Alied Ottevanger

DE WITTE RAAF

Editie 143 januari-februari 2010

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Play, Deel 1 - Het spel en de spelers

In het Van Abbemuseum in Eindhoven zijn gelijktijdig twee tentoonstellingen te zien: Herhaling: Zomeropstelling 1983 en Vreemd en vertrouwd. De eerste is samengesteld door de voormalige directeur Rudi Fuchs (1975-1987), de tweede door Charles Esche, die er sinds augustus 2004 de scepter zwaait.

Het tweeluik vormt het eerste deel van de serie Play. In deze serie combineert het Van Abbemuseum twee experimentele manieren van exposeren die het de voorbije jaren reeds uitprobeerde in de reeksen Plug In en Living Archive. De Plug Ins zorgden voor onconventionele presentaties van werken uit de collectie, in een open context en meestal in een installatieachtige setting. Bij ieder bezoek zag het museum er anders uit, wat een grote levendigheid opleverde en erg aanstekelijk werkte. Deze presentaties wekte anderzijds ook kleine ergernissen op met de geforceerde en vaak naïeve uitnodigingen tot publieksparticipatie. Verantwoording daarover legde het museum niet af. De Living Archive-exposities leken in dat opzicht sympathieker en ook intelligenter van opzet. De ensembles van brieven, memo’s en notities – over het al dan niet doorgaan van bruiklenen, het rechtvaardigen van aankopen of het aandragen van argumenten voor het houden van bepaalde exposities – boden spannende kijkjes achter de schermen van het artistieke bedrijf dat het museum is.

In dit eerste deel van Play (voluit: Het spel en de spelers) worden de ervaringen uit Living Archive en Plug In benut om de opvattingen van twee Van Abbemuseumdirecteuren aan elkaar te toetsen, wat op zich een uniek gegeven is. Tegenover de reconstructie van een historische zomertentoonstelling van Fuchs, uit 1983, wordt de huidige visie van Esche gesteld. Fuchs had begin jaren 80 de Midden-Europese schilderkunst als gelijkwaardige tegenvoeter van de Amerikaanse kunst ontdekt en had in zijn exposities de dialoog als presentatievorm geïntroduceerd. Beide innovaties zette hij in 1982 in bij zijn selectie en inrichting van documenta 7. Waar Fuchs de liniaal toen dwars over de oceaan had gelegd, van de Nieuwe Wereld naar de navel van Europa, verplaatst Esche de lat nu richting Istanbul. Die stad beschouwt hij als een soort springplank, naar Rusland, het Midden Oosten en, verder nog, naar China en Zuid-Afrika. Daarbij is hij niet alleen geïnteresseerd in de samenhang tussen westerse en niet-westerse kunst, tussen hedendaagse en oude tradities. Esche richt zich vooral op de invloed die de samenleving en het maatschappelijke denken op de kunst heeft. Het liefst lijkt hij in het museum kunst binnen haar politiek-sociale achtergrond te presenteren. Zijn favoriete expositieformules zijn daarbij de confrontatie en de spiegeling.

De reconstructie van Fuchs’ expositie (waarvan de toenmalige ‘staart’ terecht is afgehakt) is ingericht in de oudbouw van het museum, in de zalen waar ze in de zomer van 1983 te zien was. Esche heeft zijn expositie ondergebracht in zalen van de nieuwbouw. Bij vergelijking van de twee exposities komt die van Esche vreemd genoeg nogal tam en voorspelbaar over. Voor een deel komt dat ongetwijfeld doordat ze rechttoe rechtaan voortborduurt op de Plug Ins. Veel van de werken, vooral aankopen van Esche, hebben we al eens gezien, als onderdeel van een van de Plug Ins of van een andere presentatie in het museum. Dat geldt voor een ‘oud’ museumwerk van Dan Flavin, samengesteld met ronde neonbuizen, dat hier vooral is opgesteld vanwege de politieke lading die uit de ondertitel spreekt: voor een man, George McGovern, uit 1972. Het gaat eveneens op voor Self-Heterotopia, Catching Up with the Self (1991-2007) van Hüseyin Alptekins – een ogenschijnlijk rommelige verzameling van haveloze schilderijtjes en andere memorabilia – dat Esche als blauwdruk lijkt te gebruiken bij het samenstellen van een portrettenensemble van Nederlandse kunst uit het museum: Gestel, Sluijters, Kelder, Willink en Charley Toorop. Esche voegt er twee recente aankopen aan toe: een videowerk van Toos Nijssen en een gouache van Silke Otto-Knapp. Welke betekenissen hij zichtbaar wil maken, is niet duidelijk. De portrettenwand komt geforceerd over en heeft enigszins de uitstraling van een boedelverkoop.

Wat een verschil biedt daarbij de herhaling van Fuchs’ zomeropstelling uit 1983! Zijn tentoonstelling lijkt eerder een soort anti-Plug In, of Plug Out. Hier overheerst een afkeer van willekeur, van toevoegingen en alles wat maar richting stoffering en enscenering neigt. En juist deze uitgebeende presentatie voert het oog verder dan de titels, dan de evidente verschillen en overeenkomsten in verschijningsvormen. Destijds, in 1983, viel vooral de combinatie klassiek modern-hedendaags op, alsook de relatie tussen de werken onderling. Nu, anno 2009, komt ze vooral over als een sobere tentoonstelling waarin kunstwerken op uiterst secure wijze bijeengebracht zijn.

De kunstwerken die Fuchs presenteert moeten allereerst op hun eigen, formele en kunstinherente merites bekeken worden. Door de confrontatie met de omringende werken, springen vervolgens andere kwaliteiten in het oog. Meteen in de eerste zaal zijn daarvan al schitterende voorbeelden te vinden. Daar hangen twee Picasso’s tegenover elkaar: Femme en verte uit 1909 en Buste de femme uit 1943. Hoewel ze vierendertig jaar van elkaar verschillen zijn beide in een tamelijk lineaire, wat rudimentaire, kubistische stijl geschilderd. Het constructieve, handschriftachtige lijnenspel op de doeken krijgt een prachtig en strak tegenwicht in de vier gave, wit gespoten, open kubussen van Sol LeWitt die in het midden op de vloer staan. Een subtiele variant op die pure, proportionele bouw geeft de tekening van Stanley Brouwn, One Step (11x) uit 1971, waarin hij met potlood een menselijke stap in elf lijnen heeft afgemeten. Picasso’s terughoudend kleurgebruik zorgt er verder voor dat de foto’s van gekleurde automotorkappen van Jan Dibbets opeens iets impressionistisch schilderachtigs krijgen. Fuchs bezit het talent om met de kwaliteiten van kunst te toveren. Van een geperforeerde en met stukken glas beplakte Fontana en een intens blauwe monochroom van Klein komen nog sterker de radicale en spirituele helderheid naar voren doordat ze zijn opgesteld tegenover enerzijds een installatie van Broodthaers met palmen, een lamp en slechts met kaders bedrukte grafiekbladen en anderzijds een schilderij waarop On Kawara zijn precieze plaats op de wereld in lengte- en breedtegraden heeft geschilderd. Hier licht tegenover het ongrijpbare worden, de illusie van het zijn op.

Aan Fuchs’ reconstructie is nog een Living Archive-deel gekoppeld. In een kast, afgeschermd door vitrages, zijn kopieën te vinden van recensies van de expositie uit 1983 en correspondentie over bruiklenen van toen. Die informatie is natuurlijk leuk en leerzaam, maar een toelichting bij de selectie aan documenten ontbreekt. Dat is overigens de algemene teneur. Naar de intenties van het museum met dit expositietweeluik heeft de bezoeker het raden. Waarom is hier gekozen voor het schrille contrast tussen Fuchs en Esche? Een confrontatie tussen Esche en die andere voormalige directeur Jean Leering (1964-1973) zou meer voor de hand liggen. Leering hechtte eveneens veel waarde aan de wisselwerking tussen kunst en sociale omgeving. Wie weet komt het daar nog een keer van? Voorlopig doen we er goed aan dit tweeluik aandachtig te bekijken, al was het alleen maar om de enorme kwaliteiten te ervaren die Fuchs als presentator en subtiele interpretator aan de dag wist te leggen.

Play, Deel 1 – Het spel en de spelers tot 28 februari in het Van Abbemuseum, Bilderdijklaan 10, 5611 NH Eindhoven (040/238.10.00; www.vanabbemuseum.nl).