietgedaan; de transformatie moet dit proces opnemen zoals het is en het proberen te controleren en ondergeschikt maken aan haar eigen waardesysteem.

Wat de commodificatie van een product dus niet kan uitwissen is het eventkarakter, het open creatieproces dat plaatsvindt tussen immateriële arbeid en het publiek en dat georganiseerd wordt door communicatie. Als de innovatie in immateriële productie wordt geïntroduceerd door dit open creatieproces, dan is de ondernemer, tenminste als hij de consumptie steeds opnieuw, in een oneindige beweging, wil stimuleren, gebonden aan de ‘waarden’ die worden geproduceerd door het publiek/de consument. Deze waarden vooronderstellen bepaalde levenswijzen, bestaanswijzen en levensvormen, die hen ondersteunen. Hieruit kunnen we twee belangrijke gevolgen afleiden. Het eerste gevolg is dat de waarden ‘aan het werk’ worden gezet. De commodificatie van het ideologische product verstoort of wijzigt de sociale voorstellingswereld die in de levensvormen wordt geproduceerd, maar tegelijk staat commodificatie machteloos tegenover haar eigen productie. Het tweede gevolg is dat het nu de levensvormen (in hun collectieve en samenwerkingsvormen) zijn, die de bron van innovatie worden.

Deze analyse van de verschillende ‘stadia’ van de cyclus van immateriële arbeid noopt mij tot de stelling dat het de sociale relatie in haar geheel is (hier gerepresenteerd door de relatie auteur-werk-publiek) die ‘productief’ is, en wel volgens modaliteiten die op een directe manier ‘betekenis’ in deze relatie betrekken. Het specifieke van dit type productie laat niet enkel zijn sporen na in de ‘vorm’ van het productieproces, namelijk door het creëren van een nieuwe relatie tussen productie en consumptie, maar het stelt de kapitalistische toe-eigening van dit proces voor een legitimiteitsprobleem. Deze samenwerking kan in geen geval vooraf worden bepaald door de economie, aangezien zij te maken heeft met het maatschappelijke leven zelf. Pas achteraf kan ‘de economie’ zich de vormen en producten van deze samenwerking toe-eigenen, door hen te normaliseren en te standaardiseren. De creatieve en innovatieve elementen zijn nauw verbonden met de waarden die alleen door de levensvormen worden geproduceerd. In postindustriële maatschappijen moet men creativiteit en productiviteit enerzijds zoeken in de dialectiek tussen de levensvormen en de waarden die zij produceren, en anderzijds in de activiteiten van de subjecten waarop deze vormen steunen. Voor de legitimering die de (schumpeteriaanse) ondernemer in zijn of haar vermogen tot innovatie vond, ontbreekt vandaag de dag elk fundament. Omdat het niet de kapitalistische ondernemer is die de vormen en inhouden van immateriële arbeid produceert, produceert hij of zij geen innovatie meer. ‘De economie’ kan enkel nog de activiteit van immateriële arbeid beheren en reguleren, en enkele instrumenten creëren voor de controle en de creatie van het publiek/de consument via het uitoefenen van controle over communicatie- en informatietechnologieën en hun organisatorische processen.

 

Creatie en intellectuele arbeid

Deze korte beschouwingen laten ons toe om het creatie- en verspreidingsmodel eigen aan intellectuele arbeid in vraag te stellen en de idee dat ‘creativiteit’ een uitdrukking van ‘individualiteit’ of het exclusieve eigendom van de ‘hogere’ klassen zou zijn achter ons te laten. De werken van Simmel en Bachtin, geschreven in een tijd toen immateriële arbeid nog maar pas ‘productief’ was geworden, bieden ons twee totaal verschillende manieren om de relatie tussen immateriële arbeid en de maatschappij te interpreteren. Bij Simmel blijft die relatie volledig gebaseerd op het onderscheid tussen manuele en intellectuele arbeid, en krijgen we een theorie over de creativiteit van intellectuele arbeid. Bachtin weigert dit kapitalistische onderscheid als een vaststaand feit te beschouwen en werkt een theorie uit van sociale creativiteit. Simmel legt in feite de functie van ‘mode’ uit via het fenomeen van imitatie of onderscheiding, zoals die worden gereguleerd en bepaald door relaties binnen en tussen de verschillende klassen. Volgens deze theorie zijn het de hogere niveaus van de middenklassen die mode creëren, en zijn het de lagere klassen die hen proberen te imiteren. Mode fungeert hier als een barricade die voortdurend moet worden opgeworpen omdat zij voordurend wordt neergehaald. Interessant voor onze discussie is dat de immateriële arbeid van creatie volgens deze visie beperkt blijft tot een specifieke sociale groep en niet wordt verspreid, behalve dan via imitatie. Op een dieper niveau accepteert dit model dus de op de tegenstelling tussen manuele en intellectuele arbeid gebaseerde arbeidsverdeling, die als doel heeft het sociale proces van creatie en innovatie te regelen en te ‘mystificeren’. Op het moment dat massaconsumptie nog maar pas was ontstaan (een evolutie waarvan Simmel de effecten op een uiterst intelligente manier heeft ingeschat) correspondeerde dit model misschien nog tot op zekere hoogte met de marktdynamiek van immateriële arbeid, maar in een postindustriële maatschappij kan het de relatie tussen immateriële arbeid en het publiek/de consument niet langer verklaren. Bachtin echter definieert immateriële arbeid als het uitwissen van het onderscheid tussen ‘materiële en immateriële arbeid’ en toont hoe creativiteit een sociaal proces is. Bachtins werk over ‘esthetische productie’ heeft, net als dat van de leden van de ‘Bachtin-kring’ tijdens zijn jaren in Leningrad, diezelfde sociale focus.

Dit is het soort onderzoek dat volgens mij de juiste richting aangeeft om tot een goede theorie van de sociale cyclus van immateriële productie te komen.

Vertaling uit het Engels: Iannis Goerlandt

 

Noten

1 Yves Clot, Renouveau de l’industrialisme et activité philosophique, in: Futur antérieur vol. 10 (1992), nr. 2, pp. 20-29.

2 Zowel de creatieve als de sociale elementen van deze productie sterken me in mijn voornemen om het ‘esthetische model’ te gebruiken. Het is interessant om te zien langs welke weg men tot dit nieuwe concept van arbeid zou kunnen komen, ofwel vertrekkend van de artistieke activiteit (in navolging van de situationisten) ofwel van de traditionele fabrieksactiviteit (in navolging van de Italiaanse operaïsten). Beide opvattingen gaan uit van het erg marxistische concept ‘levende arbeid’.

3 Reeds Walter Benjamin analyseerde hoe sinds het einde van de 19de eeuw de artistieke productie en reproductie, net zoals hun perceptie, collectieve vormen hebben aangenomen. Ik kan hier helaas niet ingaan op zijn werken, maar zij zijn in ieder geval van fundamenteel belang voor al wie een genealogie van immateriële arbeid en haar reproductievormen wil uitwerken.