Kobe Matthys

DE WITTE RAAF

Editie 143 januari-februari 2010

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Ding 001151

(Bruin en Goud: Portret van Lady Eden)

In 1893 wenste William Eden een portret van zijn vrouw Sibyl Eden van de hand van de schilder James Whistler. Hij schreef naar de vertegenwoordiger van de firma Goupil in Londen om te informeren wat Whistler zou vragen voor een klein portret, een hoofd van Lady Eden. Hij kreeg als antwoord dat het zo’n 525 pond zou kosten. Daarop schreef hij Goupil een tweede brief:

‘Aix-les-Bains, 5 juni 1893,

Geachte, Dankuwel voor uw brief in verband met de prijs van Mr Whistler voor een portret van Lady Eden. Ik erken en waardeer de verdiensten van Mr Whistler ten zeerste, maar ik had gehoopt dat de prijs voor een hoofd veel lager zou zijn dan 525 pond. Voor die prijs kan het voor mij onmogelijk, vooral gezien mijn reeds aanzienlijke uitgaven aan Mr Swan. Als u zo vriendelijk zou willen zijn me het adres van Mr Whistler in Parijs te sturen, dan zal ik op doorreis proberen bij hem langs te gaan. Hoogachtend, William Eden’ [1]

Vervolgens betrok William Eden er een gemeenschappelijke vriend bij, de kunstcriticus George Moore. Hij vroeg de criticus om contact op te nemen met Whistler. Moore schreef een briefje:

‘Het is enerzijds voor een vriend van me en anderzijds gaat het om een heel lieftallige en heel elegante vrouw, wier portret je met genoegen zal schilderen. Onder die omstandigheden denk ik dat je heel royale toegevingen zou kunnen doen.’ [2]

William Eden werd aan James Whistler voorgesteld. Ze ontmoetten elkaar en bespraken het portret.

Op 6 januari 1894 schreef Whistler als antwoord een briefje naar Sir William met de vraag om een definitieve prijsofferte:

‘6 januari 1894,

Geachte Sir William Eden,

Uw brief is me nog maar net overhandigd, maar misschien ontvangt u dit antwoord nog deze namiddag. Wat het kleine formaat betreft is alles duidelijk, en ik denk dat er geen probleem kan zijn in verband met de prijs. Het enige echt interessante punt is dat ik het charmante werkje moet kunnen maken. Het is zoals Calino zei: als ik ergens aan begin, hoe onbeduidend ook, is elk werk voor mij even belangrijk of zelfs belangrijker dan om het even welk ander werk. Wat het bedrag betreft, ik geloof dat Moore sprak van honderd à honderdvijftig pond.’ [3]

Tussen januari en februari 1894 schilderde Whistler het portret waarvoor Sibyl Eden poseerde.

Op 14 februari 1894, Valentijnsdag, bracht Eden een bezoek aan het atelier van Whistler om het schilderij te zien. Tijdens dit bezoek gaf Eden aan Whistler een enveloppe. De enveloppe bevatte een cheque van 2625 Franse franken (£105) en een briefje:

‘4, rue de Presbourg, Parijs, 14 februari 1894,

Geachte heer Whistler,

Bij deze uw valentijnscheque ter waarde van honderd gienjes. Het schilderij zal voor mij altijd van onschatbare waarde zijn en zal als erfstuk doorgegeven worden zolang erfstukken meegaan! Ik zal altijd met genoegen kijken naar de manier waarop het geschilderd is en verblijf, met dank,

Hoogachtend, William Eden’ [4]

Diezelfde dag antwoordde Whistler:

‘110, rue de Bac, Parijs, 14 februari,

Beste Sir William,

Ik heb uw valentijnsgeschenk. U bent echt groots! – en u heeft op alle punten gescoord. Ik kan alleen maar hopen dat het schilderijtje ons allen ook maar enigszins waardig zal zijn en ik vertrouw op de beminnelijke belofte van Lady Eden om me toe te staan de laatste aanpassingen toe te voegen waar we het over gehad hebben. Ze is harerzijds de hele tijd zo dapper en aardig geweest. Nogmaals beste wensen en een behouden reis,

Zeer hoogachtend, J. McNeill Whistler’. [5]

De volgende dag, op 15 februari 1894, ging Eden terug naar de studio van Whistler en er ontstond onenigheid tussen de twee mannen. Eden: ‘Ik heb van u een brief ontvangen die ik niet begrijp, een heel onbeleefde brief – wat bedoelt u met ‘Ik heb uw valentijnsgeschenk ontvangen’?’ Whistler: ‘U stuurt me uw valentijnsgeschenk; ik bevestig beleefd de ontvangst.’ Eden: ‘Ik beschouw uw brief als een belediging.’ [6]

Op 15 februari 1894 vertrok Eden voor een lange reis naar Indië.

Op 30 maart 1894 schreef Sibyl Eden naar Whistler:

‘GEACHTE HEER WHISTLER,

Wanneer zal ik langskomen voor de laatste poseersessie? Na maandag is voor mij elke dag geschikt. U merkt dat mijn adres gewijzigd is.’ [7]

In hetzelfde jaar 1894 stelde Whistler het schilderij samen met enkele andere werken tentoon in het Salon Champ de Mars. Het portret stond in de catalogus vermeld als Nr. 1187 – Bruin en Goud: Portret van Lady E. Na de tentoonstelling verhuisde het schilderij terug naar het atelier van Whistler. [8]

Op 10 oktober 1984, na zijn terugkomst uit Indië, stuurde William Eden een brief naar Whistler met de vraag om hem het schilderij te sturen. Maar Eden kreeg geen antwoord. [9]

Op 8 november 1894 stuurde William Eden een aanmaning naar Whistler:

‘Om aan de eiser, binnen de vierentwintig uur, het portret te leveren van zijn vrouw, Lady Eden, dat door hem was besteld en betaald tegen een prijs van £105, of in Franse valuta 2625 Franse franken, zoals bewezen kan worden; en de eiser verklaart dat hij, bij verzuim van zulke onmiddellijke levering, de nodige gerechtelijke stappen zal ondernemen.’ [10]

De volgende dag, op 9 november 1894, stuurde Whistler de cheque van £105 terug naar William Eden. [11]

Op 20 november 1894 werd Whistler gedagvaard voor de hoorzitting van de zaak Eden vs. Whistler van de Zesde Burgerlijke Rechtbank van de Seine in Parijs. Eden eiste de levering van het schilderij en bovendien een schadevergoeding met interest ten bedrage van 1000 Franse franken of £40. De advocaat van Whistler, Beurdeley, argumenteerde:

‘Aangezien de heer Whistler zich, na het teruggeven van de 100 gienjes, vrij acht van enige verplichting tegenover Sir William Eden, rekening houdend met het gedrag van deze laatste en met de omstandigheden in het algemeen; heeft de heer Whistler bijgevolg het gelaat van Lady Eden weggeschilderd en enkel de algehele compositie bewaard, waarin hij van plan is een ander hoofd aan te brengen.’ [12]

Op 26 februari 1895 zei Edens advocaat Bureau in zijn pleidooi:

‘In het licht van dit buitengewone feit (de wijziging van het schilderij) ziet de aanklager zich genoodzaakt zijn pleidooi te herzien en schadevergoeding met interest te eisen.’ [13]

Hij eiste de betaling van 10.000 Franse franken [of] £400; op de teruggave van het schilderij werd niet langer aangedrongen.

Op 27 februari 1895 herriep Eden wat hij eerder had verklaard en vroeg, als het portret van Lady Eden door Whistler verminkt was, de levering te verordenen van het schilderij in zijn feitelijke toestand op straffe van een boete van 100 Franse franken of £4 per dag en verder een som van 10.000 Franse franken of £400 schadevergoeding. [14]

Dezelfde dag nog paste de advocaat van Whistler zijn pleidooi aan:

‘Dat Whistler het hele portret herschilderd heeft, dat hij enkel de compositie en algehele harmonie heeft bewaard en het portret van Lady Eden heeft vervangen door dat van een ander model; dat het door een fout bij het overschrijven van Whistlers instructies aan zijn advocaten was dat er beweerd werd dat het hoofd van Lady Eden het enige deel van het schilderij was dat uitgewist was.’ [15]

Op 6 maart 1895 paste Eden zijn betoog aan en eiste:

‘[…] als de Rechtbank in overweging neemt dat de vervanging van een ander gelaat het recht van de aanklager op het bezit van het schilderij tenietdoet, zou ze billijke redenen hebben om de vernietiging van het doek te verordenen en een vonnis te vellen ten voordele van de aanklager met betrekking tot de terugbetaling van de prijs en vergoeding van de schade […]’ [16]

Op 20 maart 1895, tijdens de zaak Eden vs. Whistler, rondde Rechter Lénard het gerechtelijk onderzoek af in de Zesde Burgerlijke Rechtbank van de Seine:

‘Whistler [wordt] ertoe veroordeeld, ten eerste, het portret terug te geven; ten tweede, het bedrag van 2625 Franse franken terug te betalen, met een interest van 5 percent, te rekenen vanaf de dag waarop het portret hem door Eden werd betaald. […] Aangezien Sir William Eden niet gekregen heeft wat hij verondersteld werd te krijgen – namelijk het portret van zijn vrouw – zullen we hem schadevergoeding geven; aangezien hij niet het portret kan krijgen, dat niet langer dat van zijn vrouw is. […] Ten derde hebben we Whistler daarom veroordeeld tot de betaling aan Eden van 1000 Franse franken schadevergoeding en interest.’ [17]

Enkele dagen later schreef een Engelse advocaat naar de Pall Mall Gazette om de uitspraak van de Zesde Rechtbank te prijzen, met als argument dat kunstenaars geen recht hebben op speciale privileges in contractuele kwesties; dat ze, net als alle andere burgers, gebonden zijn aan de verbintenissen die ze zijn aangegaan; dat de kunstenaar en de schoenmaker onder vergelijkbare omstandigheden werken en even verantwoordelijk zijn voor de gepaste levering van hun waar, of het nu om schoenen of schilderijen gaat.

Whistler antwoordde in een brief aan de Pall Mall Gazette:

‘GEACHTE, ik heb geen bezwaar tegen de theorie van Q.C. dat de wet dezelfde moet zijn voor schilders en voor schoenmakers. Hij heeft wellicht groot gelijk, maar hij gaat niet ver genoeg en slaat de bal mis!

Als via het gevlei van een vriend een paar onbeduidende pantoffels worden besteld, met dien verstande dat ze tussen een halve soeverein en vijftien shilling [0,5 tot 0,75 pond] zullen kosten, is het uitsluitend de zaak van de schoenmaker, wanneer hij – in al zijn dwaasheid en onder het goedkeurend oog van de erkentelijke klant – van de onbenullige slippers uiteindelijk een paar tiptop afgewerkte laarzen maakt, om te bepalen of ze nu een halve soeverein of vijftien shilling of – afhankelijk van zijn opvatting over hun schoonheid – een bedrag daartussen waard zijn.

En als, vooraleer zijn natuurlijke zachtaardigheid hem de kans heeft gegeven zijn factuur te maken, de uiterst slimme klant hem het gras voor de voeten wegmaait en, in de sluwe vorm van een hartelijk ‘valentijnsgeschenk’, het lagere bedrag aan hem opdringt, in de hoop de situatie zo netelig te maken dat hij niet anders kan dan ze te accepteren, heeft hij als nobele schoenmaker het volste recht om verontwaardigd te zijn en zijn zielige klant de laan uit te sturen!

Maar als de schalkse en geestdriftige schoenmaker de truc doorziet en de ondankbare oplichter publiekelijk wenst te ontmaskeren, dan aanvaardt hij het ‘valentijnsgeschenk’, zij het slechts tijdelijk, en wanneer vervolgens de laarzen via sheriff en advocaat worden opgeëist, weigert hij de laarzen af te geven en wijst hij de halve soeverein de deur met de doeltreffende woorden: ‘Daag me dan voor de rechter! Kom ze openlijk opeisen voor de rechtbank. Kom het mooie verhaal maar eens aan iedereen vertellen opdat de hele wereld het zou horen en mijn collega’s schoenmakers gewaarschuwd zouden zijn, en opdat u zich in het vervolg blootsvoets en eeltig in hun kringen zou bewegen. In plaats van u te schoeien scheur ik nog liever het bovenleer eraf of laat ik ze iemand anders aanpassen!’

‘Pourquoi, Monsieur’ – ik was op de vraag voorbereid – ‘pourquoi, si vous n’aviez pas l’intention de livrer le tableau, aviez vous accepté le cheque?’ [waarom heeft u de cheque aanvaard als u niet van plan was het schilderij te leveren?]

‘Pour qu’il vienne me le réclamer ici – devant tout Paris!’ [Opdat hij het hier van me zou komen opeisen – voor heel Parijs!]

Wel, dat is dan ook gebeurd. Zijn verhaal is verteld! – en zijn gejengel blijft in de oren nazinderen, zijn stank blijft in de neus hangen van mijn confrères – en ik betwijfel of de insinuerende amateur ooit nog een schilderij, dat zich nederig als schets voordoet, zal loshaken van een schildersezel in om het even welke studio in binnen- of buitenland.

Hoogachtend, J. MCNEILL WHISTLER.

Parijs.’ [18]

Whistler ging vervolgens in beroep tegen het vonnis van het hof.

Op 2 december 1897 vond het tweede proces Whistler vs. Eden plaats aan het Cour d’appel de Paris. In zijn advies zei de Avocat-Général de la République het volgende:

‘Alvorens we de belangrijkste feiten in deze zaak overlopen, verzoek ik om het Hof iets te mogen zeggen over Mr. Whistler zelf, iets wat u kan helpen bij het onderzoeken van deze zaak en bij het vormen van een besluit over de betwiste punten. […]

Hij maakte zijn debuut in ons midden in 1863, wanneer hij de Salon een schilderij toestuurde met de titel Het Witte Meisje. Het schilderij werd afgewezen door de jury, en Mr. Whistler stuurde het naar de Salon des Refusés, waar het een plaats vond tussen de werken van mannen die nu algemeen erkend zijn als meesters: Manet, Degas, Cazin en anderen. Mr. Whistler nam dit onze Salon een lange tijd kwalijk, en hij strafte het met een afwezigheid van negentien jaar. In 1882 maakte hij zijn triomfantelijke intrede in de Salon met een nieuw portret en in 1883 exposeerde hij het portret van zijn moeder, vandaag te bewonderen in het museum Luxembourg. […]

Ik wil u enkel laten zien dat Mr. Whistler, die zich vroeger moest verdedigen tegen de jury van de Salon en die, zo lijkt het, meer dan reden tot klagen had over zijn behandeling bij ons, vandaag een reputatie geniet die in Frankrijk minstens even groot is als in Engeland. Hij is officier van het Legioen van Eer; het portret van zijn moeder, het portret dat in 1883 zijn terugkeer naar de Salon inluidde, maakt al twee of drie jaar deel uit van onze nationale collectie. […]

Maar hij schildert niet alleen figuren en portretten. Hij schildert ook landschappen, en deze landschappen noemt hij ‘Harmonieën en Symfonieën’. […]

Het lijkt immers wel alsof we de afgelopen dagen in schilderijen van Whistler hebben geleefd! Zelf heb ik, op weg naar dit Hof, met verwondering de ons omringende Symfonieën in vaal goud en blauw aanschouwd, gehuld in nevels die vaag herinneren aan de mist van de Theems! […]

Zoals u weet ontkent de kunstenaar allereerst niet dat hij heeft toegezegd een schilderij van Lady Eden te zullen maken, voor een prijs tussen £100 en £150, of 100 gienjes en 150 gienjes, een bedrag dat werd bepaald (voor zover we een bedrag dat varieert tussen £100 en £150 ‘bepaald’ kunnen noemen, uiteraard) door een gemeenschappelijke vriend van Mr. Whistler en Sir William Eden. Evenmin ontkent hij, pro forma, dat hij met andere bedoelingen de cheque van £100 heeft aanvaard die hem op Valentijnsdag werd aangeboden door Sir William Eden, met een hoffelijkheid die, als ik zo vrij mag zijn, werd ontsierd door meer dan een vleugje sluwe spaarzaamheid! Hij bekent dat hij, na ontvangst van het valentijnsgeschenk, de laatste toetsen heeft aangebracht, waarnaar hij verwijst in zijn ironische bevestiging van ontvangst, en hij bekent ook het portret te hebben tentoongesteld in 1894. […]

Ik zal nu, als u mij toestaat, een passage of twee voorlezen uit het kritische werk dat reeds ter sprake is gekomen, en dit zal mijn laatste woord zijn over het talent van Mr. Whistler, of beter, zijn genie. Het zal een duidelijk beeld van Mr. Whistler voor u schetsen, en het zal u in staat stellen zijn houding te begrijpen. De eerste passage heeft betrekking op het schilderij dat bekend staat als ‘Bruin en Goud’, het schilderij dat het onderwerp is van deze zitting’:

‘Bruin en Goud. Een dame zittend op een sofa. Een wonderlijk samenspel van compositie en schakering (tint?). […]’.

‘De criticus wijdt vervolgens twee pagina’s aan Mr. Whistlers portret van M. de M. Ik lees hier enkele regels uit voor:’

Whistler is de portrettist van deze subtiele persoonlijkheid, en nooit was er een intiemere harmonie tussen model en schilder. De kunstenaar van nocturnes en harmonieën, de maker van de prachtigste zwijgzame portretkunst, de meester van vrouwelijke verschijningen en intellectuele expressie, moet het dandyisme van M. de M. hebben aangevoeld als een sterke aantrekking tot het dandyisme dat aan de basis lag van zijn eigen karakter. Hij had sympathie voor zowel het natuurlijke als het articifiële van deze persoonlijkheid, dit wezen dat alleen tot bloei had kunnen komen in een sterk ontwikkelde beschaving.’

‘Dit, heren, is hoe een briljante criticus zich uitlaat over Mr. Whistlers bewonderenswaardige inzicht in zijn model. […]

Welnu, heren, Mr. Whistler, die alle feiten heeft toegegeven die ik tot nu toe heb overlopen, het zakenvoorstel, de belofte, de ontvangst van betaling, het tentoonstellen van het portret in de Salon du Champ de Mars in 1894, bekent ook dat hij aan het eind van datzelfde jaar (1894), toen Sir William Eden het portret opeiste, weigerde om het af te staan, en dat toen de wet werd ingeroepen om hem zijn taak te doen ‘afmaken’, hij verkoos om het portret ‘af te maken’ door het uit te vegen.

Dit, heren, was een koele en opzettelijke wilsdaad vanwege Mr. Whistler, een daad die verklaart waarom ik het noodzakelijk heb geacht om even uit te wijden over de kunstenaar. Het was een logische daad, een daad zoals ze van hem te verwachten was, want hij is Mr. Whistler. En Mr. Whistler is niet alleen. Hij staat voor ‘het whistlerisme en de whistlerianen’. Deze zinswending is niet de mijne. Ik citeer opnieuw de criticus die ik reeds heb aangehaald. Hij was het aan zichzelf verschuldigd, aan het whistlerisme en aan alle whistlerianen, om zich niet te laten bedotten door Sir William Eden! En daarom heeft hij geweigerd het portret af te staan. Maar anderzijds kan ik u, in het licht van de juridische kwestie waarover wij ons buigen, niet genoeg op het hart drukken dat hij van bij het begin bereid was de £100 terug te betalen. Hij erkent deze verplichting volledig; zoals u zich herinnert, legt hij zich zelfs neer bij de beslissing van het Hof, dat hem veroordeelde tot een schadevergoeding van £40.

Waar hij zich wel tegen verzet, in naam van de persoonlijke vrijheid, de vrijheid van alle kunstenaars, de onafhankelijkheid en soevereiniteit van de kunst, is de uitspraak die hem ertoe veroordeelt om het schilderij in zijn huidige staat in te leveren. Is het terecht dat het Hof hem opdraagt het schilderij af te staan, of is het terecht dat Mr. Whistler dit weigert? Dit, heren, is de enige vraag die u wordt voorgelegd.

Het beantwoorden van deze vraag is het enige doel van dit beroep. Ongeacht de noodzakelijk algemene formulering van het beroep, weet u dat dit de enige vraag is die er voor Mr. Whistlers advocaat toe doet. Ik geloof zonder aarzelen – en ik zeg het nu meteen – dat het Hof zich heeft vergist. De oorzaak van haar foute oordeel lag bij een andere fout, waarop ik u zo dadelijk de vinger zal helpen leggen. Het Hof lijkt in de veronderstelling te zijn geweest dat het originele contract, een niet officieel contract, een gemengd contract, in elk geval een verplichting tot uitvoering, op een bepaald moment zo ingewikkeld werd dat het de vorm van een verkoopcontract kreeg, en het is door het toepassen van de verkoopswet op de relatie tussen de gecontracteerde partijen dat het tot haar besluiten is gekomen. Ik moet u hier nadrukkelijk op wijzen, heren, en ik voel mij in dat verband verplicht u drie pagina’s voor te lezen uit het vonnis van het Hof van eerste aanleg:’

‘Aangezien volgens de Rechters in eerste aanleg, het in de eerste plaats bewezen is dat Eden, door tussenkomst van gemeenschappelijke vrienden, een portret van Lady Eden van de hand van Whistler wenste, en dat Whistler ermee instemde het portret te schilderen.

Aangezien door tussenkomst van dezelfde personen, de prijs van Mr. Whistlers werk werd bepaald tussen 100 en 150 gienjes. Aangezien Whistler, met deze overeenkomst over waar en prijs, de verbintenis is aangegaan om het portret te schilderen en Eden de verbintenis om de overeengekomen prijs te betalen. […]’

‘Dit, heren, is inderdaad het contract dat in voege treedt tussen schilder en gegadigde, en zoals de jurisprudentie het altijd heeft erkend en beschreven, zoals dadelijk zal blijken uit het enige voorbeeld dat ik voor u zal citeren:’

‘Aangezien Whistler zijn verplichting is nagekomen en hij het portret van Lady Eden heeft geschilderd. Aangezien Eden, van zijn kant, Whistler op 14 februari een cheque heeft toegestuurd voor Britse valuta ter waarde van 2625 Franse franken.

Aangezien Whistler de cheque heeft ontvangen en Eden heeft geantwoord per brief, een brief waarvan het eerste deel over het verzonden en inderdaad behouden bedrag beslist een vleugje ironie bevat, maar waarvan het tweede deel heel duidelijk aantoont dat de kunstenaar, tevreden met zijn werk en zonder in te gaan op de geldkwestie, de wens uitdrukt dat – in zijn woorden – ‘dit schilderijtje ons allen waardig moge zijn’, vertrouwt op de vriendelijke toezegging van Lady Eden om de ons bekende laatste toetsen aan te brengen, zijn model prijst ‘om haar moed en haar hartelijkheid’ en besluit met zijn beste wensen aan Eden.

Aangezien, na deze datum van 14 februari 1894, de verstandhouding tussen Eden en Whistler hoffelijk is gebleven.

Aangezien deze laatste zijn werk helemaal heeft afgemaakt, en hij het met de, in het beste geval, stilzwijgende toestemming van Eden heeft tentoongesteld in de Salon Champ de Mars, samen met zijn andere werken, onder het Nr. 1187 en onder de titel Bruin en Goud. Portret van Lady E. […]

Aangezien het loutere feit dat Eden ervoor gekozen heeft om, met betrekking tot de prijs, het minimale overeengekomen bedrag te betalen, niets kan veranderen aan de aard van het contract tussen hem en Whistler.

Aangezien Whistler gebonden was door een strenge verplichting om het portret te schilderen en af te staan, en tevens vriendschappelijkerwijs of langs juridische weg had kunnen eisen dat de prijs werd opgetrokken in de richting van het maximum, indien de prijs die Eden hem betaalde ontoereikend werd bevonden; maar Whistler nooit een dergelijke wens heeft uitgedrukt’.

‘Tot dusver, heren, zijn de aangehaalde argumenten volstrekt onbetwistbaar. Het hof erkent het contract tot uitvoering alsook het uitzonderlijke karakter van zulke contracten tussen kunstenaar en liefhebber, zoals door de wet bekrachtigd. Maar nu komen we bij de twee punten van de aanklacht waarin het Hof zich heeft vergist, en werd verleid tot het oordeel dat ik bekritiseer:’

‘Aangezien Whistler de cheque heeft aanvaard en hij daarmee formeel akkoord ging met de prijs;

Aangezien vanaf dit moment het portret geschilderd door Whistler en betaald door Eden het exclusieve eigendom werd van deze laatste in deel en geheel.’

‘Volgens de uitspraak van het Hof werd de aard van het originele contract dus onmiddellijk gewijzigd met de aanvaarding van de cheque; en vanaf 14 februari werd de verplichting tot uitvoering vervangen door een verplichting tot verkopen, een verbintenis waarbij, mits waar en prijs zijn overeengekomen en het bedrag betaald, de persoon die de waar heeft besteld en betaald er de eigenaar van wordt in deel en geheel; vanaf dit moment verloor de schilder volgens de uitspraak ieder recht om te weigeren zijn afspraak na te komen, en door toch te weigeren maakte hij zichzelf aansprakelijk voor schadeclaims.

Het recht om te weigeren een afspraak na te komen is altijd erkend binnen de jurisprudentie. Ik zou vele precedenten kunnen citeren, heren, maar ik beperk mezelf tot een geval dat de respectieve posities van de gecontracteerde partijen in zulke situaties in een paar lijnen samenvat. Het is de uitspraak van de Eerste Kamer van het Hof van Beroep in Parijs, van 4 juli 1865, in een zaak tussen Rosa Bonheur en een klant die haar een opdracht had gegeven voor enkele schilderijen die ze weigerde te leveren. Ik zal de twee passages lezen die de aard van het contract definiëren, alsook de respectieve rechten van schilder en klant:’

‘Aangezien het niet uitvoeren van een verplichting tot uitvoering op een kwestie van schadevergoeding neerkomt, en er ook geen termen aanwezig zijn die de bepaling van een termijn voor de uitvoering van het contract mogelijk maken, met een geldboete voor elke dag vertraging, tenzij de koper zelf instemt met zulke termen;

En gezien de uitzonderlijke aard van het contract, en de formele weigering van Rosa Bonheur om haar plicht te vervullen, kunnen wij niet anders dan ons uitspreken in het voordeel van een schadevergoeding.’

‘Het Hof van eerste aanleg was bekend met dit vonnis alsook met het betreffende principe van jurisprudentie, maar het ontweek de lastige kwestie door te veronderstellen dat het contract werd vervangen door een eigenlijke verkoop, en door te verklaren dat William Eden op 14 februari 1894, de dag waarop hij zichzelf tevreden uitliet over het werk en Whistler honderd gienjes betaalde, eigenaar werd van het schilderij.

Wat zouden de gevolgen zijn indien jullie zulk een theorie zouden goedkeuren, heren? Stel u voor dat een liefhebber het op een akkoordje gooit met een schilder en een schilderij bestelt. Na verloop van tijd verklaart de liefhebber, die er maar weinig van afweet, zich tevreden met het schilderij, dat misschien nog maar een schets is. Hij is gehaast om het in zijn bezit te krijgen. Hij biedt de schilder de prijs van het werk aan, en deze laatste accepteert, blij op voorhand te zijn betaald (in de wetenschap dat kunstenaars soms niet eens betaald worden). In zulke omstandigheden worden de liefhebbers, die door kunstenaars ook wel oneerbiedig bourgeois of ‘cultuurbarbaren’ worden genoemd, de enigen die oordelen over de graad van perfectie van een kunstwerk, over de mate waarin het afgewerkt of onafgewerkt is. De schilder heeft geen enkel inspraak meer. Een onvoorzichtige of behoeftige kunstenaar, die zijn geld aanneemt voor zijn schilderij af is, zou gedwongen worden een onvolmaakt werk af te staan, een werk dat schadelijk is voor zijn huidige reputatie, en nog schadelijker voor zijn toekomstige faam, omdat de koper die voor het werk heeft betaald er de erkende eigenaar van zou zijn in deel en geheel. Kortom, het recht van een kunstenaar om te weigeren een werk af te staan waar hij zelf ontevreden over is, zou worden geschrapt uit de registers van het gewoonterecht en de jurisprudentie.

Het Hof werd geloof ik misleid door een bijzondere omstandigheid verbonden aan deze zaak. Ik verwijs naar het gekende motief van Mr. Whistlers weigering, een motief dat hij zelf nooit heeft willen ontkennen. Hij heeft geweigerd omdat hij in zijn zelfrespect werd gekwetst door Sir William Eden. Hij voelde zich onheus behandeld door de verfoeilijke methodes van Sir William Eden, die hem £100 deed toekomen terwijl het net zo goed £150 had kunnen zijn, terwijl hij op zijn minst met hem had kunnen bespreken welk bedrag tussen £100 en £150 hij hem had moeten toezenden.

Wat het schilderij zelf betreft, Mr. Whistler vond het uitstekend en stelde het publiekelijk tentoon. De criticus die ik eerder citeerde noemt het ‘een wonderlijk samenspel van compositie en schakering’. Mr. Whistler spreekt zelf van ‘het kleine meesterwerk’ in een interview met Le Figaro. De term is volkomen juist.

Vervolgens is Mr. Whistlers weigering om het portret te overhandigen niet te wijten aan een tekortkoming in het eigenlijke werk, met alle gevolgen voor zijn reputatie, maar aan het feit dat hij in een dispuut is verwikkeld met Sir William – een dispuut onder mannen, onder gentilhommes, onder gentlemen. Het Hof vond dit een slechte reden. Ikzelf meen dat het Hof zich hierin heeft vergist.

De kunstenaar wordt niet eens gevraagd te motiveren waarom hij het contract weigerde na te leven. Hij is in zijn recht wanneer hij weigert zijn verbintenis uit te voeren, en verkiest het risico te lopen schadevergoeding te moeten betalen. Dit recht is absoluut, en Mr. Whistler heeft slechts zijn recht bekrachtigd toen hij weigerde het schilderij af te staan. Nu echter, messieurs, wil zijn tegenstander hem dwingen het te overhandigen. Dit brengt ons terug bij mijn vorig punt. De schilder zou gedwongen worden een werk op te geven dat voor het grootste deel betrekkelijk vormeloos is. Ik neem aan dat, wanneer Mr. Whistler zijn harmonie in bruin en goud voor een portret schilderde, hij van plan was de gelaatstrekken van zijn model te reproduceren. Maar deze bestaan niet meer. De ‘harmonie’ is nog intact, met in het midden een witte leemte waar vroeger het hoofd zat; maar Mr. Whistler heeft opzettelijk het portret uitgewist. Mr. Whistler weigert het te leveren, al aanvaardt hij de beboeting van zijn daad. Hij is bereid schadevergoeding met interest te betalen.

Dan rest ons alleen nog de som van deze boete te bepalen. Voldoende schadeloosstelling lijkt mij het terugbetalen van de 100 gienjes, vermeerderd met 5 procent, als interest vanaf februari 1894, bovenop een schadevergoeding van 1000 Franse franken (£40) met interest.

Samenvattend, heren, bevestig ik de uitspraak van het Hof van eerste aanleg wat betreft de toewijzing van de schadevergoedingen en de terugbetaling van de 100 gienjes. Ik vernietig het met betrekking tot Mr. Whistlers verplichting om het schilderij aan Sir William Eden af te staan. Onder deze omstandigheden zal het Hof, indien het mij steunt, deze besluiten moeten aanpassen, daar ze mij onaanvaardbaar lijken.’ [19]

Het Hof beëindigde het proces door de vorige rechterlijke uitspraak gedeeltelijk te vernietigen:

‘HET HOF,

Na de pleitbezorgers van de aanklager en de beklaagde te hebben gehoord, alsook de samenvatting van de Advocaat-Generaal, en in reactie op het beroep aangetekend door de beklaagde, Whistler, tegen het vonnis van het burgerlijk tribunaal van de Seine, dat uitgesproken is op 20 maart 1895. Aangezien de overeenkomst beschreven in de uitspraak waartegen de beklaagde beroep aantekent slechts een contract tot uitvoering behelsde, waardoor de beklaagde, in geval van verzuim, aansprakelijk werd voor schadevergoeding; en aangezien William Eden op geen enkel moment de eigenaar was van het schilderij waarvoor zijn vrouw model stond, en slechts verklaart dat de schilder, in een vlaag van grilligheid of amour propre, weigerde het schilderij in kwestie af te staan zoals overeengekomen;

Aangezien Whistler, daar hij zijn belofte niet nakwam, zoals hierboven vermeld, verplicht is de 2625 Franse franken (100 gienjes) terug te betalen die hij van Eden aanvaardde, vermeerderd met vijf procent interest vanaf de dag van betaling;

En aangezien hij daarbovenop voor een bedrag van 1000 Franse franken (£40) schadevergoeding moet betalen; maar aangezien de Rechters van het Hof van eerste aanleg verkeerdelijk verordenden dat het portret dat Whistler moedwillig wijzigde diende te worden overhandigd aan Eden, volgens de redenering dat het schilderij exclusief toebehoorde aan Eden, en hem dus rechtmatig toekwam; en aangezien de overeenkomst tussen de beide partijen in geen geval een verkoopcontract was, maar slechts een verplichting tot uitvoeren, zodat het schilderij altijd de eigendom van de schilder is gebleven, en hem dus niet kan worden afgenomen zonder zijn toestemming;

Aangezien, anderzijds, dit portret, ondanks een aantal ingrijpende wijzigingen, nog steeds de algemene samenhang vertoont die de kunstenaar aan de compositie heeft verleend met behulp van enkele motieven aangereikt door Lady Eden, en dat, onder deze voorwaarden, het evident lijkt dat het recht van de kunstenaar op dit schilderij niet absoluut is, zonder limiet of restrictie, en dat, integendeel, zolang de transformatie van het kleine schilderij niet voltooid is, Whistler er geen gebruik van mag maken, publiekelijk noch privé.

Bevestigt BIJ DEZE de uitspraak waartegen beroep is aangetekend in zoverre zij de materiële feiten behelst;

En bevestigt de uitspraak eveneens door de beklaagde de terugbetaling van de 2625 Franse franken (100 gienjes) op te leggen, hem betaald door William Eden, met vijf procent interest, te berekenen vanaf 14 februari 1894, alsook een schadevergoeding van 1000 Franse franken (£40), met interest;

Maar oordeelt dat het vonnis verkeerdelijk verklaarde dat William Eden de eigenaar werd van het schilderij zodra de gecontracteerde partijen het eens waren over waar en prijs;

Bij wijze van amendement op deze passage uit het vonnis, en bij wijze van nieuwe uitspraak, verklaart het Hof dat het contract tussen de partijen slechts een overeenkomst tot uitvoering was die, in geval van verzuim, vanzelf zou worden ontbonden in een kwestie van schadeloosstelling; het duidt bijgevolg de kunstenaar aan als bezitter en eigenaar van zijn werk tot hij de tijd juist acht om het af te staan, en het uit handen te geven;

Het ontslaat Whistler van elke verplichting het schilderij af te staan aan William Eden, hem opgelegd door het Hof van eerste aanleg, maar verklaart anderzijds dat, zolang het werk onvoltooid blijft, en dus ongeschikt voor levering, Whistler er geen gebruik van mag maken, publiekelijk noch privé. Het beveelt Whistler om de kosten te betalen van de eerste zaak en Eden om de kosten van beroep te betalen. De boete moet worden terugbetaald’. [20]

Vervolgens ging William Eden in beroep tegen de uitspraak van de Cour d’appel de Paris.

Op 14 maart 1900 vond de derde rechtszaak Eden vs. Whistler plaats voor de Cour de Cassation. En Rechter Desjardins bevestigde de laatste uitspraak:

‘VONNIS

HET HOF; in aanmerking genomen dat de overeenkomst op basis waarvan een schilder zich ertoe verplicht een portret te schilderen, in ruil voor een vastgestelde prijs, een contract van bijzondere aard vormt, op grond waarvan het eigendom van het schilderij pas definitief verworven wordt door de partij die het heeft besteld, wanneer de kunstenaar dit schilderij ter beschikking heeft gesteld van deze partij en het door deze laatste is aanvaard;

Dat tot op dat ogenblik de schilder de meester blijft van zijn werk, zonder dat het hem vrijstaat het voor zichzelf te houden of er ten voordele van een derde over te beschikken, aangezien het om een portret gaat en het recht om de gelaatstrekken van het model te reproduceren slechts voorwaardelijk is gegeven met het oog op de volledige uitvoering van het contract;

en dat de kunstenaar onderhevig is aan schadeloosstelling als hij zich niet aan zijn verbintenissen houdt;

In aanmerking genomen dat uit de vaststellingen van het aangevochten vonnis resulteert dat Whistler zich ertoe verplicht heeft het portret van Lady Eden te maken, maar dat hij nog altijd weigert het desbetreffende portret ter beschikking te stellen van de eiser in cassatie, die het besteld heeft;

en dat hij, na het tentoongesteld te hebben op het Salon du Champ de Mars, het schilderij aan radicale wijzigingen heeft onderworpen, waarbij het hoofd van Lady Eden is vervangen door dat van een andere persoon;

In aanmerking genomen dat in deze staat van de feiten – door te besluiten dat enerzijds de eiser in cassatie geen eigenaar van het schilderij is geworden en hij er dus niet de terugbezorging van kan eisen in de huidige staat, en dat anderzijds Whistler verplicht zou zijn de vooraf ontvangen prijs met schadeloosstelling terug te geven, en door deze laatste bovendien te verbieden om op welke wijze dan ook gebruik te maken van het doek alvorens het te hebben gewijzigd – [het hof] in plaats van de teksten van de wet waar het cassatieberoep op doelt te overtreden, deze teksten integendeel op de juiste manier heeft toegepast;

Verwerpt [het cassatieberoep] op grond hiervan.’ [21]

 

Bruin en Goud: Portret van Lady Eden, 1894-1895

Vervaardiging: CRE WHISTLER, James McNeill (Amerikaan, 1834-1903)

Materiaal: olie op hout

Afmetingen: 20,4 x 32,4

Referenties: (408) Afbeelding 271, Andrew Mc Laren YOUNG, Margaret F. MACDONALD, Robin SPENCER, Robin en Hamish MILES, The Paintings of James McNeill Whistler, New Haven & London, Yale University Press voor het Paul Mellon Centre for Studies in British Art, 1980.

Notities: Lady Sybil Eden (1867-1945) was de vrouw van Sir William Eden, een grondbezitter en amateurschilder van aquarellen. Sir William gaf Whistler de opdracht een schilderij te maken van zijn vrouw, maar toen er onenigheid ontstond over de prijs, werden gerechtelijke stappen tegen Whistler ondernomen. Opdat het schilderij niet zou kunnen worden gerecupereerd door Sir William indien Whistler de rechtszaak verloor, overschilderde Whistler het gezicht van Lady Eden en verving het door het portret van een Amerikaanse, Mrs Herbet Dudley Hale. Sir William Eden maakte ook een aquarel van dit werk, dat zich nu in de verzameling van Lord Eden of Winton bevindt. Van Lady Eden is ook een portret geschilderd door Philip Wilson Steer in 1896 en door John Singer Sargent (1856-1925). Schenking Bernie Philip, 1935, niet uitleenbaar.

Trefwoorden: LADY SYBIL EDEN, LAWSUIT, MRS HERBET DUDLEY HALE, PORTRAIT, WHISTLER CENTENARY

Hunterian Museum & Art Gallery, University of Glasgow

[1]

 

Vertaling uit het Engels en het Frans: Dirk Van Hulle & Pim Verhulst

 

Noten

1 Louis Henry May, Eden versus Whistler, Paris, 1900, p. 4.

2 Ibid., p. 5.

3 Ibid., p. 6.

4 Ibid., pp. 10, 44.

5 Ibid., pp. 11, 45.

6 Ibid., pp. 11, 46.

7 Ibid., p. 49.

8 Ibid., pp. 12, 49.

9 Ibid., p. 49.

10 Ibid., p. 13.

11 Ibid., pp. 13, 48.

12 Ibid., p. 16.

13 Ibid., p. 17.

14 Ibid.

15 Ibid., p. 18.

16 Ibid., p. 19.

17 Ibid., p. 21.

18 Ibid., pp. 22-24.

19 Ibid., pp. 60-75.

20 Ibid., pp. 76-78.

21 Dalloz, Paris, 1900, pp. 497-500.

 

1 Whistler vermaakte zijn nalatenschap aan Rosalind Birnie Philip (1873-1958), een jongere zus van wijlen zijn vrouw, Beatrix. Juffrouw Philip schonk vervolgens de kunstverzameling en de persoonlijke verzameling decoratieve kunstvoorwerpen en memorabilia van Whistler aan de Universiteit van Glasgow, respectievelijk in 1935 en 1958.